Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:4801 
 
Datum uitspraak:09-03-2026
Datum gepubliceerd:11-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.52254
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Machtiging voor voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid; bijkomende elementen van afhankelijkheid; belangenafweging vanwege het familie- en gezinsleven met kleinkinderen; beroep gegrond.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.52254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),

en


de minister van Asiel en Migratie


(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag ten behoeve van eiseres voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar zoon (referent) op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft de minister de belangenafweging, die hij vanwege het familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen heeft gemaakt, niet deugdelijk gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. De minister heeft de aanvraag van eiseres om een mvv met het besluit van 19 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond en reden van de aanvraag

3. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit, is 82 jaar oud en verblijft momenteel in Al Habiliya. Eiseres betoogt verblijf bij referent, haar (meerderjarige) zoon. Referent heeft sinds 8 juni 2022 een verblijfsvergunning asiel in Nederland en zijn echtgenote en kinderen zijn later in het kader van nareis naar Nederland gekomen. Eiseres is niet meer in staat om zelfstandig haar verblijf in Jemen voort te zetten. In Jemen heeft zij namelijk geen familieleden die haar kunnen helpen met haar dagelijkse bezigheden. Sinds het vertrek van referent en zijn gezin naar Nederland heeft eiseres via beeldbellen contact met hen onderhouden gehouden. Referent is samen met gezin bereid de benodigde zorg voor eiseres op zich te nemen.


Het bestreden besluit

4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt, maar heeft eiseres het voordeel van de twijfel gegeven. De minister biedt eiseres geen nader onderzoek aan, omdat uit de verklaringen van referent niet is gebleken van zogenoemde bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daardoor is volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tussen eiseres en haar kleinkinderen (de kinderen van referent) neemt de minister wel familie- en gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de belangenafweging die hij daarom heeft gemaakt in het nadeel van referent uitvalt.


Beoordelingskader

5. Tussen partijen is in geschil of de minister zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van ‘further elements of dependancy, involving more than the normal emotional ties’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan pas dan worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid feitelijk van aard is en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of hiervan sprake is. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.



5.1.
Tussen partijen is daarnaast in geschil of de minister de belangenafweging die hij vanwege het familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen heeft gemaakt in het nadeel van eiseres mocht laten uitvallen en zijn besluit op dat punt voldoende heeft gemotiveerd.


Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM?

6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen haar en referent geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat tussen hen geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ze voert daartoe aan dat zij sinds 1998 met (het gezin van) referent heeft samengewoond en na het vertrek van referent naar Nederland onderdeel is gebleven van zijn gezin. Eiseres voert daarnaast aan dat zij deel uitmaakt van het gezin van referent en ook met zijn echtgenote en kinderen een hechte band heeft. Zij heeft mede geholpen met de opvoeding van zijn kinderen. Daarom is ook sprake van hechte emotionele banden en ook een afhankelijkheid tussen haar en haar kleinkinderen. Daarnaast voert eiseres aan dat zij financieel en medisch afhankelijk is van referent. Eiseres betoogt dat de minister de genoemde elementen onvoldoende in samenhang heeft gewogen en daardoor tot een onjuiste conclusie is gekomen. Volgens eiseres zijn de elementen samengenomen namelijk voldoende om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referent. Eiseres voert verder aan dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij noodgedwongen, door de lange procedures bij de IND, al langer dan een jaar van referent (en zijn gezin) gescheiden moet leven. Tot slot voert eiseres aan dat de beoordeling van de minister tegenstrijdig is op het punt van de financiële afhankelijkheid, door eerst wel financiële afhankelijkheid tussen haar en referent aan te nemen, en later niet meer.



6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Samenwoning is daarvoor niet voldoende. Daarnaast stelt de minister dat eiseres (ook) financieel afhankelijk is van kennissen, en niet (alleen) van referent. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij exclusief op referent is aangewezen voor medische zorg. De minister stelt zich tot slot op het standpunt dat er weliswaar een intensieve band bestaat tussen eiseres en (het gezin van) referent, maar dat deze niet zodanig sterk is dat zij afzonderlijk van elkaar niet zelfstandig kunnen functioneren. Dit gebeurt volgens de minister immers al langer dan een jaar.



