Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:300 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:06-02-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.362.633
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Partijen hebben in hoger beroep (alsnog) een regeling gesloten op grond waarvan appellanten (aanvragers van het faillissement van geïntimeerde) het hoger beroep tegen het verzetvonnis (waarbij de rechtbank het faillissementsvonnis heeft vernietigd) onder voorwaarde intrekken. Gelet op de e-mailwisseling tussen partijen waaronder de reactie van geïntimeerde verstaat het hof dat de voorwaarde is vervuld en dat het hoger beroep definitief als ingetrokken moet worden beschouwd. Overeenkomstig de getroffen regeling dragen partijen ieder de eigen proceskosten in hoger beroep en wordt geïntimeerde veroordeeld tot betaling van de kosten van de curator gedurende het hoger beroep. Anders dan geïntimeerde heeft aangevoerd, zijn die kosten niet bovenmatig
Trefwoorden:belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.362.633/01
faillissementsnummer rechtbank : C/13/25/464-F


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026


inzake




1ORANGE WINGS INVESTMENT COÖPERATIEF I U.A,
gevestigd te Rotterdam,

2. [appellant] ,

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant] ,
kantoorhoudend te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. S.I.P. Schouten te Amsterdam,

tegen



[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaten: mr. J.E. van Lutterveld te Rotterdam.





1Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk OWIC c.s. genoemd en voor zover nodig afzonderlijk aangeduid met OWIC onderscheidenlijk [appellant] Geïntimeerde wordt hierna [geïntimeerde] genoemd.

OWIC c.s. zijn bij op 15 december 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2025, waarbij het door [geïntimeerde] gedane verzet gegrond is verklaard en het (verstek)vonnis van 18 november 2025 is vernietigd. Bij laatstgenoemd vonnis, gewezen onder faillissementsnummer C/13/25/464 F, is [geïntimeerde] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [naam 1] , lid van genoemde rechtbank, tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. F.A.E. Diderich, advocaat te Amsterdam , als curator.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 13 januari 2026. Bij die behandeling zijn namens OWIC c.s. verschenen [naam 2] , managing director van OWIC, [naam 3] (waarnemend voor [appellant] ), en mr. Schouten voornoemd die het beroepschrift heeft toegelicht. Namens [geïntimeerde] zijn verschenen [naam 5] voornoemd en mr. J.C.J van de Rakt, advocaat te Rotterdam, die het standpunt van [geïntimeerde] hebben toegelicht. Verder is namens de curator verschenen mr. S.D. van de Kant, advocaat te Amsterdam (hierna: curator). [geïntimeerde] is niet ter zitting verschenen, naar mededeling van mr. Van de Rakt omdat de zitting emotioneel te belastend is voor haar.

Het hof heeft kennisgenomen van voormeld beroepschrift, het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en het door de curator overgelegde verslag van 5 januari 2026, met bijlagen. Partijen en de waarnemend curator hebben te kennen gegeven eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

Na de mondelinge behandeling zijn ter griffie van het hof de volgende stukken ingekomen:
- een e-mailbericht van 19 januari 2026 te 09.26 uur van mr. Schouten voornoemd, gericht aan het hof en mr. Van de Rakt voornoemd, en met cc aan [naam 5] voornoemd;
- een e-mailbericht van 19 januari 2026 te 09.43 uur van mr. Van de Rakt voornoemd, gericht aan het hof en mr. Schouten voornoemd, en met cc aan [naam 5] voornoemd, als reactie daarop.

Bij e-mailbericht van 20 januari 2026 heeft de griffie van het hof, gericht aan de curator en met cc aan de advocaten van partijen, de curator verzocht uiterlijk 22 januari 2026 opgave te doen van zijn kosten gedurende het hoger beroep, en partijen tot maandag 26 januari 2026 te 13.00 uur gelegenheid gegeven zich uit te laten over die opgave.

Bij e-mailbericht van 21 januari 2026, gericht aan het hof en met cc aan de advocaten van partijen, heeft de curator een opgave gevoegd van zijn kosten in hoger beroep met daarbij een tijdschrijfoverzicht.

Bij e-mailbericht van 26 januari 2026, gericht aan het hof en met cc aan onder anderen de advocaat van OWIC c.s. en de curator, heeft [naam 5] voornoemd, namens [geïntimeerde] , zich uitgelaten over de opgave van de kosten van de curator.

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.





