|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2025:10481 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 09-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | AWB - 25 _ 6559 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Voorlopige voorziening. Geen sprake van acute financiële nood. Verzoeker geeft aan dat zijn banksaldo op dit moment niet tot betalingsonmacht leidt. Vovo afgewezen. | | Trefwoorden | : | kinderbijslag | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6559
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] (Portugal), verzoeker
en
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, de Svb.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het beëindigen van de kinderbijslag van verzoeker vanaf het derde kwartaal van 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
De Svb heeft met het besluit van 9 juli 2025 de kinderbijslag van verzoeker beëindigd, omdat verzoeker vanaf 24 juni 2024 niet meer in Nederland woont en daarom niet meer verzekerd is. Volgens de Svb ligt het centrum van de belangen van verzoeker vanaf 24 juni 2024 in Portugal. Daarnaast werkt verzoeker ook niet meer in Nederland, zodat hij op die grond ook niet verzekerd kan zijn.
1.2.
Met het bestreden besluit van 13 november 2025 op het bezwaar van verzoeker is de Svb bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.1.
Verzoeker voert hierover aan dat het spoedeisend belang volgt uit de opgelegde terugvordering door de Svb over Q3 en Q4. Dit is namelijk een substantieel bedrag en de financiële positie van verzoeker laat geen ruimte om deze terugvordering op te vangen. Verder heeft de Belastingdienst al € 2.500,- aan kindgebonden budget teruggevorderd. Volgens verzoeker kan de Belastingdienst ondanks het beroep dat hij heeft ingesteld, toch overgaan tot eventueel verrekenen, beslag leggen of een dwangbevel uitvaardigen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft met de brief van 25 november 2025 verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Specifiek heeft de voorzieningenrechter gevraagd om onderbouwing door middel van objectiveerbare stukken die de acute financiële noodsituatie onderbouwen.
2.3.
Verzoeker heeft binnen de termijn gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter. Verzoeker geeft aan dat zijn banksaldo op dit moment niet tot betalingsonmacht leidt, maar dat er wel sprake is van een direct en objectief aantoonbaar financieel risico als gevolg van de terugvorderingsbesluiten. Verzoeker heeft verder geen andere stukken overgelegd.
2.4.
De voorzieningenrechter oordeelt dat niet blijkt dat sprake is van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Uit de stellingen en stukken blijkt niet van zodanige financiële situatie dat een onomkeerbare situatie dreigt. Nu er ook geen inzicht is gegeven in de financiële situatie komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet is gebleken van een spoedeisend belang.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|