|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:2207 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 24/9841 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen. Geen recht op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. | | Trefwoorden | : | forfaitair | | | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9841
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.A. Alderlieste),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
1.1.
Met een besluit van 26 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een forfaitair bedrag van € 30.000,- op grond van artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.2.
Met een besluit van 18 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 mei 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 26 januari 2026 behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van Dienst Toeslagen deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld voor een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wht.
3. Aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel zoals bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, van de Wht, kent verweerder ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000,-. Bij deze lichte toets worden niet alle feiten en omstandigheden onderzocht, omdat anders een snelle toekenning van het forfaitaire bedrag zou worden belemmerd.
4. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep omdat op 25 februari 2025 al een besluit genomen is naar aanleiding van de integrale beoordeling, waarbij de aanvraag om compensatie is afgewezen. De rechtbank volgt de Dienst Toeslagen hierin niet. Niet kan worden uitgesloten dat de Dienst Toeslagen fouten heeft gemaakt in de besluitvorming over de lichte toets en dat de conclusie moet worden getrokken dat eiseres in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Voor zover van belang, merkt de rechtbank nog op dat niet gebleken is dat het besluit naar aanleiding van de integrale beoordeling in rechte is komen vast te staan. Eiseres heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank procesbelang in deze procedure.
5. Eiseres heeft betoogd dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat zij niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Er is vastgesteld dat niet op haar aanvraag om kinderopvangtoeslag voor 2010 is beslist. Omdat de reden voor het niet in behandeling nemen onduidelijk is, kan vooringenomen handelen volgens eiseres niet worden uitgesloten. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Ook heeft eiseres aangevoerd dat haar niet het volledige dossier is toegestuurd en dat de informatie op basis waarvan het besluit is genomen, niet met haar is gedeeld.
6. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de lichte toets niet juist of onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd. De Dienst Toeslagen heeft in het besluit van 26 mei 2023 verwezen naar een aanvraag kinderopvangtoeslag over het jaar 2010. De aanvraag van kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 is teruggevonden in de systemen. Het betreft een aanvraag waarop niet is beschikt. De reden daarvan is niet duidelijk. Hiernaar dient nader onderzoek te worden verricht. De Dienst Toeslagen was echter niet verplicht dit te doen in het kader van de lichte toets. Verder overweegt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen ten aanzien van de gegevens van de aanvraag kinderopvangtoeslag voor 2010 ter zitting heeft toegelicht dat in eerste instantie de verkeerde bijlage naar eiseres was verstuurd. Nog in de bezwaarfase is dit door de Dienst Toeslagen gecorrigeerd en is alsnog het juiste stuk toegezonden. Eiseres heeft naar aanleiding daarvan niet gereageerd, aldus de Dienst Toeslagen. De rechtbank kan er, gelet hierop, niet van uitgaan dat het betoog van eiseres dat zij niet alle stukken heeft ontvangen, juist is. Eiseres is ook niet verschenen ter zitting om haar betoog nader toe te lichten. Tot slot is er geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3 (MvT), p. 80. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|