2Beoordeling


2.1.
Bij het hiervoor genoemde e-mailbericht van 19 januari 2026 heeft mr. Schouten voornoemd, namens OWIC c.s., het volgende geschreven:


“Hierbij trek ik – onder de voorwaarde zoals weergegeven in de laatste zin van deze e-mail – het namens appelanten ingestelde beroep in, omdat appelanten gedurende het ingestelde beroep daartoe toereikende betalingen hebben ontvangen. In het kader van een getroffen regeling hebben partijen afgesproken dat [geïntimeerde] bevestigt c.q. ondubbelzinnig erkent dat het vonnis van 5 december 2025, waarin het persoonlijke faillissement van [geïntimeerde] werd vernietigd, onjuist vermeldt dat de vorderingen van de aanvragers zijn voldaan, zodat het faillissement ten onrechte door de rechtbank op deze grond is vernietigd.


Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat [geïntimeerde] de eventuele faillissementskosten van de curator (in aanvulling op de toegewezen – en reeds voldane – kostenveroordeling ad EUR 2.822,87 inclusief BTW in het vonnis van 5 december 2025 van de rechtbank Amsterdam ) dient te vergoeden. Indien uw hof aanleiding ziet om dit in een uitspraak neer te leggen, wordt uw hof verzocht om [geïntimeerde] in deze kosten te veroordelen.


Partijen dragen ieder de eigen kosten van het hoger beroep.


Mr. Van de Rakt zal deze afspraken per e-mail bevestigen, waarna de intrekking van het beroep als definitief kan worden beschouwd.”




2.2.
Bij het hiervoor genoemde e-mailbericht van 19 januari 2026 heeft mr. Van de Rakt voornoemd, namens [geïntimeerde] , in reactie op het e-mailbericht van mr. Schouten voornoemd, het volgende geschreven, voor zover van belang:


“Middels deze email bevestig ik, namens [geïntimeerde] , de hieronder beschreven afspraken.


Hiermee is de voorwaarde vervuld.


We ontvangen graag de bevestiging dat het hoger beroep is ingetrokken.”




2.3.
Uit de hierboven weergegeven e-mailcorrespondentie tussen de advocaten van partijen
volgt genoegzaam dat partijen na de mondelinge behandeling bij het hof (alsnog) een regeling hebben getroffen. Blijkens de e-mail van 19 januari 2026 heeft mr. Schouten voornoemd in verband met deze regeling onder voorwaarde, te weten dat mr. Van de Rakt voornoemd de in de e-mail genoemde afspraken zal bevestigen, het hoger beroep ingetrokken. Aangezien
mr. Van de Rakt voornoemd in zijn e-mailbericht van 19 januari 2026 de genoemde afspraken heeft bevestigd en met zoveel woorden heeft verklaard dat daarmee de voorwaarde is vervuld, is naar het oordeel van het hof het hoger beroep definitief ingetrokken. Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat [geïntimeerde] de faillissementskosten van de curator in hoger beroep zal vergoeden, dat een veroordeling van [geïntimeerde] ter zake van die kosten in het arrest kan worden opgenomen, en dat partijen ieder de eigen kosten van het hoger beroep dragen.



2.4.
De kosten van de curator bedragen overeenkomstig zijn gedane opgave € 7.261,48 (inclusief btw). Deze kosten komen - overeenkomstig de tussen partijen getroffen regeling - ten laste van [geïntimeerde] . Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd in de hiervoor genoemde e-mail van 26 januari 2026 is niet gebleken dat de opgave van de curator
(€ 6.001,22 exclusief btw) bovenmatig is. De curator heeft in de periode van 6 december 2025 tot met 21 januari 2026 in totaal 23,8 uur gedeclareerd. Uit het door de curator ingediende tijdschrijfoverzicht blijkt dat de curator zich beperkt heeft tot de noodzakelijke werkzaamheden en dat hij daarvoor het gebruikelijke tarief heeft toegepast.



2.5.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.






3Beslissing

Het hof:

- verstaat dat OWIC c.s. het hoger beroep hebben ingetrokken;

- bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten in hoger beroep draagt;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de curator in hoger beroep, begroot op
€ 7.261,48, bestaande uit € 6.001,22 aan salaris curator inclusief verschotten, en
€ 1.269,26 ter zake van btw;

- verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.M. van [plaats 1] en R.J.Q. Klomp en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak