Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:555 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:05-02-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:24/1054
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Wet Woz. Waardevaststelling woning. Proceskostenvergoeding. Bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46)?
Trefwoorden:bpm
hoogheemraadschap
omzetbelasting
perceel
taxatie
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1054
uitspraakdatum: 27 januari 2026


Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2024, nummer AWB 22/5904, in het geding tussen belanghebbende en


de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 1.961.000.



1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn partner [naam1] en door zijn gemachtigde A. Oosters, alsmede mr. [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] (taxateur). Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat teneinde de gemachtigde van belanghebbende de gelegenheid te geven overtuigend aan te tonen dat hij (niet) voldoet aan het derde criterium genoemd in overweging 3.5.1 in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Het Hof heeft verder bepaald dat daarna de heffingsambtenaar in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren en aangekondigd dat de zaak naar een meervoudige kamer zal worden verwezen, zodat de beslissing over de wijze waarop het derde criterium moet worden uitgelegd in meervoudig verband kan worden genomen. Van de zitting is een proces-verbaal opgesteld, dat op 3 oktober 2025 in het digitale zaaksdossier is geplaatst.



1.6.
In het arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad bepaald dat niet wordt voldaan aan de eerste van de drie criteria die de Hoge Raad in overweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025 formuleerde, indien overtuigend wordt aangetoond dat het bedrijfsmodel van een gemachtigde voor het instellen van het rechtsmiddel zodanig was ingericht dat niet langer werd gewerkt op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Tot dit arrest gingen partijen met betrekking tot dit eerste criterium ervan uit dat doorslaggevend was dat in de onderhavige zaak op basis van no cure no pay werd gewerkt, hetgeen niet in geschil was. Bij bericht van 3 oktober 2025 heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld voor 1 november 2025 overtuigend aan te tonen dat (niet) wordt voldaan aan het eerste criterium zoals nader gepreciseerd in het arrest van 26 september 2025.



1.7.
De gemachtigde van belanghebbende heeft gereageerd bij bericht (incl. bijlagen) met dagtekening 11 september 2025 (met betrekking tot het derde criterium) en 14 oktober 2025 (met betrekking tot het eerste criterium).



1.8.
Bij bericht van 15 oktober 2025 heeft het Hof de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld voor 15 november 2025 te reageren. Bij bericht met dagtekening 14 november 2025 heeft de heffingsambtenaar dit gedaan.



1.9.
Bij bericht van 19 november 2025 heeft het Hof partijen laten weten dat het Hof, gelet op het arrest van 26 september 2025, niet langer voornemens is de onderhavige zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer en dat het Hof verder van oordeel is dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Het Hof heeft partijen verzocht uiterlijk 10 december 2025 aan het Hof te berichten of zij mondelinge behandeling op een nadere zitting wensen.



1.10.
Bij bericht van 11 december 2025 heeft het Hof partijen laten weten dat het Hof het onderzoek heeft gesloten en heeft bepaald dat binnen 6 weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.






2Vaststaande feiten

De woning is een in 2002 gebouwde villa met een garage. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 358 m², waaronder een souterrain van 84 m² en is gelegen op een perceel van 4.105 m². Belanghebbende is eigenaar van de woning.





3Geschil

In geschil is de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2021. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze te hoog is vastgesteld, hetgeen de heffingsambtenaar betwist. Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.527.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikking vastgestelde waarde van € 1.961.000.

Verder is, als belanghebbende in hoger beroep recht heeft op een vergoeding van proceskosten, in geschil of de gemachtigde van belanghebbende een ‘bijzonder geval’ is als bedoeld in overweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Voor het geval deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, heeft de heffingsambtenaar subsidiair gesteld dat de wanverhouding tussen de door het bedrijf van de gemachtigde bij belanghebbende in rekening gebrachte kosten en de forfaitaire vergoeding een bijzondere omstandigheid vormt om de proceskosten op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) fors te matigen tot een vergoeding van de werkelijk in rekening gebrachte kosten.





