Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2025:27258 
 
Datum uitspraak:09-10-2025
Datum gepubliceerd:13-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:AWB - 24 _ 7058
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Inkomstenbelasting voor het jaar 2021. Toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties. Beroep in zoverre gegrond. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de activiteiten geen sprake is van een bron van inkomen. Beroep in zoverre ongegrond.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
box 1
box 3
inkomstenbelasting
scholingsuitgaven
verzamelinkomen
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/7058

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen



[eiser] , wonende te [woonplaats] , Zweden, eiser,

en



de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.



De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 15 juli 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2020 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.




Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen mr. A.H. van Leeuwen en mr. R. Kalis.




Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 148.493 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.772 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.248;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.





Overwegingen
1. Eiser was in 2020 woonachtig in Nederland.

2. Op 1 april 1990 is eiser in dienst getreden bij het Europees Octrooibureau (EOB) in Rijswijk. Het EOB is onderdeel van de Europese Octrooi Organisatie (EOO). Met ingang van 1 januari 2016 is de dienstbetrekking tussen eiser en het EOB beëindigd en ontvangt eiser een zogenoemd ‘retirement pension for health reasons’ (RPHR). De ontvangen RPHR in 2020 bedraagt € 192.737 (inclusief € 54.374 aan tax adjustment).

3. Per 1 januari 2007 heeft eiser twee eenmanszaken ingeschreven bij de Kamer van Koophandel: ‘ [bedrijf 1] ’ en ‘ [bedrijf 2] ’. In de aangiften IB/PVV over de jaren 2011 tot en met 2018 is in totaal een negatief bedrag van € 146.740 als winst uit onderneming aangegeven. In de aangifte IB/PVV voor 2019 is een negatief resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) aangegeven van € 29.939.

4. In de aangifte IB/PVV over het jaar 2020 (de aangifte) heeft eiser een verzamelinkomen aangegeven van € 17.196, bestaande uit onder meer een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 96.068, een negatief ROW van € 78.044 en een aftrekbaar bedrag aan scholingsuitgaven van € 104 (na aftrek van het drempelbedrag van € 250). Het ROW bestaat volgens de toelichting in de aangifte uit: ’winst uit onderneming’ van € 18.491; ‘verlies uit onderneming’ van € 66.131; ‘huisvesting’ van € 25.588; ‘bankkosten’ van € 2.028; ‘belastingadvies’ van € 512; en ‘investeringen materiaal’ van € 2.276. De scholingsuitgaven zijn in de aangifte omschreven als ‘amateurspalet’.

5. Verweerder heeft eiser per brief van 31 januari 2024 geïnformeerd over zijn voornemen om van de aangifte af te wijken. Voor het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) heeft verweerder een bijtelling aangekondigd van € 96.669 inzake de RPHR, een bijtelling van € 78.044 inzake de aftrek ROW en een bijtelling van € 104 inzake de aftrek scholingsuitgaven.

6. Met dagtekening 8 maart 2024 is, overeenkomstig de aangekondigde correcties, de aanslag IB/PVV 2020 (de aanslag) opgelegd, berekend naar een box 1-inkomen van € 192.013 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 0.


Geschil

7. In geschil is of de aftrek ROW van € 78.044 en de aftrek scholingsuitgaven van € 104 terecht zijn geweigerd.

8. Eiser stelt dat de door hem ontplooide activiteiten een bron van inkomen vormen. De activiteiten bestaan volgens eiser uit handel met aandelen en opties en daarnaast uit het opbouwen van vaardigheden om een winstgevend bedrijf te kunnen starten op het gebied van keramiek en tekenen/schilderen. Verweerder heeft eisers stellingen gemotiveerd weersproken.

9. Niet langer is in geschil dat eiser voor het jaar 2020 in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties. Tussen partijen is ook niet in geschil dat dit betekent dat € 149.217 van de ontvangen RPHR tot het box 1-inkomen moet worden gerekend en een bedrag van € 578.385 tot de grondslag van het box 3-inkomen. Verder is niet in geschil dat het box 1-inkomen aldus moet worden vastgesteld op € 148.493 (€ 149.217 + € 2.365 – € 2.208 – € 881) en het box 3-inkomen op € 20.772 (na voorkoming van dubbele belastingheffing en na aftrek van het heffingvrije vermogen). Het beroep is reeds hierom gegrond verklaard.


Bron van inkomen

10. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordelen te behalen en het behalen van dat voordeel redelijkerwijs kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.

11. Nu eiser een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door eiser beoogde voordeel ook in redelijkheid kon worden verwacht.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in 2020 objectief bezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel uit de activiteiten. Eiser heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan hij in 2020 de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van de structureel negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Uit de stelling van eiser dat het opbouwen van voldoende kennis in keramiek vele jaren kost en de vergelijking met de biotechnieksector, waarin ook sprake kan zijn van jarenlang geen verkoop en winst, maar van investering in onderzoek en kennisvergaring met als gevolg uitgaven en verliesjaren, kan slechts worden opgemaakt dat sprake is geweest van investeringen. Eiser heeft daarmee niet voldoende geconcretiseerd dat een positief resultaat kon worden verwacht. Voorgaande geldt ook voor de gemaakte kosten voor huisvestiging die zien op, naar de rechtbank begrijpt, de ingebruikname van een schoolgebouw in Zweden. Met de stellingen dat eisers (voorbereidend) werk door persoonlijke omstandigheden is vertraagd en dat het BTW-nummer is ingetrokken, maakt eiser evenmin aannemelijk dat positieve resultaten konden worden verwacht.

13. Met betrekking tot de beleggingsactiviteiten heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat deze activiteiten kwalificeren als een bron van inkomen. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen dan gerechtshof Den Haag inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 van eiser.

14. Het voorgaande betekent dat de aftrek ROW terecht is geweigerd. Het beroep is in zoverre ongegrond.


Aftrek scholingsuitgaven

15. Op grond van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2020) zijn scholingsuitgaven de uitgaven voor het door een belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Het moet hierbij gaan om uitgaven voor: les-, cursus-, of collegegeld, promotiekosten en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aftrekbaarheid van scholingsuitgaven. De aftrek scholingsuitgaven is daarom terecht geweigerd en het beroep is ook in zoverre ongegrond.


Belastingrente

17. De belastingrente dient met inachtneming van de vermindering van de belastingaanslag te worden verminderd. Dat de belastingrente nog verder dient te worden verminderd, is gesteld noch gebleken.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard en is beslist zoals hiervoor is vermeld.

19. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld op € 1.248. De rechtbank heeft zich hierbij aangesloten.



Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.






griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op:







Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).



Besluit pensioenen Internationale Organisaties van 19 augustus 2022, nr 2022-206968,
Stcrt. 2022, 21897.


Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348.


Gerechtshof Den Haag 4 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1036.
Link naar deze uitspraak