|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:642 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 26/429 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Uitspraak buiten zitting. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening in verband met weigering van uitbetaling van een WW-uitkering af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | inkomensvoorzieningen | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/429
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Hoofddorp, verzoekster
(gemachtigde: mr. E.E. Dekker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.
Inleiding
1. Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2025 de uitkering van verzoekster op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 13 december 2025 niet tot uitbetaling laten komen wegens vermeende verwijtbare werkloosheid. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1.
Het verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter kennelijk ongegrond. Zij doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
2.2.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Ten aanzien van een besluit waarbij een financiële aanspraak wordt ontzegd kan, zo volgt uit vaste jurisprudentie, in het algemeen alleen dan aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien sprake is van een dusdanig acute financiële noodsituatie dat, gelet op de betrokken belangen, tot onverwijlde verlening van (voorschotten) van uitkering moet worden overgegaan.
2.3.
In haar verzoekschrift heeft verzoekster ten aanzien hiervan vermeld dat doordat de WW-uitkering per 13 december 2025 niet tot uitbetaling komt, zij acuut in de financiële problemen verkeert. Alternatieve inkomensvoorzieningen, zoals bijstand, kunnen volgens haar, niet tijdig worden gerealiseerd.
2.4.
In verband met het voorgaande is aan verzoekster bij brief van 20 januari 2026 verzocht de spoedeisendheid van het verzoek nader te motiveren door inzicht te verschaffen in de financiële situatie en daarvan bewijsstukken te overleggen. Hierbij is verzocht ook te betrekken de mogelijkheid om (een voorschot op) bijstand aan te vragen.
2.5.
Verzoekster heeft hierop bij brief van 22 januari 2026 aangegeven dat de spoedeisendheid volgt uit de aard van het verzoek. Doordat de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt verkeert zij in financiële problemen. Zij heeft ter onderbouwing een staatje overgelegd met daarin een weergave van haar vaste lasten van in totaal € 864,- per maand. Zonder de uitkering kan zij deze kosten niet dragen en zullen er achterstanden ontstaan, zo licht verzoekster toe.
2.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit het verzoekschrift en de brief van 22 januari 2026 niet worden afgeleid dat in het geval van verzoekster thans sprake is van een acute financiële noodsituatie. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de financiële positie van verzoekster zodanig is dat zij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten. Een opsomming van de vaste lasten acht de voorzieningenrechter daarvoor niet voldoende. Verzoekster is daarnaast in het bestreden besluit er op gewezen dat zij misschien een bijstandsuitkering kan krijgen. Daarbij is uitgelegd hoe zij dit kan doen. Dat verzoekster er voor kiest om dat niet te doen en in plaats daarvan de nu voorliggende voorlopige voorziening aan te vragen, maakt het verzoek niet spoedeisend. De stelling dat een alternatieve inkomensvoorziening, zoals bijstand, niet tijdig zou kunnen worden gerealiseerd, kan bovendien niet worden gevolgd. De gemeente kan immers ook voorschotten op bijstand verstrekken in afwachting van een besluit op een bijstandsaanvraag.
Conclusie en gevolgen
3. De conclusie is dat er onvoldoende spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|