4Beoordeling van het geschil


Overschrijding redelijke termijn in de beroepsfase


4.1.
Partijen zijn het er terecht over eens dat de Rechtbank ambtshalve een vergoeding voor een overschrijding van de redelijke termijn in beroep had moeten toekennen, nu het bezwaar op 29 maart 2022 is ontvangen, de zitting in september 2023 heeft plaatsgevonden en uitspraak is gedaan op 9 april 2024. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond. De uitspraak op bezwaar is verzonden op 18 november 2022, zodat de overschrijding geheel is toe te rekenen aan de heffingsambtenaar.


De waarde van de woning



4.2.
In de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix is uitgegaan van een grondwaarde van € 328.400, welke voortvloeide uit de vaste grondstaffel die wordt gehanteerd. De taxateur van belanghebbende heeft in zijn taxatiematrix deze grondwaarde overgenomen.



4.3.
Ter zitting is namens de heffingsambtenaar erkend dat deze grondstaffel “wellicht wat aan de lage kant” is voor panden in deze omgeving, aangezien [adres2] voor € 1.500.000 is verkocht, terwijl op dat perceel inmiddels een nieuwe woning wordt gebouwd en er meer voorbeelden te noemen zijn. Voor percelen als de onderhavige worden bedragen betaald die ruim boven de € 1.000.000 zijn gelegen, aldus de heffingsambtenaar



4.4.
Nu in de door partijen overgelegde taxatiematrices verhoudingsgewijs veel te veel waarde wordt toegekend aan de opstal (en veel te weinig waarde aan de grond), kan de waarde van de woning naar het oordeel van het Hof niet uit deze matrices worden afgeleid.



4.5.
Met betrekking tot de taxatiematrix van de heffingsambtenaar komt daarbij dat deze ter zitting heeft gesteld dat aan het souterrain waarschijnlijk een lagere waarde per m² moet worden toegekend dan aan de rest van de (bovengrondse) woonoppervlakte. Het Hof acht dit ook aannemelijk. In de taxatiematrix van de heffingsambtenaar is echter geen onderscheid gemaakt tussen (de waarde van) vierkante meters woonoppervlakte in het souterrain en bovengrondse vierkante meters. Nu de grootte van de souterrains in de woning en de vergelijkingspanden die de heffingsambtenaar heeft gebruikt niet gelijk is, wordt het afleiden van de waarde van de woning uit die matrix hierdoor verder bemoeilijkt.



4.6.
Gelet op het bovenstaande zal het Hof de vastgestelde waarde per waardepeildatum in goede justitie bepalen op € 1.700.000.


Bijzonder geval



4.7.
In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de reikwijdte van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: WHPKV) beperkt is tot gevallen die zich kenmerken doordat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. In het arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet aan het eerste criterium wordt voldaan indien buiten redelijke twijfel wordt bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het rechtsmiddel wordt ingesteld, zodanig was ingericht dat niet (langer) werd gewerkt op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Daarbij moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.



4.8.
De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat WOZ-consultants B.V. vanaf aanvang 2024 niet langer op basis van no cure no pay werkte. Dit heeft de gemachtigde van belanghebbende reeds gesteld op de zitting van 28 augustus 2024, toen partijen nog ervan uitgingen dat met betrekking tot het eerste criterium niet het bedrijfsmodel op het moment van het instellen van het rechtsmiddel doorslaggevend was, maar de afspraken in de individuele zaak die speelde. De gemachtigde heeft ter zitting volgens het proces-verbaal het volgende verklaard:

“De gemachtigde van belanghebbende licht toe dat hij in 2024 de omslag heeft gemaakt naar een kantoor dat niet handelt op basis van no cure no pay. De enige ncnp-zaken die hij nog heeft, zijn de zaken die voor 1 januari 2024 zijn gestart en nog niet zijn afgerond.”

Tijdens die zitting heeft de gemachtigde verder gesteld dat in 2024 “zijn onderneming ‘volledig op zijn gat lag’.”



