|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:649 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/1575 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Afwijzing bijstand, beroep ongegrond, eiser heeft cryptovaluta en onvoldoende inzage gegeven in de waarde van zijn wallets. Bewijsnood is niet gebleken. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | levensonderhoud | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1575
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van der Weele),
en
Dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Senzer, Senzer
(gemachtigde: mr. D.L. Slegers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Senzer de aanvraag terecht heeft afgewezen. De reden hiervoor is dat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat eiser onvoldoende bewijsstukken heeft ingeleverd van zijn cryptoactiviteiten en van de waarde van zijn cryptovaluta. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Senzer heeft de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering met het besluit van 14 november 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit, dat is gedateerd op 2 juni 2025 en verzonden op 6 juni 2025, op het bezwaar van eiser is Senzer bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Senzer heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Senzer.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving tot en met 11 september 2024 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 4 oktober 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) met als gewenste ingangsdatum 11 september 2024.
3.1.
Bij de aanvraag heeft eiser bewijsstukken aangeleverd om te onderbouwen dat hij geen inkomsten heeft, waaronder bankafschriften. Uit deze bankafschriften blijkt dat er bedragen worden overgemaakt naar Bitvavo, een handelsplatform voor cryptovaluta. Senzer heeft daarom op 9 oktober 2024, onder andere, gegevens van eisers eventuele cryptovaluta opgevraagd. Het gaat om de transactiehistorie van 4 juli 2024 tot 4 oktober 2024, een overzicht van het actuele tegoed en actuele in bezit zijnde cryptomunten of andere valuta waaruit de huidige waarde blijkt en, indien van toepassing, zijn public keys. Door eiser is een screenshot ingeleverd, waaruit is af te leiden dat sprake is van € 3.209,69 aan cryptovaluta.
3.2.
Eiser wordt met de brief van 15 oktober 2024 door Senzer uitgenodigd om op 22 oktober 2024 op een gesprek te komen. Verzocht wordt om duidelijke bewijsstukken van zijn cryptovaluta mee te nemen, waarop te zien is welk bedrag eiser aan vermogen heeft in zijn wallet en over welke coins/valuta hij beschikt. Tijdens het gesprek geeft eiser aan dat hij crypto gebruikt om geld te sturen naar zijn vrouw en drie kinderen in Kenia om in hun levensonderhoud te voorzien. Eiser stuurt geld naar een wallet van een vriend van de familie in Kenia, die dit laat uitbetalen en inwisselt voor Keniaanse Shillings, waarna hij het aan eisers vrouw geeft. Eiser wordt verzocht om meer informatie te verstrekken over zijn cryptoactiviteiten. Zo dient hij een volledig transactieoverzicht in te leveren.
3.3.
Op 22 oktober 2024 levert eiser een transactieoverzicht in van Bitvavo over de periode 1 januari 2024 tot en met 21 oktober 2024. Op het overzicht zijn diverse opnames te zien, die naar verschillende externe wallets worden verzonden. Naar aanleiding van dit overzicht heeft er op 31 oktober 2024 een nieuw gesprek met eiser plaatsgevonden. Eiser geeft, onder meer, wederom aan dat hij het geld naar een vriend van de familie stuurt en dat deze ervoor zorgt dat zijn vrouw en kinderen het geld ontvangen. Hij ontvangt een code van zijn vriend in Kenia. Deze vult hij in bij Bitvavo, waarna het geld direct wordt doorgestuurd naar zijn vriend. Eiser weet niet of zijn vriend meerdere wallets heeft. Eiser geeft aan zelf geen andere wallets te hebben. Door eiser wordt tijdens het gesprek aangegeven dat hij wil gaan stoppen met Bitvavo.
3.4.
