Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:579 
 
Datum uitspraak:03-02-2026
Datum gepubliceerd:12-02-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.348.084/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Omgangsregeling en kinderalimentatie. Man heeft gebrek aan draagkracht onvoldoende onderbouwd.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
burgerlijk wetboek
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.348.084
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 558698)


beschikking van 3 februari 2026


inzake



[appellant]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Cortet,

en



[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Metin.


Als belanghebbende is aangemerkt:


mr. K.G.I.M. Schröder,
kantoorhoudende te Utrecht,
verder te noemen: de bijzondere curator.





1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 juli 2023, 28 februari 2024 en 15 augustus 2024, uitgesproken onder zaaknummer 558698.
De beschikking van 15 augustus 2024 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.





2Het geding in hoger beroep


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 november 2024;


het verweerschrift;


een e-mailbericht van de bijzondere curator van 23 december 2024;


een journaalbericht namens de man van 30 januari 2025 met producties;


een journaalbericht namens de vrouw van 21 juli 2025;


een journaalbericht namens de man van 23 juli 2025;


een journaalbericht namens de man van 6 augustus 2025 met een productie;


een journaalbericht namens de man van 14 november 2025 met producties;


een journaalbericht namens de vrouw van 20 november 2025 met producties;


een e-mailbericht van de bijzondere curator van 25 november 2025 met een productie.





2.2
De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft op 3 februari 2025 met een rechter in hoger beroep en de griffier over zijn situatie gesproken.



2.3
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de bijzondere curator.



De raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) heeft het hof op 9 januari 2025 schriftelijk bericht niet te zullen verschijnen bij de mondelinge behandeling.



2.4
Tijdens de mondelinge behandeling op 10 februari 2025 is de behandeling van het verzoek in hoger beroep aangehouden tot 25 maart 2025. Op verzoek van partijen is de behandeling van het verzoek daarna nogmaals aangehouden.



2.5
De mondelinge behandeling is op 25 november 2025 voortgezet. Aanwezig waren:


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de bijzondere curator;


een vertegenwoordiger van de raad.








3De procedure bij de rechtbank


3.1
Deze procedure gaat over de vaststelling van het juridische ouderschap van de man over [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren [in] 2016 in [woonplaats1] , de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] door de man.



3.2
De vrouw en de man hadden op het moment van de verwekking van [minderjarige] een affectieve relatie. [minderjarige] heeft vanaf het derde levensjaar van [minderjarige] regelmatig contact gehad met de man en beschouwt hem als zijn vader. De vrouw is alleen belast met het gezag over [minderjarige] .



3.3
De vrouw heeft bij de rechtbank verzocht:


(voorwaardelijk) een DNA-onderzoek te bevelen naar de biologische verwantschap tussen [minderjarige] en de man;


het ouderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen;


een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] : op de eerste zondag van de maand van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] haalt en terugbrengt;


de man te veroordelen om € 250,- per maand aan haar te voldoende als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (verder ook: kinderalimentatie) met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (14 juni 2023);


de man te veroordelen in de proceskosten.





3.4
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 20 juli 2023 de bijzondere curator benoemd.



3.5
In de tussenbeschikking van 28 februari 2024 is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van het ouderschap van de man, omdat zij dit verzoek te laat heeft ingediend. De bijzondere curator heeft het verzoek namens [minderjarige] overgenomen, zodat de rechtbank dit verzoek toch kon beoordelen. De rechtbank heeft vervolgens een deskundige benoemd en opdracht gegeven voor een DNA-onderzoek naar de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] . De man heeft niet meegewerkt aan het DNA-onderzoek.






4De omvang van het geschil in hoger beroep


4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:


het ouderschap van de man over [minderjarige] vastgesteld;


bepaald dat [minderjarige] de achternaam (geslachtsnaam) van de vrouw blijft houden,


de man veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek,


de man veroordeeld om, zodra de beslissing over het ouderschap in kracht van gewijsde is gegaan, aan de vrouw een kinderalimentatie van € 250,- per maand voor [minderjarige] te betalen;


als omgangsregeling bepaald dat [minderjarige] de eerste zondag van de maand bij de man verblijft van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt.