4.9.
In het bericht van 14 oktober 2025 heeft de gemachtigde gesteld dat vanaf begin 2024 is gezocht naar een juiste tariefstructuur, maar dat grosso modo een eigen bijdrage werd gevraagd van € 80 euro voor het controleren van een waarde en van circa € 350 euro voor het indienen van een bezwaarschrift. Vanaf begin 2024 werd op de website van de gemachtigde niet langer vermeld dat op basis van no cure no pay werd gewerkt. Begin 2025 is op de website expliciet aangegeven dat niet op basis van no cure no pay wordt gewerkt. De gemachtigde van belanghebbende heeft verder onweersproken gesteld dat juist vanwege het feit dat vanaf 2024 niet langer op basis van no cure no pay werd gewerkt, begin 2024 afscheid is genomen van 75% van het personeel.



4.10.
Bij het bericht van 14 oktober 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende een groot aantal bijlagen bijgevoegd. Tot deze bijlagen behoren onder andere:


Een factuur à € 387,20 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift en een taxatierapport inzake een onroerende zaak in [plaats1] gedateerd 16 april 2024 gericht aan een particulier, alsmede de door deze particulier op 11 april 2024 ondertekende overeenkomst waaruit blijkt dat deze vergoeding verschuldigd is ongeacht het resultaat van de procedure (niet is verschuldigd op basis van no cure no pay);


Een factuur à € 80 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats2] gedateerd 5 april 2024 gericht aan een particulier, alsmede een e-mail van deze particulier van dezelfde datum waarin zij bevestigt dat aan het starten van de procedure voor haar kosten zijn verbonden;


Een e-mail van 15 februari 2024 van een medewerkster van WOZ-consultants B.V. gericht aan een particulier in verband met een onroerende zaak in [plaats3] , waarin staat:


“Door een wetswijziging kunnen wij vanaf dit jaar onze diensten niet meer aanbieden op basis van no cure no pay. Wel kunnen wij tegen betaling bezwaar indienen tegen de hoogte van de WOZ-waarde. Het controleren van de WOZ-waarde en u hierover informeren kost € 80.”
Verder is een e-mail van dezelfde datum van deze particulier overgelegd waarin deze akkoord gaat met deze tariefstructuur;


Een factuur à € 580,80 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een beroepschrift en een taxatierapport inzake een onroerende zaak in [plaats4] gedateerd 27 mei 2024 gericht aan een particulier, alsmede de door deze particulier op 23 mei 2024 ondertekende overeenkomst waaruit blijkt dat deze vergoeding verschuldigd is ongeacht het resultaat van de procedure (niet is verschuldigd op basis van no cure no pay);


Een factuur à € 80 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats5] gedateerd 29 april 2024 gericht aan een particulier;


Een factuur à € 484 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats6] gedateerd 28 mei 2024 gericht aan een particulier, een e-mail van de gemachtigde van 3 april 2024 waarin staat: “Zoals zojuist besproken kan ik voor u bezwaar maken voor 2024. (…) Het kan niet meer op basis van no cure no pay en de kosten zijn 400 ex btw, dat is 484 incl btw” en een e-mail van deze particulier van 3 april 2024, dat hij akkoord is met de kostenstructuur als “alles uit de kast wordt gehaald”.


Een factuur à € 484 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats7] gedateerd 4 juni 2024 gericht aan een particulier;


Een e-mail van 24 mei 2024 van de gemachtigde aan een particulier, waarin staat: “Vanwege de matiging van de proceskostenvergoeding met 75% voer ik geen procedures meer op basis van No Cure No Pay. Ik kan uw dossier in behandeling nemen echter dan kost u dat € 320 euro ex btw (387,20 incl btw) ongeacht de uitkomst van de procedure”, alsmede een e-mail van 26 mei 2024 waarin deze particulier aangeeft akkoord te gaan met deze kostenstructuur en een factuur van 19 november 2024 in verband met deze zaak waarin € 387,20 in rekening wordt gebracht.