Op 3 november 2024 heeft eiser een screenshot ingeleverd van Bitvavo waarin “Account deleted” staat te lezen. Ook heeft eiser een screenshot gestuurd van een transactie van 3 november 2024 en een screenshot van een Whatsappgesprek met [naam]. Hierin wordt door de heer [naam] een TRX coin adres doorgegeven aan eiser. Ook wordt in het gesprek bevestigd dat er door de heer [naam] 15.860 TRX is ontvangen.
4. Met het besluit van 14 november 2024 heeft Senzer de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet alle informatie heeft gegeven die Senzer nodig heeft. Senzer mist, kort gezegd, informatie over eisers eventuele cryptovaluta. Door Senzer is tijdens het gesprek op 31 oktober 2024 aan eiser voorgelegd dat hij bewijsstukken moet inleveren waaruit blijkt dat zijn verhaal correspondeert met de bewijsstukken. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij geld stuurt naar een vriend van de familie die de crypto inwisselt voor Keniaanse Shillings en deze aan zijn vrouw en kinderen geeft. De screenshot die eiser heeft ingeleverd van Whatsapp is niet te verifiëren. Daarnaast kan niet worden beoordeeld wie de andere persoon is. Eiser heeft ook geen inzicht gegeven in de verschillende adressen waar crypto naartoe wordt gestuurd en eiser kon daar ook geen verklaring voor geven. Op grond van het voorgaande krijgt eiser geen uitkering. Volgens Senzer zijn er geen redenen om voor eiser een uitzondering te maken of af te wijken van de regels.
5. Met het besluit van 2 juni 2025 heeft Senzer het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 14 november 2024, onder aanpassing van de motivering, gehandhaafd. Senzer heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie hierbij meegewogen. Volgens de bezwaarschriftencommissie bestaat er op 11 september 2024 geen recht op bijstand, omdat eiser op dat moment nog een WW-uitkering ontving en daarom beschikte over voldoende eigen bestaansmiddelen. Met betrekking tot de periode vanaf 12 september 2024 heeft Senzer zich volgens de bezwaarschriftencommissie terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn medewerkingsplicht heeft geschonden en daardoor zijn bijstandbehoevendheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De commissie wijst er op dat uit de door eiser ingeleverde gegevens blijkt dat hij geld stortte op zijn Bitvavo account, daarvan crypto aankocht, soms ook weer crypto verkocht, soms geld opnam, maar ook dat er digitale middelen naar externe wallets werden overgemaakt. Tijdens de hoorzitting is door eiser erkend dat – zoals ook blijkt uit het onderzoek van Senzer – het met Bitvavo niet mogelijk is om transacties te doen naar (wallets van) derden. Dat de negen wallets wel op eisers naam staan, maar hij er geen toegang tot heeft en geen inzicht kan geven in deze wallets komt volgens de commissie voor eisers rekening en risico. Eiser heeft er zelf voor gekozen om de wallets op zijn naam te (laten) openen en te gebruiken om middelen naar zijn gezin in Afrika te sturen. De commissie is daarom van mening dat Senzer ervan uit mocht gaan dat eiser redelijkerwijs heeft moeten, dan wel kunnen, beschikken over de negen wallets. Het niet kunnen overleggen van (de waarde van) deze wallets heeft tot gevolg dat niet kan worden vastgesteld of eiser in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerd. Verder wordt eiser door de commissie, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling, niet gevolgd in zijn stelling dat het primaire besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ook heeft Senzer volgens de commissie voldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden, de belangen en het doenvermogen van eiser.
Wat vindt eiser?
6. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Hij legt, kort samengevat, nogmaals uit dat hij op aanraden van zijn vriend [naam] via Bitvavo gelden heeft overgemaakt voor zijn gezin in Afrika. Omdat eiser zelf niet bekend is met cryptovaluta is hij geholpen een account bij Bitvavo aan te maken en volgde hij bij stortingen de instructies van zijn vriend [naam] op. Zijn onbekendheid met cryptovaluta levert hem thans problemen op bij het inzichtelijk maken van de transacties, omdat hij het zelf ook niet begrijpt. Hij verkeert dan ook in bewijsnood. In dit kader doet eiser een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Ook bij gebonden bevoegdheden is een beroep op het evenredigheidsbeginsel mogelijk voor zover de wetgever het een en ander niet heeft voorzien, zoals de problematiek rondom cryptovaluta en recht op bijstand. Eiser wijst er verder op dat hij bewijsstukken heeft aangeleverd dat de wallets niet van hem waren maar van [naam]. Daarnaast zijn informatieverzoeken bij Bitvavo ingediend.