De rechtbank heeft de beslissingen over de kosten van het DNA-onderzoek, de kinderalimentatie en de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



4.2
De man is het niet eens met de beslissingen in de bestreden beschikking en komt daarom in hoger beroep.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:


de bijzondere curator niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] dan wel dat verzoek af te wijzen en een DNA-onderzoek via Verilabs te gelasten naar de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] ;


het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige] alsnog af te wijzen; en


indien vast komt te staan dat de man de verwekker van [minderjarige] is als omgangsregeling te bepalen dat dat [minderjarige] eenmaal per twee weken van zondag 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijft, waarbij hij [minderjarige] haalt en brengt, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte van een dat dat de vrouw de omgangsregeling niet nakomt.



De man verzoekt daarbij de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat houdt in dat deze direct ingaan, ook als de man of de vrouw nog beroep in cassatie instelt.



4.3
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en komt met een aanvullend verzoek ten aanzien van de omgangsregeling.
De vrouw vraagt het hof de verzoeken van de man af te wijzen en te bepalen dat de man de eerste zondag van de maand van 12.00 uur tot 17.00 uur onder begeleiding omgang heeft met [minderjarige] , althans te beslissen zoals het hof juist acht.



4.4
De bijzondere curator heeft haar mening ten aanzien van het verzoek van de man over de afstamming van [minderjarige] in het hiervoor vermelde e-mailbericht van 23 december 2024 aan het hof kenbaar gemaakt.



4.5
Tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2025 heeft de man zijn verzoeken in hoger beroep ten aanzien van de vaststelling door de rechtbank van zijn vaderschap over [minderjarige] en het verbinden van een dwangsom aan de door hem verzochte omgangsregeling ingetrokken, zodat het hof deze verzoeken niet meer inhoudelijk hoeft te beoordelen. Het hof zal deze verzoeken afwijzen nu de daaraan ten grondslag gelegde grieven door de intrekking zijn vervallen.






5De motivering van de beslissing


Opmerking vooraf



5.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het ouderschap van de man over [minderjarige] vastgesteld. Nu de man zijn grief tegen deze beslissing heeft ingetrokken, staat in rechte vast dat de man de vader is van [minderjarige] . Dit betekent dat het hof in beginsel een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] kan vaststellen en dat de man onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] .


Omgangsregeling





5.2
De man en de vrouw zijn het erover eens dat [minderjarige] graag contact met de man wil. Zij zijn het er ook over eens dat contact tussen de man en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] heeft 3 februari 2025 aan een raadsheer van het hof verteld dat hij graag contact wil met de man. Op 26 september 2025 heeft [minderjarige] dit in een gesprek met de bijzondere curator herhaald.



5.3
Tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2025 hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt over de uitgangspunten voor een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Zij zijn de volgende overeengekomen:


het is in het belang van [minderjarige] dat hij omgang heeft met de man;


er zal worden toegewerkt naar een onbegeleide omgang van twee keer per maand een dag van 10.00 uur tot 18.30 uur;


deze omgang moet de eerste keren worden begeleid en opgebouwd;


de vrouw zal zich voor de uitvoering van de begeleiding van de omgang zo snel mogelijk wenden tot het wijkteam.




5.4
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard zich te kunnen vinden in het (voorlopige) einddoel van de omgang, namelijk twee keer per maand een dag van 10.00 uur tot 18.30 uur. Dit is volgens de raad in het belang van [minderjarige] . De raad heeft een snelle opbouw van de omgang geadviseerd, en ook om de omgang de eerste vijf keer begeleid te laten plaatsvinden.



5.5
De man en de vrouw hebben ingestemd met het advies van de raad. Het hof zal in overeenstemming met de afspraken van partijen en het advies van de raad beslissen.



5.6
Het hof zal, om de voortgang van de omgangsregeling te waarborgen, aanvullend bepalen dat de eerste begeleide omgang dient plaats te vinden binnen uiterlijk drie maanden na deze beschikking.


Kosten van verzorging en opvoeding [minderjarige] (kinderalimentatie)



Ingangsdatum




5.7
Omdat het ouderschap van de vader is vastgesteld, is de vader onderhoudsplichtig voor [minderjarige] . De vaststelling van het ouderschap werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind zodra die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Dat betekent dat ook de onderhoudsplicht vanaf dat moment geldt.