4.11.
De heffingsambtenaar heeft in zijn bericht van 14 november 2024 het volgende gesteld:


Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat vanaf 2024 op de website van WOZ-Consultants B.V. niet langer stond vermeld dat op basis van no cure no pay wordt gewerkt.


De gemachtigde heeft in een andere procedure het volgende gesteld: “Voor de korte klap ten aanzien van het eerste criterium verwijs ik u tevens naar mijn website: www.wozconsultants.nl. Hier kunt u zien dat we niet op no cure no pay werken en onder het kopje “downloads” kunt u vrijelijk mijn enige overeenkomst downloaden.”, terwijl uit de bijlagen echter een veelheid aan overeenkomsten en afspraken blijkt te bestaan in 2024 en 2025. Daarbij schrijft de heffingsambtenaar:


“Het is mij geheel onduidelijk hoeveel zaken gemachtigde heeft aangenomen in 2024 en welke instapvergoedingen per aangenomen zaak in rekening zijn gebracht, Het is mij duidelijk dat de stukken die wel zijn ingediend bij het stuk van 14 oktober onvolledig zijn omdat de 8 bezwaarschriften bij BghU niet zijn meegenomen. Bij gebrek aan wetenschap weerspreek ik dat gemachtigde vanaf april 2025 voor iedere nieuwe zaak een instapvergoeding in rekening heeft gebracht.”
- Uit de “overeenkomst van opdracht” die nu op de website staat blijkt wel dat de kosten die een belanghebbende aan gemachtigde moet betalen significant lager liggen dan de forfaitaire vergoeding op basis van het Bpb. In deze overeenkomst van opdracht is het volgende is opgenomen:
“Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase
De kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Als het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan WOZ-Consultants toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever.”
- Gelet op het hoge slagingspercentage van zaken die de gemachtigde aanneemt in combinatie met de 25% die de belanghebbende mag houden, rekent de heffingsambtenaar voor dat de eigen bijdrage symbolisch is:
“Startfee in de overeenkomst van opdracht die op de website staat
Dit veronderstelt dat de klant € 99 + € 250 = € 349 betaalt voor de bezwaarfase inclusief taxatierapport. De forfaitaire proceskosten voor indienen bezwaar (€ 647) en horen (€ 647) bedragen al € 1294. Daar komen eventueel nog de proceskosten voor het taxatierapport bij.
25% van € 1.294 is € 323,50. Dit is het bedrag dat een belanghebbende toekomt bij een geslaagde bezwaarprocedure zonder taxatierapport. In het geval van een geslaagde bezwaarprocedure met een taxatierapport komt daar nog € 32,00 bij. Dan is het bedrag dat belanghebbende mag houden € 355,50.
Indien een aspirant belanghebbende een kansloos geval aanmeldt bij gemachtigde en gemachtigde oordeelt dat de waarde niet te hoog of te laag is, dan heeft aspirant belanghebbende een kostenpost van € 99,00.
Indien een bezwaar dat door gemachtigde wordt ingediend, ongegrond wordt verklaard, heeft belanghebbende een kostenpost van € 349,00. Dit zal weinig voorkomen.


Kans op een geslaagd bezwaarschrift

Gemachtigde stelt in de brief van 11 september 2025 dat hij een hoog slagingspercentage heeft omdat hij de zaken uitgebreid beoordeelt alvorens bezwaar, beroep en hoger beroep in te stellen. Dit betekent dat de kans dat een belanghebbende een kostenpost van € 349,00 heeft klein is.


Beroep en hoger beroep

Voor beroep en hoger beroep geldt dat de controle van de waarde €99,00 kost en de procedure zelf € 399,00. Als het bezwaarschrift door gemachtigde is ingediend, hoeft het bedrag van € 99,00 niet te worden betaald. Ook nu mag belanghebbende 25% van de toegekende proceskostenvergoeding houden. Een kansloos geval kost dan € 99,00.
Bij een geslaagd beroep krijgt belanghebbende (907 x2) x 25% = € 453,50 als er 1 zitting is en geen taxatierapport is ingediend. Dit betekent een uiteindelijke kostenpost van € 44,50 Indien er wel een taxatierapport is ingediend en/of er meerdere zittingen zijn, maakt belanghebbende zelfs winst op de proceskostenvergoeding.



