|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2025:14653 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 03-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 25/1338 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Vennootschapsbelasting. Verweerder heeft via een e-mail het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, waarna het bezwaar vervolgens schriftelijk is afgewezen. Eiseres heeft tegen die afwijzing bezwaar gemaakt. Beroep niet-ontvankelijk. Tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk. | | Trefwoorden | : | fiscale eenheid | | | vaststellingsovereenkomst | | | vennootschapsbelasting | | | verliesverrekening | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1338
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: drs. M.A. Wiebes),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een aanslag (aanslagnummer [# 1] ) vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 0. Daarbij is een beschikking verrekening verlies vastgesteld van € 1.196.874.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 te Haarlem.
Namens eiseres is verschenen, haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] van [bedrijf 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is opgericht op 3 februari 2009. Enig aandeelhouder van eiseres per 1 juli 2011 is [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ).
2. [bedrijf 2] is opgericht op 1 juli 2011. Eiseres is per 1 juli 2011 als dochtermaatschappij gevoegd in een fiscale eenheid met [bedrijf 2] . De fiscale eenheid [bedrijf 2] N.V. (waartoe naast eiseres tevens [bedrijf 3] B.V. behoort) heeft op 6 november 2013 over de periode 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 de aangifte Vpb ingediend naar een belastbaar bedrag (verlies) van -/- € 1.944.230. Met dagtekening 17 november 2018 is het ambtshalve vastgestelde belastbaar bedrag voor [bedrijf 2] verminderd van € 5.000 naar nihil.
3. Met de toenmalige adviseur van eiseres is in 2017 overeengekomen dat de fiscale eenheid tussen eiseres en [bedrijf 2] met terugwerkende kracht per 5 juli 2012 is verbroken.
4. Over de periode 3 februari 2009 tot en met 30 juni 2011 en over de periode 5 juli 2012 tot en met 31 december 2012 en de daaropvolgende boekjaren heeft eiseres zelfstandig aangiften Vpb ingediend.
5. In een op 3 september 2020 door, onder meer, partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst is tussen eiseres en twee andere vennootschappen enerzijds en de Belastingdienst anderzijds onder meer het volgende vastgesteld:
“3. Afspraken
(…)
- Bij [eiseres] N.V. zijn de nog verrekenbare verliezen aldus als volgt vastgesteld:
Restant verrekenbaar verlies 2010: € 593.164
Restant verrekenbaar verlies 2011: € 1.327.565
Totaal: € 1.920.729 (A)
- Op basis van deze vaststellingsovereenkomst wordt in de jaren 2012 en 2013 geen verliezen in aanmerking genomen.
- Op basis van deze vaststellingsovereenkomst wordt in 2014 rekening gehouden met een verlies van € 222.403 (B)
- Op basis van deze vaststellingsovereenkomst wordt in 2015 rekening gehouden met een verlies van € 285.032 (C)
(…)
(Per ultimo 2015 is het totaal aan nog verrekenbaar verlies dus: € 2.428.164)
(…)
Per ultimo 2017 bedraagt het totaal aan verrekenbare verliezen € 3.233.855 dit is als volgt opgebouwd:
2010: € 593.164
2011: € 1.327.565
2012: 0
2013: 0
2014: € 222.403
2015: € 285.032
2016: € 102.489
2017: € 703.202
(…)”
6. Met dagtekening 1 maart 2021 is aan eiseres een uitnodiging tot het doen van aangifte Vpb 2020 uitgereikt.
7. Op 19 mei 2021 heeft eiseres de aangifte Vpb 2020 ingediend. De daarbij aangegeven belastbare winst van € 1.196.874 is in de aangifte verminderd naar een belastbaar bedrag van nihil vanwege aanwezige voorwaarts verrekenbare verliezen.
8. Met dagtekening 29 juli 2023 is de definitieve aanslag Vpb 2020 met bijbehorende verliesbeschikking opgelegd conform de ingediende aangifte Vpb. Daarbij is meegedeeld dat de nog verrekenbare verliezen € 1.809.142 bedragen.
9. Eiseres heeft met dagtekening 5 september 2023, ontvangen door verweerder op 6 september 2023, bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde verlies bij de definitieve aanslag Vpb 2020.
10. Op 15 september 2023 heeft verweerder aan de toenmalige gemachtigde van eiseres een e-mailbericht gestuurd met als onderwerp: “Uitspraak bezwaar Vpb 2020 – Verliesbeschikking – [eiseres] NV”. Dit e-mailbericht luidt als volgt:
“Geachte heer [naam 1] ,
Zoals ook zojuist telefonisch besproken treft u hierbij mijn uitspraak op uw bezwaarschrift aan. Ik zal deze uitspraak ook schriftelijk versturen.
Met vriendelijke groet,
[naam 2] ”
Aan dit e-mailbericht is een pdf-document gehecht met als naam: “19092023 – Uitspraak bezwaar verliesbeschikking 2020 – [eiseres] NV – get..pdf”.
11. Het aan het e-mailbericht van 15 september 2023 gehechte pdf-document, dat als dagtekening 19 september 2023 heeft, luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Betreft: Uitspraak op bezwaar tegen de verliesbeschikking bij definitieve aanslag Vpb 2020 ten name van [eiseres] NV (RSIN: [# 2] )
Geachte heer [naam 1] ,
(…)5. ConclusieIk kom tegemoet aan uw bezwaar. Ik zal de toegepaste verliesverrekening over de jaren 2014 t/m 2017 aanpassen zodat het resultaat uit 2020 met het oudste openstaande jaar (2011) wordt verrekend.
6. Hoorgesprek en inzage dossier
Nu ik tegemoet kom aan uw bezwaar hoeft er mijns inziens geen hoorgesprek plaats te vinden.7. BeroepsclausuleU kunt tegen mijn uitspraak in beroep gaan bij de rechtbank. Onderaan deze brief kunt u in rechtsmiddelverwijzing (beroepsclausule) lezen hoe u dat kunt doen.”
Bij de brief zit een rechtsmiddelverwijzing waarin onder meer staat vermeld:
“Rechtsmiddelverwijzing (beroepsclausule) Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u beroep instellen bij de rechtbank. (…)”
12. Op 18 september 2023 stuurt verweerder een tweetal e-mailberichten aan de toenmalige gemachtigde. De inhoud van deze berichten luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Datum: 18-09-2023 16:46
Onderwerp: Betr: Uitspraak bezwaar Vpb 2020 - verliesbeschikking - [eiseres] NV
____________________________________________________________
Geachte heer [naam 1] ,
Volgens ons systeem heeft [eiseres] NV in de periode 1 januari 2011 t/m 30 juni 2011 een apart extra boekjaar. Hierdoor is het in beginsel (op basis van artikel 7 lid 4 wet Vpb) niet mogelijk om het verlies uit 2011 te verrekenen. Ik zal nog verder uitzoeken wat er precies is gebeurd en waardoor het extra boekjaar is ontstaan. Ik kan dit namelijk niet direct afleiden uit het systeem.
(…)
Voorts zie ik dat per 1 oktober 2019 [eiseres] NV als moeder van een FE met [bedrijf 2] is aangemerkt (zie beschikking). Ten aanzien van mijn uitspraak op bezwaar - die ik op 15 september 2023 per e-mail stuurde - kunt u geen rechten ontlenen. Ik zal uiteindelijk nog een schriftelijke uitspraak op uw bezwaarschrift sturen en daarin een toelichting geven omtrent het al dan niet aanwezig zijn van een extra boekjaar en of het verlies in 2011 dan wel of niet verdampt is.
Met vriendelijke groet,
(…)”
en
“Verzonden: maandag 18 september 2023 16:56
Aan: (…)
Onderwerp: Betr: Betr: Uitspraak bezwaar Vpb 2020 - verliesbeschikking - [eiseres] NV
Geachte heer [naam 1] ,
Aanvullend aan mijn vorige e-mail nog het volgende. Op 1 juli 2011 is [eiseres] NV gevoegd in een fiscale eenheid met [bedrijf 2] NV en met ingang van 5 juli 2012 is [eiseres] NV ontvoegd uit deze fiscale eenheid. Hierdoor is er m.i. een extra boekjaar ontstaan.
Graag verneem ik hierop uw reactie.
Met vriendelijke groet,
(…)”
13. Op 17 oktober 2023 heeft verweerder een voorgenomen uitspraak op bezwaar aan de toenmalige gemachtigde gestuurd en daarin aangegeven voornemens te zijn het bezwaar ongegrond te verklaren. Verweerder heeft daarin tevens gewezen op het recht om te worden gehoord en verzocht aan te geven of gebruik wordt gemaakt van het hoorrecht.
14. Op 25 oktober 2023 heeft de toenmalige gemachtigde op het voornemen gereageerd en in die reactie onder meer aangegeven dat met dagtekening 19 september 2023 uitspraak op bezwaar is gedaan, en dat een tweede uitspraak op bezwaar gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet mogelijk is.
15. Op 23 november 2023 heeft verweerder hierop gereageerd en nogmaals de voorgenomen uitspraak op bezwaar toegezonden, en daarbij nogmaals verzocht aan te geven of gebruik wordt gemaakt van het recht om gehoord te worden.
16. Bij brief van 29 november 2023, ontvangen door verweerder op 13 december 2023, heeft eiseres hierop gereageerd.
17. Verweerder heeft met dagtekening 11 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak is op 8 januari 2024 per e-mail en per gewone post aan de toenmalige gemachtigde verzonden, en op 19 januari 2024 per aangetekende post.