5.8
De rechtbank heeft bepaald dat de verplichting voor de man om kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de moeder te betalen ingaat op het moment dat de beslissing over de vaststelling van het ouderschap van de man in kracht van gewijsde gaat. Omdat hiertegen geen grief is gericht zal het hof ook deze ingangsdatum hanteren. Oorspronkelijk heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de gerechtelijke vaststelling van zijn ouderschap, maar op de laatste zitting bij het hof heeft hij deze grief ingetrokken. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank in kracht van gewijsde is gegaan aan het einde van de beroepstermijn omdat de man achteraf gezien geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van hoger beroep. Hieruit volgt dat de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting 15 november 2024 is (drie maanden na de bestreden beschikking).


Behoefte [minderjarige]




5.9
De vrouw heeft de rechtbank in juni 2023 verzocht om een door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 250,- per maand. Dat de behoefte van [minderjarige] in 2023 € 250,- per maand bedroeg komt het hof, bij gebrek aan voldoende relevante financiële informatie in dat kader van de zijde van beide partijen, niet onaannemelijk voor. Bovendien ziet het verweer van de man ten aanzien van de kinderalimentatie, naar het hof begrijpt, voornamelijk op zijn draagkracht en niet op de behoefte van [minderjarige] . Het hof gaat daarom bij de berekening van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] in 2023 uit van een behoefte van € 250,- per maand.



5.10
Na indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] :


€ 266,- per maand in 2024;


€ 283,- per maand in 2025; en


€ 296,- per maand in 2026.




Draagkracht vrouw




5.11
Bij gebrek aan inkomensgegevens over 2024 berekent het hof de draagkracht van de vrouw op basis van de meest recente inkomensgegevens. Blijkens de salarisspecificaties 9, 10 en 11 van 2025 (productie bij journaalbericht namens de vrouw van 20 november 2025) bedraagt het inkomen van de vrouw dus € 2.673,- bruto per maand, ter vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering en te verminderen met pensioenpremie, premie reparatie WW en inhouding WIA-WGA. Bij gebrek aan wetenschap stelt het hof de eindejaarsuitkering van de vrouw gelijk aan de vakantietoeslag.



5.12
Op grond van deze gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bij de becijfering van haar draagkracht € 3.218,- per maand en haar draagkracht € 688,- per maand.


Draagkracht man




5.13
De man stelt dat hij niet beschikt over enige draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De man voert in dit kader aan dat hij in 2023 niet heeft gewerkt door een bedrijfsongeval en detentie. Daarna is de man weer begonnen om zijn werkzaamheden op te bouwen. Daarnaast voert de man aan dat hij een (erfelijke) ziekte heeft, hij lijdt aan FMK (familiaire mediterrane koorts). Daardoor heeft hij koortsaanvallen en infecties die hem belemmeren in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Tot slot ziet de man zich geconfronteerd met hoge schulden en krijgt hij toegang tot schulddienstverlening.



5.14
Het hof stelt voorop dat het op de weg van de man ligt om zijn gebrek aan draagkracht, waar hij zijn verzoek in hoger beroep op baseert, nader te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat de man hierin niet is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.



5.15
De man voert een eenmanszaak, genaamd [naam zaak] . De winst uit onderneming bedroeg, zoals blijkt uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2022 in dat jaar € 24.676,-. De man stelt weliswaar dat hij nu niet meer in staat is een inkomen als in 2022 te verdienen, maar hij heeft deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet nader onderbouwd. Door de man zijn geen inkomensgegevens over de jaren 2023, 2024 of 2025 overgelegd. Door het hof is daarmee niet vast te stellen wat zijn draagkracht in die jaren was. De man heeft bovendien geen inzage gegeven in de inspanningen die hij heeft verricht om aan zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige] te voldoen. Voor zover de man stelt dat hij door zijn ziekte FMK (structureel) niet in staat is om inkomen te verwerven, overweegt het hof dat de man ook deze stelling niet nader met objectieve informatie heeft onderbouwd.



5.16
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de draagkracht van de man in elk geval toereikend is om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.



5.17
De man stelt verder dat hij wordt geconfronteerd met hoge schulden en dat hij daarom gestart is met een traject om toegelaten te worden tot de minnelijke schuldhulpverlening. Daardoor, zo stelt de man, resteert er geen draagkracht voor een bijdrage voor [minderjarige] .



