Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:299 
 
Datum uitspraak:03-02-2026
Datum gepubliceerd:06-02-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.362.326
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Hoger beroep tegen beslissing rechtbank om zich onbevoegd te verklaren; eindvonnis waarvoor de appeltermijn van drie maanden van artikel 339 lid1 Rv geldt; geen verschoonbare termijnoverschrijding; deels niet-ontvankelijk.
Trefwoorden:belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.362.326/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/759630 / HA ZA 24-1257



arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2026


inzake


MODERN ENTERTAINMENT B.V.,
gevestigd te Hauwert, gemeente Medemblik,
appellante,
advocaat: mr. R. van Dongen te Amsterdam,

tegen



[geïntimeerde]
,
wonend te [plaats] (Spanje),
geïntimeerde,
niet verschenen.





1Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 21 oktober 2025 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Amsterdam die op 15 januari 2025 en 23 juli 2025 onder bovengenoemd zaak- en rolnummer tussen partijen zijn gewezen.
Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 9 december 2025.
Tegen geïntimeerde is op die roldatum verstek verleend.
Bij rolbeslissing van 11 december 2025 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 23 december 2025 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde, indien hij verschijnt, op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellante heeft zich, na een aanhouding van twee weken in verband met de feestdagen, op de rol van 6 januari 2026 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.
Arrest is bepaald op heden.





2Beoordeling


2.1.
In artikel 339 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de termijn van beroep bepaald op drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. Tegen de bestreden vonnissen van 15 januari 2025 en 23 juli 2025 is op 21 oktober 2025 hoger beroep ingesteld. Daarmee heeft appellante wat betreft het bestreden vonnis in incident van 15 januari 2025 niet tijdig, want na de appeltermijn van drie maanden, hoger beroep ingesteld, voor zover dat vonnis een eindvonnis is.



2.2.
De rechtbank heeft zich bij het bestreden vonnis in incident onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen onder C en onder F tot en met L van het petitum van de dagvaarding, voor zover deze vorderingen zien op de gestelde onrechtmatige exploitatie van de naburige rechten van appellante buiten het Nederlands grondgebied en de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden (5.1), en van de vorderingen onder A en B van het petitum van de dagvaarding (5.2). In zoverre is het bestreden vonnis in incident een eindvonnis. Met deze beslissingen heeft de rechtbank immers een einde gemaakt aan het geding wat betreft de vorderingen onder C en onder F tot en met L, voor zover deze vorderingen zien op de gestelde onrechtmatige exploitatie van de naburige rechten van appellante buiten het Nederlands grondgebied en de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden, en de vorderingen onder A en B.



2.3.
De enkele omstandigheid dat een einduitspraak in een in de hoofdzaak opgeworpen incident is gedaan, maakt, anders dan appellante betoogt, niet dat dat in het incident gewezen vonnis als een (zuiver) tussenvonnis moet worden aangemerkt, waarvan op grond van artikel 337 lid 2 Rv uitsluitend tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld. Dit volgt ook niet uit de uitspraken van de Hoge Raad waarnaar appellante in haar akte verwijst. Zo verwijst zij naar twee uitspraken waarin de rechter een beroep op zijn onbevoegdheid heeft verworpen, hetgeen wél een tussenvonnis is omdat met die beslissing geen einde wordt gemaakt aan (een deel van) het geschil.



2.4.
Appellante heeft nog aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij niet wist of kon weten dat het bestreden vonnis in incident een (gedeeltelijk) eindvonnis is – het vonnis biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten – en daarmee ook niet dat de appeltermijn direct aanving. Deze stelling faalt. In het vonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van een deel van de vorderingen, het meer of anders in het incident gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Daarmee was voldoende duidelijk dat ten aanzien van een deel van het gevorderde een einduitspraak is gedaan. Niet gezegd kan worden dat appellante buiten haar schuld niet op de hoogte was en redelijkerwijs ook niet kon zijn van het tijdstip van aanvang en einde van de appeltermijn. Appellante zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren onder 5.1 en 5.2 van het dictum.



2.5.
Voor het overige kan appellante in haar hoger beroep worden ontvangen en zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door haar.








3De beslissing

Het hof:

verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren onder 5.1 en 5.2 van het dictum van het vonnis in het incident van 15 januari 2025;

verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 voor het nemen van een memorie van grieven door appellante;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Link naar deze uitspraak