Geschil 18. In geschil is of eiseres ontvankelijk is in haar bezwaar. Inhoudelijk is in geschil of het verrekenbare verlies per ultimo 2020 € 3.006.016 bedraagt of € 1.809.142.
19. Eiseres stelt primair dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaar, aangezien sprake is van een niet toegelaten tweede uitspraak op bezwaar. Subsidiair stelt eiseres dat het nog te compenseren verlies ultimo 2020 dient te worden vastgesteld op € 3.006.016. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres ontvankelijk is in haar bezwaar en dat de uitspraak van 11 januari 2024 de eerste en enige rechtsgeldige en schriftelijke uitspraak op bezwaar is. Subsidiair stelt verweerder dat het verrekenbare verlies ultimo 2020 correct is vastgesteld op € 1.809.142. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
21. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Wettelijk kader
22. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
23. Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
24. Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
25. Ingevolge artikel 2:14, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
26. Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt, in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb in het verkeer tussen belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen en de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen een bericht uitsluitend elektronisch verstuurd.
Ingevolge het derde lid van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling berichten en groepen van belastingplichtigen worden aangewezen waarvoor, alsmede omstandigheden worden aangewezen waaronder, het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg.
27. Aan artikel 3a van de AWR is uitvoering gegeven in de Regeling elektronisch berichtenverkeer belastingdienst van 23 oktober 2015 (Stcrt. 2015, 37619) (de Regeling).
In artikel 3 van de Regeling is bepaald dat de wijze waarop het elektronisch berichtenverkeer plaatsvindt en de berichten waarvoor het berichtenverkeer anders dan langs elektronische weg kan plaatsvinden, opgenomen zijn in de bij de regeling behorende bijlage.
In de bijlage behorende bij de Regeling is bepaald dat voor alle berichten in verband met bezwaar, beslissingen op bezwaar betreffende alle aanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen de weg “niet uitsluitend digitaal” openstaat.
28. In het arrest van 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516, oordeelde de Hoge Raad als volgt:
“3.3.1. (…) Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de inspecteur - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, Awb beroep kan worden ingesteld.”
In gelijke zin HR 11 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1132.
29. In het arrest van 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:758, oordeelde de Hoge Raad als volgt:
“2.3.5. Artikel 3a, lid 3, AWR bepaalt dat bij ministeriële regeling berichten kunnen worden aangewezen waarvoor het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg. In artikel 3 van de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Stcrt. 2015, 37619; hierna: de Regeling) en de daarbij behorende bijlage zijn onder meer alle berichten in verband met bezwaar, beslissingen op bezwaar betreffende alle aanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen vooralsnog uitgezonderd van het verplichte elektronisch berichtenverkeer. Dit heeft tot gevolg dat de verzending in elk geval per post moet plaatsvinden.
2.3.6. Omwille van de bij rechtsmiddeltermijnen vereiste rechtszekerheid moet dan voor de toepassing van artikel 3a, lid 1, AWR in verbinding met de Regeling worden aangenomen dat een uitspraak op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt door verzending van die uitspraak per post. De beroepstermijn van zes weken vangt dus aan overeenkomstig artikel 26c AWR.”
Ontvankelijkheid beroep
30. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder via e-mail op 15 september 2023 aan eiseres toegezonden document moet worden aangemerkt als de uitspraak op bezwaar. Dit volgt onder meer uit het onderwerp (Betreft: Uitspraak op bezwaar (…)), de inhoud (Ik kom tegenmoet aan uw bezwaar. Ik zal (…)) en het feit dat er een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. Ook uit de e-mail waarbij de uitspraak is verzonden volgt onmiskenbaar dat sprake is van een uitspraak op bezwaar. Dat de uitspraak niet op de juiste wijze bekend is gemaakt doet aan het bestaan van de uitspraak niet af (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 7 maart 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA5250 en Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4769). Ook uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2018 volgt niet dat een onjuiste bekendmaking tot gevolg heeft dat er geen sprake is van een uitspraak op bezwaar. Met de uitspraak van 15 september 2023 is de bezwaarprocedure ten einde gekomen. Het voor een tweede maal doen van uitspraak op bezwaar is niet mogelijk. Het beroep tegen de tweede uitspraak op bezwaar van 11 januari 2024 dient derhalve niet-ontvankelijk verklaard te worden. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over de hoogte van de nog verrekenbare verliezen. Verweerder is gehouden aan de mededeling bij de uitspraak op bezwaar dat hij de toegepaste verliesverrekening over de jaren 2014 t/m 2017 zal aanpassen zodat het resultaat uit 2020 met het oudste openstaande jaar (2011) wordt verrekend.
31. Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Proceskosten
32. De rechtbank ziet in het verloop van de procedure aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.
33. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.914,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet in artikel 2, derde lid, van het Besluit geen aanleiding voor een hogere proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 2.914,50, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. P.A. Spijker, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|