Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:2150 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:10-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.34736
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning van eiser. Het verlengingsverzoek is te laat door verweerder ontvangen. Hierdoor ontstaat een verblijfsgat van ongeveer een maand. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn nieuwe verblijfsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.34736

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [#] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Wouda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning van eiser. Het verlengingsverzoek is te laat door verweerder ontvangen. Hierdoor ontstaat een verblijfsgat van ongeveer een maand. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn nieuwe verblijfsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn reguliere verblijfsvergunning met de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Verweerder heeft deze aanvraag op 11 maart 2024 toegewezen met een begindatum van 1 februari 2024. Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de begindatum van deze verblijfsvergunning. Verweerder heeft, met het bestreden besluit van 8 augustus 2024, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De zitting stond in eerste instantie gepland op 23 december 2025. Eiser heeft op 17 december 2025 verzocht om een schriftelijke behandeling van de zaak. Verweerder heeft op 22 december 2025 een verweerschrift ingediend, waarin het standpunt is opgenomen dat verweerder geen bezwaar heeft tegen schriftelijke afdoening van de zaak. De rechtbank heeft daarom, overeenkomstig artikel 8:57, derde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat de zaak schriftelijk wordt afgedaan.




Beoordeling door de rechtbank


Wettelijk kader


3. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), gaat de verlenging van een verblijfsvergunning niet eerder in dat de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De ontvangstdatum van de verlenging wordt hiermee als leidend gezien.


3.1.
Artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) maakt het mogelijk een te laat ingediende aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als tijdig aan te merken, indien de termijnoverschrijding niet kan worden toegerekend aan de vreemdeling. Een niet-tijdig ingediende aanvraag wordt, volgens het tweede lid van dat artikel, gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.



3.2.
In het beleid van verweerder is opgenomen dat een termijnoverschrijding niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend, als de verlengingsaanvraag is ingediend binnen vier weken na afloop van de aan hem verleende vergunning. Dit staat in B1/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en wordt door verweerder het bewijsvermoeden genoemd voor de vraag wanneer een te late indiening niet kan worden toegerekend aan een vreemdeling. Voorts is hierin opgenomen dat verweerder de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet zonder meer aansluitend aan de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning verleent, als de vreemdeling (of de erkend referent) de aanvraag om verlenging heeft ingediend meer dan vier weken na afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande verblijfsvergunning. Ook hier geeft verweerder echter de mogelijkheid tot verschoonbare termijnoverschrijding, indien op basis van feiten en omstandigheden blijkt dat de te late indiening niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend.


Heeft verweerder mogen concluderen dat het verlengingsverzoek te laat is ingediend?


4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het verlengingsverzoek van eiser niet tijdig is ingediend. Volgens verweerder is de aanvraag tot verlenging op 1 februari 2024 binnengekomen. De aanvraag had echter uiterlijk op 31 januari 2024 binnen moeten zijn om te worden aangemerkt als ‘tijdig ingediend’. Dit is namelijk binnen vier weken na afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande verblijfsvergunning. Eisers stelling dat er al telefonisch contact met verweerder is geweest op 11 januari 2024 en dat de aanvraag tijdig is ingediend op 22 januari 2024, omdat de begeleidende brief een dagtekening van die datum heeft, is naar oordeel van de rechtbank niet voldoende om te concluderen dat de aanvraag tijdig is ingediend. Hierin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiser niet met poststukken heeft onderbouwd dat de verlengingsaanvraag eerder dan 1 februari 2024 is ingediend. De rechtbank benadrukt hierbij dat het aan eiser is om de aanvraag op tijd en schriftelijk in te dienen en dit indien nodig, met stukken te onderbouwen. Ook benadrukt de rechtbank dat verweerder al coulant is door een verlengingsaanvraag binnen vier weken na afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande verblijfsvergunning als tijdig aan te merken.



4.1.
Eiser kan in zijn geval ook niet aantonen dat zijn aanvraag uiterlijk 31 januari 2024 is ingediend. Al daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, af te wijken van de regel dat de ontvangstdatum van de aanvraag wordt aangehouden als ingangsdatum van de vergunning. Ook heeft eiser geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd die ertoe moeten leiden dat de termijnoverschrijding als verschoonbaar dient te worden aangemerkt. Aan de in bezwaar ingenomen stelling dat eiser medische problematiek heeft en hierdoor niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen, kan de rechtbank geen belang hechten. Ook deze stelling heeft eiser namelijk niet onderbouwd.



4.2.
De beroepsgrond slaagt niet.


Is het besluit van verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel?


5. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van verweerder niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In het bestreden besluit heeft verweerder een beoordeling gemaakt van een mogelijke schending van het evenredigheidsbeginsel. Naar oordeel van de rechtbank volstaat die motivering. Allereerst volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat in het beleid van verweerder al een evenredigheidstoets opgenomen zit, namelijk in het bewijsvermoeden van B1/6.1 van de Vc. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit benoemd dat op basis van vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het later in aanmerking komen voor naturalisatie of bijvoorbeeld een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene dan wel verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd geen gevolgen zijn die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De rechtbank volgt verweerder op dit punt in zoverre dat alleen sprake kan zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel indien de gevolgen ernstiger zijn dan het enkele later in aanmerking komen voor naturalisatie of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Artikel 26, eerste lid, van de Vw is immers een wet in formele zin. Het moet daarom volgens rechtspraak van de Afdeling gaan om bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, die maken dat er op basis van het evenredigheidsbeginsel van deze bepaling moet worden afgeweken. Eiser heeft niet onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat ook in een procedure tot naturalisatie aan de orde kan worden gesteld of de omstandigheid dat de naturalisatie geweigerd omdat sprake is van een verblijfsgat tot onevenredige gevolgen leidt.



5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie hoofdstuk B1/6.1 van de Vc en artikel 26, tweede lid, van de Vw.


Artikel 3:4 Awb en artikel 4:84 Awb.


ECLI:NL:RVS:2023:2836, overweging 3.1, ECLI:NL:RVS:2023:772, overweging 9.10, ECLI:NL:RBDHA:2024:8654, overweging 8.
Link naar deze uitspraak