Conclusie met betrekking tot overeenkomst van opdracht

Dat belanghebbende zelf 25% van de toegekende proceskosten mag houden, komt er dus op neer dat een geslaagde bezwaarprocedure dan voor belanghebbende zelf nagenoeg gratis is of zelfs winstgevend (het verschil tussen € 349,00 en € 355,00). De startfee met alle daaraan verbonden voorwaarden is niet hoog genoeg. Hetzelfde geldt voor beroep en hoger beroep. Dit kan op één lijn worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay.”
- Verder heeft de heffingsambtenaar in zijn bericht van 14 november 2025 het volgende geschreven:
“Met deze overeenkomsten en facturen maakt gemachtigde weinig aannemelijk.
- Er zijn slechts 7 contracten overgelegd en twee e-mails waaruit een zekere wilsovereenstemming naar voren komt.
- Er worden slechts 14 casus overgelegd, dat is mijns inziens slechts een klein deel van de zaken die in 2024 zijn aangenomen. Een aantal bezwaren die door gemachtigde in 2024 zijn ingediend, zijn mij bekend, onder meer de 8 bezwaarschriften die in 2024 bij BghU zijn ingediend en deze bezwaren zijn niet bij de stapel gevoegd. De stapel is onvolledig. Ik concludeer op grond hiervan dat er in 2024 ook nog op No Cure No Pay basis werd gewerkt.
- 1 bezwaaropdracht van [naam] is in 2025 aangenomen en gefactureerd, dit heeft geen betrekking op het bepalende jaar 2024.
- Voor de controle van een WOZ-waarde is in drie gevallen € 80,00 inclusief omzetbelasting in rekening gebracht. Dit bedrag is zo laag dat de dienstverlening mijns inziens gelijk te stellen is met No Cure No Pay dienstverlening;
- Opvallend is dat de overeenkomst van opdracht op de website de regeling bevat dat de cliënt 25% van de proceskostenvergoeding mag houden, maar dat slechts 1 van de overgelegde contracten deze regeling bevat. Dit aspect en het kleine aantal overgelegde contracten doet mij vermoeden dat gemachtigde alleen de contracten over heeft gelegd die hem goed uitkomen;
- De bedragen die zijn gefactureerd lopen zeer uiteen. Zonder toelichting van gemachtigde is dit onbegrijpelijk. Ik kan mij voorstellen dat gemachtigde een lagere startfee heeft gevraagd voor zaken waarin hij bijna zeker was van een geslaagd bezwaar en/of beroep;
- De regeling omtrent de proceskostenvergoeding loopt zeer uiteen, de ene keer krijgt belanghebbende 0%, dan weer 25% of zelfs 100% van de uitbetaalde proceskostenvergoeding. Zo op het oog lijkt het een soort keuzemenu.”



4.12.
Het Hof is van oordeel dat de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij heeft gesteld en bijgebracht buiten redelijke twijfel heeft bewezen dat vanaf begin 2024 niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt. Het Hof overweegt hiertoe als volgt.



4.13.
De gemachtigde heeft, ook voordat het belang van deze stelling partijen bekend was, consequent gesteld dat dit het geval was. De gemachtigde heeft verder onweersproken gesteld dat reeds begin 2024 WOZ-Consultants B.V. bezig was 75% van het personeel te begeleiden naar een andere werkkring. Dit onweersproken feit ondersteunt niet alleen in vergaande mate de stelling dat vanaf begin 2024 de bedrijfsvoering geheel anders was ingericht – en wel op een wijze waarbij 75% van het personeel overbodig werd – het ondersteunt ook de stelling dat de eigen bijdrage die cliënten in de gewijzigde bedrijfsvoering dienden te betalen niet symbolisch was. Immers, deze gewijzigde bedrijfsvoering en de daarbij altijd in rekening gebrachte bijdrage hadden blijkbaar – gelet op de grote reductie in benodigde (arbeids)capaciteit – grote gevolgen voor de hoeveelheid werk na 2023.



4.14.
De gemachtigde heeft het bovenstaande verder ondersteund met contracten en correspondentie met cliënten, waaruit blijkt dat vanaf begin 2024 in ieder geval niet meer in alle zaken werd gewerkt op basis van no cure no pay. Het feit dat sommige van deze cliënten in eerdere jaren wel gebruik maakten van de diensten op basis van no cure no pay, ondersteunt verder de stelling dat sprake is geweest van een omslag van het totale bedrijfsmodel.



4.15.
Noch het feit dat de gemachtigde niet alle na 1 januari 2024 gesloten overeenkomsten heeft ingebracht, noch de omstandigheid dat de heffingsambtenaar op de hoogte is van zaken waarvan de overeenkomst niet is bijgesloten, brengen het Hof tot een ander oordeel. “Buiten redelijke twijfel bewijzen” betekent niet dat de gemachtigde verplicht was alle na 1 januari 2024 gesloten overeenkomsten bij te voegen.



4.16.
Ook de omstandigheid dat de eerste overeenkomsten waarbij niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt dateren van na 31 januari 2024, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Gelet op de aard van de bedrijfsvoering van WOZ-Consultants B.V. (rechtsbijstand inzake WOZ-procedures), acht het Hof het in de lijn der verwachting liggen dat de meeste overeenkomsten worden gesloten in de periode nadat de WOZ-beschikkingen worden genomen, hetgeen doorgaans eind januari of februari van enig jaar is. Dat wil zeggen voor 2024, in de periode na 31 januari.



4.17.
De gemachtigde is open geweest over het feit dat vanaf begin 2024 enige tijd gezocht is naar een nieuw factureringsmodel, waarbij verschillende overeenkomsten aan de orde zijn geweest. Dat de gemachtigde in een andere procedure ter ondersteuning van zijn stelling dat niet langer wordt gewerkt op basis van no cure no pay “voor de korte klap” heeft verwezen naar de standaardovereenkomst op zijn website die niet overeenkomt met de facturen uit 2024, betekent, anders dan de heffingsambtenaar blijkbaar meent, niet dat aan hetgeen in deze procedure is ingebracht minder overtuigingskracht toekomt.



4.18.
Het Hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de eigen bijdrage die vanaf 1 januari 2024 in rekening werd gebracht minimaal € 80 inclusief omzetbelasting bedroeg, doorgaans voor het controleren van de WOZ-waarde en het informeren van de cliënt, maar, zoals uit de genoemde bijlagen blijkt, sporadisch ook voor het opstellen van een bezwaarschrift. Het Hof acht een bijdrage € 80 niet symbolisch, aangezien deze in absolute zin wellicht niet al te hoge bijdrage bezien dient te worden in het licht van de ‘upside’ van een WOZ-procedure, die doorgaans gering is. Het Hof verwijst naar onderdeel 11.2 van de conclusie van AG Wattel van 25 oktober 2025, waar deze schrijft “hoe weinig financieel belang zelfs een significante WOZ-waardeverlaging heeft.” Het Hof betrekt verder bij dit oordeel dat met het controleren van de WOZ-waarde nog geen procedure is gestart en dat het Hof van oordeel is dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat vanaf 1 januari 2024, behoudens incidentele gevallen, voor een bezwaar- of beroepsprocedure een aanzienlijk hogere eigen bijdrage werd verlangd.



4.19.
Los van het bovenstaande blijkt, zoals eerder overwogen, uit de onweersproken stelling van de gemachtigde dat vanaf begin 2024 75% van het personeel gesaneerd diende te worden, dat de gewijzigde bedrijfsvoering waarbij in alle gevallen een eigen bijdrage werd verlangd niet symbolisch was en een significante impact had op het aantal zaken en het personeel dat voor de behandeling van die zaken noodzakelijk was. Hieruit volgt ook dat de eigen bijdrage vanuit het oogpunt van een potentiële cliënt niet symbolisch was. Immers, veel potentiële cliënten zijn blijkbaar juist afgehaakt vanwege deze eigen bijdrage.