Volgens eiser is de financiële situatie met betrekking tot cryptovaluta niet gewijzigd. Senzer heeft thans wel het recht op bijstand vastgesteld, althans heeft aan eiser een uitkering toegekend. Omdat eiser zelf vastloopt in het achterhalen van informatie, heeft hij Senzer verzocht om informatie te vorderen. Dit nu hij met de gedane inspanningen en bewijslevering nog steeds zijn recht op bijstand niet aannemelijk zou hebben gemaakt. Eiser meent dat hij zijn recht op bijstand hiermee wel aannemelijk heeft gemaakt, nu hij Senzer volledig en transparant heeft betrokken bij de informatie-inwinning. Met zekerheid staat vast dat eisers account bij Bitvavo is verwijderd toen het hem duidelijk werd dat het een account een probleem opleverde bij zijn aanvraag. Senzer past maatwerk toe door de tweede aanvraag te honoreren. Door eiser wordt niet ingezien waarom bij de eerste aanvraag dat maatwerk niet wordt toegepast.
Beoordeling door de rechtbank
7. Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit is vaste rechtspraak van de CRvB. Dat de rechtbank een te strenge maatstaf hanteert, zoals namens eiser ter zitting is betoogt, volgt de rechtbank dus niet.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Senzer zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat eiser de op hem rustende medewerkingsplicht heeft geschonden. Eiser heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn financiële situatie. Daarvoor is van belang dat vast is komen te staan dat eiser een Bitvavo account op zijn naam heeft staan en dat er via dat account cryptovaluta zijn overgemaakt naar negen externe wallets. Om volledige inzage in eisers financiën te krijgen mocht Senzer van eiser verlangen dat hij inzicht biedt in deze negen wallets. Dat eiser hierin niet is geslaagd, heeft Senzer terecht voor rekening en risico van eiser laten komen. Daarbij heeft Senzer in aanmerking mogen nemen dat eiser heeft verklaard dat de wallets op zijn naam staan. Hoewel hij in beroep aanvoert dat de wallets niet van hem zijn, is ter zitting bevestigd dat deze wel op zijn naam zijn gesteld maar in beheer waren van zijn vriend [naam]. Van belang is ook, zo is in bezwaar door Senzer voldoende onderbouwd, dat het vanuit een Bitvavo account niet mogelijk is om transacties te doen naar (wallets van) derden. Dit betekent dat de wallets op naam van eiser moeten staan of in ieder geval met zijn medewerking moeten zijn aangemaakt. Senzer mocht er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat eiser inzicht kan verschaffen in (de waarde op) deze wallets. Nu eiser deze duidelijkheid niet heeft verschaft, is hij er niet in geslaagd om een volledig beeld te schetsen van zijn cryptoactiviteiten en -vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Senzer zich terecht geconcludeerd dat hierdoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Voor zover eiser meent dat hij met hetgeen hij wel heeft overgelegd voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op bijstand, kan deze grond dan ook niet slagen. Dat eiser een verzoek om informatie te vorderen bij Senzer heeft neergelegd, is daarvoor onvoldoende en de rechtbank is op grond van het navolgende ook van oordeel dat Senzer niet gehouden was om aan dat verzoek te voldoen. Het is aan eiser om zijn recht op bijstand aannemelijk te maken, zoals hiervoor al is overwogen. Dat eiser in bewijsnood verkeerd, volgt de rechtbank niet. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat er voor hem geen mogelijkheden bestaan om de door Senzer gevraagde gegevens te achterhalen. De omstandigheid dat de externe wallets zouden worden beheerd door [naam] is daarvoor niet voldoende, nu deze op naam van eiser moeten staan of in ieder geval met zijn medewerking moeten zijn aangemaakt, zoals hiervoor al is overwogen. Niet valt in te zien dat eiser, indien hij zelf geen toegang heeft tot de wallets, [naam] niet kan vragen om een administratie te reproduceren, dan wel kan vragen om hem alsnog toegang te geven tot de wallets of hem van de daarvoor benodigde informatie te voorzien. Eiser had ook nog, aangezien de wallets wel op zijn naam moeten zijn gesteld, bij de betreffende organisaties kunnen melden dat zijn gegevens worden gebruikt door derden. Niet gebleken is dat dit alles is gebeurd. Van bewijsnood is reeds daarom geen sprake en het lag dan ook niet op de weg van Senzer om nadere informatie op te vragen.