6.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister de elementen samenwoning, financiële afhankelijkheid, medische afhankelijkheid en emotionele afhankelijkheid heeft betrokken bij de beoordeling of er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent. De minister mocht daarbij betrekken dat eiseres in staat blijkt om zich zonder referent staande te houden, ook al speelt daarbij een rol dat de procedures bij de IND lang duren. De minister moest vervolgens deugdelijk motiveren waarom het geheel van de feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, niet leidt tot de conclusie dat tussen eiseres en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze integrale beoordeling niet kenbaar verricht, maar heeft hij de genoemde elementen in het bestreden besluit uitsluitend los van elkaar beoordeeld. Daarmee is volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat alle relevante omstandigheden in samenhang zijn gewogen en is sprake van een gebrek.



6.3.
Ook wat betreft de beoordeling van financiële afhankelijkheid is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit sprake is van een gebrek. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat de minister in het bestreden besluit tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen over de financiële afhankelijkheid. De minister stelt eerst, onder verwijzing naar het primaire besluit, dat eiseres financieel afhankelijk is van referent en zijn vrouw, maar dat de financiële steun op afstand kan worden voortgezet en dat in het primaire besluit voldoende is uitgelegd waarom de steun niet leidt tot bijzondere afhankelijkheid. Vervolgens stelt de minister dat hij uit de verklaringen van referent opmaakt dat eiseres niet financieel afhankelijk is van hem, maar van kennissen, zonder duidelijk te maken hoe dit zich verhoudt tot het voorgaande. Ook daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. Omdat sprake is van motiveringsgebreken is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt daarom. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het bestreden besluit.



6.4.
De minister heeft in het verweerschrift alsnog de integrale beoordeling toegelicht en verdere toelichting gegeven op zijn standpunt over de financiële afhankelijkheid. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.



6.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het verweerschrift alsnog duidelijk maakt dat hij een integrale beoordeling heeft verricht. De minister heeft namelijk toegelicht dat het samenwonen in samenhang met de overige omstandigheden als onvoldoende wordt beschouwd. Daarnaast heeft de minister zich in het verweerschrift uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referent geen sprake is van financiële afhankelijkheid, dat geen stukken zijn overgelegd die zo’n afhankelijkheid onderbouwen en dat dat ook niet blijkt uit de overgelegde ‘proof of breadwinner’ van 8 april 2021. Van tegenstrijdige standpunten is daarmee geen sprake meer.



6.6.
Wat betreft de gestelde afhankelijkheid en hechte emotionele banden tussen eiseres en haar kleinkinderen heeft de minister in het bestreden besluit (afzonderlijk) aangenomen dat tussen hen sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft, omdat daarmee dus ook sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen, een belangenafweging gemaakt om te beoordelen of vanwege dat familie- en gezinsleven aan eiseres verblijf in Nederland moet worden toegestaan.



Mocht de minister de belangenafweging vanwege het familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen in het nadeel van eiseres laten uitvallen?

7. Eiseres betoogt dat de minister de belangenafweging die hij heeft gemaakt vanwege het familie- en gezinsleven tussen haar en haar kleinkinderen ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. De minister heeft nagelaten om in de belangenafweging in te gaan op het aangenomen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen haar en haar kleinkinderen. Volgens eiseres gaat de minister voorbij aan de emotionele band die zij met haar kleinkinderen heeft en de rol die zij heeft bij hun opvoeding. Eiseres voert aan dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze banden zijn meegewogen en de belangen van de kleinkinderen zijn volgens haar dan ook onvoldoende betrokken. Verder voert eiseres aan dat zij weliswaar is geboren en getogen in Jemen, maar daar momenteel niemand meer heeft. Bovendien bestaat er volgens eiseres een objectieve belemmering om het aangenomen familie- en gezinsleven in Jemen uit te oefenen. Verder is sprake van binding met Nederland, omdat referent en zijn gezin in Nederland verblijven. Tot slot voert eiseres aan dat referent een baan zal zoeken en de wens heeft om eiseres in huis te nemen en te verzorgen. Referent zal dan ook de kosten dragen voor haar huisvesting en levensonderhoud. Om deze reden dient het economisch belang volgens eiseres minder zwaar in haar nadeel te worden meegewogen dan de minister nu heeft gedaan.