4.20.
Ook de in deze uitspraak integraal aangehaalde rekenexercitie van de heffingsambtenaar brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar gaat bij zijn conclusie dat procederen nog steeds gunstig is voor een belanghebbende uit van een scenario waarin de WHPKV niet van toepassing is, terwijl hij bepleit dat deze juist wel van toepassing is. Een uitleg van het begrip “symbolisch” waarbij het antwoord op de vraag of een bijdrage symbolisch is juist weer afhangt van het antwoord dat op die vraag wordt gegeven, kan geen juiste benaderingswijze zijn. Verder gaat de heffingsambtenaar uit van gewonnen procedures. Echter, het hoge succespercentage van de gemachtigde van belanghebbende neemt niet weg dat de eigen bijdrage door cliënten is verschuldigd ook in gevallen waarin geen succes wordt geboekt en dat juist mede voor die gevallen dient te worden bepaald of de eigen bijdrage symbolisch is. Gelet op hetgeen de gemachtigde onweersproken heeft gesteld, inhoudende dat het aantal cliënten drastisch is teruggelopen en de onderneming ‘op z’n gat ligt’, is dat kennelijk niet het geval. Het feit dat gewonnen procedures voor een belanghebbende financieel nog steeds gunstig zijn, is naar het oordeel van het Hof verder niet van belang, nu symbolisch naar het oordeel van het Hof in ieder geval niet betekent dat eerst sprake is van een niet-symbolische bijdrage indien een procedure financieel ongunstig is voor een belanghebbende ongeacht de uitkomst.



4.21.
Het feit dat de kosten die een belanghebbende aan gemachtigde moet betalen significant lager liggen dan de forfaitaire vergoeding op basis van het Bpb, acht het Hof verder eveneens irrelevant.



4.22.
Anders dan de heffingsambtenaar meent, kunnen overeenkomsten uit 2025 de stelling ondersteunen dat vanaf 1 januari 2024 niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt. Maar zelfs als dit anders zou zijn, stond het de gemachtigde vrij deze overeenkomsten in te brengen.



4.23.
Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het Hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de gemachtigde van belanghebbende vanaf 1 januari 2024 een bijzonder geval is als bedoeld in overweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het derde criterium als bedoeld in overweging 3.5.1 van dat arrest, behoeft geen bespreking. Het Hof zal de proceskostenvergoeding die is verschuldigd vaststellen zonder de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHPKV toe te passen.


Artikel 2, derde lid Bpb (matiging wegens bijzondere omstandigheden)



4.24.
Het feit dat de onder alle omstandigheden door cliënten verschuldigde eigen bijdrage veel lager is dan de proceskostenvergoeding die de heffingsambtenaar verschuldigd is op grond van het Bpb, dan wel dat hiertussen een wanverhouding zou bestaan, vormt geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb. Voor zover de heffingsambtenaar heeft bedoeld te stellen dat de kosten die de gemachtigde in een procedure maakt niet hoger zijn dan deze eigen bijdrage, heeft de heffingsambtenaar deze stelling niet onderbouwd. Overige feiten die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin zijn gesteld noch aannemelijk geworden.


Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.





5Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Bpb vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 1 x € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934). Tussen partijen is niet in geschil dat in verband met de taxatie een vergoeding van € 128,26 (inclusief omzetbelasting) verschuldigd is, zodat de totale proceskostenvergoeding € 5.196,26 bedraagt.





6Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– vermindert de vastgestelde waarde van de woning tot € 1.700.000,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.196,26,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter en lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.


De beslissing is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.


De griffier, De voorzitter,






(S. Darwinkel) (R.A.V. Boxem)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


ECLI:NL:HR:2025:46


ECLI:NL:HR:2025:1382


ECLI:NL:HR:2025:46


ECLI:NL:HR:2025:1382, zie eveneens ECLI:HR:2025:1175.


ECLI:NL:PHR:2024:1118
Link naar deze uitspraak