5.18
Blijkens een brief van de gemeente [naam stad] van 11 november 2025 (productie 4 bij journaalbericht namens de man van 14 november 2025) is de man toegelaten tot schulddienstverlening. Zuidweg Schuldhulp zal de man begeleiden bij het oplossen van zijn schulden. Op dit moment is voor het hof onvoldoende duidelijk op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de schuldhulpverlening en of er binnen deze schuldhulpverlening ruimte is voor een bijdrage voor [minderjarige] . Uit het - niet ondertekende - Plan van Aanpak van Zuidweg Schuldhulp (productie 5 bij journaalbericht namens de man van 14 november 2025) blijkt niet dat de man heeft verzocht om ruimte vrij te laten voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het staat dus nog niet vast dat in het traject geen rekening zal worden gehouden met een kinderalimentatieverplichting van de man. Daarnaast zijn er nog een groot aantal actiepunten die de man zal moeten doorlopen voordat het traject succesvol kan worden gestart. Zo moet de man nog een complete crediteurenlijst aanleveren, inclusief onderliggende documentatie, moeten nog belastingaangiften worden ingediend en de man moet budgetbeheer of bewind aanvragen. Het hof benadrukt dat de man ook in deze procedure in hoger beroep zijn schulden en aflossingen daarop niet met verificatoire bewijzen heeft onderbouwd. Dat had wel op de weg van de man gelegen, zeker nu de vrouw de schulden en de aflossingen daarop heeft betwist. Daardoor kan het hof niet vaststellen welke schulden de man heeft, wat de hoogte daarvan is en wat de man daarop (eventueel) aflost. Onder deze omstandigheden gaat het hof aan de gestelde schulden (en aflossingen) voorbij.


Draagkrachtvergelijking




5.19
De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2024 € 266,- per maand. De draagkracht de man en de vrouw samen bedraagt (€ 688,- + € 266,- =) € 954,- en is dus voldoende om in de behoefte van [minderjarige] voorzien. Het hof zal daarom de draagkracht van de man en de vrouw verdelen over de behoefte van [minderjarige] .



5.20
Het hof gebruikt hiervoor de formule “eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen”. Op basis van deze formule bedraagt


het aandeel van de man: € 266,- : (€ 688,- + € 266-) x € 266,- = € 74,-


het aandeel van de vrouw: € 688,- : (€ 688,- + € 266,-) x € 266,- = € 191,-




Zorgkorting




5.21
De kosten van de omgang van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang.



5.22
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen om binnen korte termijn toe te werken naar een omgangsregeling van twee dagen per maand. Daarmee is sprake van een omgang van minder dan één dag per week, zodat het hof een zorgkorting van 5% zal toepassen. De zorgkorting bedraagt daarmee € 13,- per maand.



Conclusie




5.23
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 15 november 2024 wordt vastgesteld op € 61,- per maand.


Wettelijke indexering




5.24
Omdat het hof de kinderalimentatie pas nu voor een datum in het verleden vaststelt, zal het bedrag gelet op artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek voor het eerst in 2027 worden geïndexeerd. Aldus loopt de vrouw de indexering per 1 januari 2025 en 1 januari 2026 mis. Om de kinderalimentatie te laten voldoen aan de wettelijke maatstaven zal het hof de bijdrage daarom indexeren. Dit betekent dat de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2025 (afgerond) € 65,- per maand bedraagt en met ingang van 1 januari 2026 € 68,- per maand.






6De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, voor zover deze ziet op de daarin vastgestelde omgangsregeling en kinderalimentatie, en beslissen als hierna te melden.





7Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekening van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.





8De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 augustus 2024, voor zover deze ziet op de daarin vastgestelde omgangsregeling en kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast als omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] dat:


er wordt toegewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling van twee dagen per maand van 10.00 uur tot 18.30 uur, waarbij een snelle opbouw plaatsvindt;


de eerste vijf omgangsmomenten begeleid plaatsvinden;


de eerste begeleide omgang uiterlijk binnen een termijn van drie maanden na deze beschikking zal plaatsvinden;


de vrouw zich voor de uitvoering van de begeleiding van de omgang zo snel mogelijk zal wenden tot het wijkteam;



bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 15 november 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 61,- per maand, met ingang van 1 januari 2025 € 65,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 68,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.









1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek
Link naar deze uitspraak