Dit geldt te meer, nu ook niet valt in te zien dat eiser niet zelf rechtstreeks contact op kan nemen met de betreffende organisatie(s), al dan niet met behulp van zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft wel informatie opgevraagd bij Bitvavo en daaruit blijkt ook dat eiser tegoeden heeft overgemaakt naar bijvoorbeeld KuCoin, Mexc en Crypto.com. Uit de in beroep overgelegde informatie blijkt vervolgens dat er een poging is gedaan om informatie te verkrijgen van Mexc, maar dat er geen informatie aan derden (in dit geval de gemachtigde van eiser) wordt verstrekt. Daar is het bij gebleven, zo is ook ter zitting gebleken. Van eiser mocht op zijn minst worden verwacht dat hij zelf, onder zijn naam en voor zover mogelijk met het door hem geregistreerde mailadres of account de benodigde informatie zou opvragen. Als hij daarvoor zelf onvoldoende gegevens heeft, lag het op zijn weg dit bij zijn vriend [naam] op te vragen. Ook bij de huidige stand van zaken is van bewijsnood in ieder geval niet gebleken. Dat Senzer maatwerk had dienen toe te passen door meer rekening te houden met eisers gebrekkige kennis van crypto, wordt gezien het voorgaande ook niet gevolgd. Dit alleen al omdat eiser er zelf voor heeft gekozen om op deze wijze gelden over te maken naar zijn gezin in Afrika.
9. Met betrekking tot eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 11, eerste lid, en 17, tweede lid, van de Pw dwingend zijn geformuleerd. Dit betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet eraan in de weg dat (een bepaling uit) een wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Aangezien de Pw een wet in formele zin is, kunnen de artikelen 11, eerste lid, en 17, tweede lid, van de PW niet worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Alleen indien er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien de niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
10. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat de wetgever de problematiek rondom cryptovaluta niet zou hebben voorzien is daarvoor onvoldoende. Zoals hiervoor is overwogen, is immers niet aannemelijk geworden dat eiser geen volledig beeld zou kunnen schetsen met betrekking tot zijn cryptovaluta. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van de artikelen 11, eerste lid, en 17, tweede lid, van de Pw zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
11. Voor zover eiser stelt dat aan hem inmiddels een bijstandsuitkering is toegekend terwijl er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, kan ook deze grond niet slagen. Senzer heeft er immers op gewezen dat eiser uit coulance in het bezit is gesteld van een bijstandsuitkering omdat inmiddels twee van zijn kinderen bij hem in Nederland verblijven. Ter zitting is ook toegelicht dat Senzer de aanvraag van de bijstandsuitkering op dezelfde grond had kunnen afwijzen, maar dat er nu kinderen bij eiser wonen die daarvan de dupe zouden worden. Om die reden is er maatwerk toegepast en is alsnog een uitkering toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
De Centrale Raad van Beroep. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2400.
Zie de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|