7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het belang van de staat zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres bij het toekennen van verblijf bij referent en motiveert dat als volgt. De minister kent zwaarwegend gewicht toe aan het feit dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen referent en eiseres in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dat wel sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen, weegt in het nadeel van eiseres mee. Volgens de minister is de aard en de intensiteit van dit gezinsleven namelijk niet zodanig sterk dat dit gezinsleven in Nederland moet plaatsvinden. Verder is de rol van eiseres in de opvoeding van haar kleinkinderen beperkt. Referent en zijn vrouw zorgen op dit moment zelf voor de kinderen en volgens de minister is de hulp van eiseres bij de opvoeding niet nodig. De minister stelt zich dan ook op het standpunt dat eiseres haar banden met haar kleinkinderen op afstand kan onderhouden. Volgens de minister gaat het belang van de kleinkinderen om bij hun ouders te blijven boven het belang van eiseres om naar Nederland te reizen. Verder weegt de minister de objectieve belemmering om het gezinsleven in Jemen uit te voeren in het voordeel van eiseres mee, maar is volgens de minister niet gebleken dat referent terug moet keren naar Jemen om invulling te geven aan het gezinsleven, omdat van gezinsleven tussen hen volgens de minister geen sprake is. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres sterke binding heeft met Jemen. Volgens de minister heeft eiseres deze binding niet met Nederland. Het enkele feit dat referent en zijn gezin hier wonen is volgens de minister onvoldoende om aan te nemen dat eiseres een dusdanige binding met Nederland heeft dat zij haar leven niet kan opbouwen buiten Nederland. Daar komt volgens de minister bij dat eiseres al lange tijd functioneert zonder referent en zijn gezin. De minister stelt zich ten aanzien van de economische belangen op het standpunt dat deze in het nadeel van eiseres uitvallen. Hoewel de minister kan begrijpen dat referent nog geen werk heeft kunnen vinden, blijkt ook dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om de kosten van huisvesting en levensonderhoud van eiseres in Nederland te kunnen dragen. Dit betekent dat eiseres gebruik zal moeten maken van de openbare kas, omdat de minister niet verwacht dat eiseres, gezien haar 80-jarige leeftijd, nog gaat werken. Verder zal eiseres voor langere tijd gebruikmaken van de publieke voorzieningen.



7.2.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. De belangenafweging moet gaan over de vraag of aan eiseres verblijf moet worden toegestaan vanwege het familie-en gezinsleven met haar kleinkinderen. Hoewel de kleinkinderen wel in de belangenafweging worden genoemd, gaat de belangafweging voor een groot deel over referent en zijn relatie met eiseres. Zo zijn de belangen van de kinderen in het bestreden besluit niet betrokken bij het standpunt over de objectieve belemmering om het gezinsleven in Jemen uit te oefenen. De minister stelt vervolgens in de tussenconclusie die volgt op de belangenafweging dat de belangafweging in het nadeel van referent uitvalt, dat het belang van de staat zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van referent, en dat daarbij veel waarde is toegekend aan het ontbreken van gezinsleven tussen referent en eiseres. Hieruit blijkt niet dat de minister heeft afgewogen of aan eiseres vanwege het familie- en gezinsleven met haar kleinkinderen in Nederland verblijf moet worden toegestaan. De minister heeft in het verweerschrift weliswaar nadrukkelijker aandacht gehad voor het familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen, maar hij sluit ook die belangenafweging af met de conclusie dat de belangenafweging in het nadeel van referent uitvalt. Daarmee is onvoldoende duidelijk dat de minister heeft afgewogen of aan eiseres vanwege haar hechte persoonlijke banden met haar kleinkinderen verblijf in Nederland moet worden toegestaan. Hiermee kent de besluitvorming (ook op dit punt) een motiveringsgebrek.




Conclusie en gevolgen

8. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 6.2, 6.3 en 7.2 is het beroep gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister opnieuw, met inachtneming van deze uitspraak, zal moeten beoordelen of eiseres een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM en een belangenafweging in dat kader zal moeten maken (zie onder 7.2). Dat is een beoordeling die is voorbehouden aan de minister. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige afdoening van het geding is. Dat betekent dat de rechtbank de minister zal opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.


8.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het dienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.


EHRM 17 april 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806. Zie bijvoorbeeld ook ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ABRvS 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.


EHRM 9 oktober 2003, Slivenko tegen Letland, ECLI:CE:ECHR:2003:1009JUD004832199, 97 en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, onder 55-57.


EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.


EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.


EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.


EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.


ABRvS 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3483.
Link naar deze uitspraak