Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:1506 
 
Datum uitspraak:05-02-2026
Datum gepubliceerd:13-03-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:C/02/443341 / JE RK 25-22 C/02/443341 / JE RK 25-22
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verlengen muhp voor de duur van de ots. Muhp nu nog nodig gericht op zorgvuldige terugplaatsing van de kinderen bij vader.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/443341 / JE RK 25-2286
Datum uitspraak: 5 februari 2026


Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing


in de zaak van

de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen de GI,

over



[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,



[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,



[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:



[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,



[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Sarioglu.




1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 december 2025;


het F9-formulier van mr. Sarioglu met bijlagen van 2 februari 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:


de vader, aanwezig middels een videoverbinding;


de advocaat van vader, aanwezig middels een video/telefonische verbinding;


twee vertegenwoordigsters van de GI.


Hoewel correct opgeroepen, is de moeder niet verschenen.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .



2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 3 juni 2025 tot 3 juni 2026.



2.3.
Bij beschikking van 23 juli 2025 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 juli 2025 tot 6 augustus 2025. Bij beschikking van 30 juli 2025 is het resterende deel van het spoedverzoek afgewezen en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een accommodatie van een jeughulpaanbieder verleend met ingang van 6 augustus 2025 tot 6 februari 2026.



2.4.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds 23 augustus 2025 in een gezinshuis.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Met moeder verloopt de samenwerking tot op heden moeilijk. Moeder wijst pogingen om afspraken te maken over zorg, begeleiding en opbouw van fysieke contactmomenten af. Daardoor is het niet mogelijk om stappen te zetten richting een reguliere omgangsregeling of terugplaatsing van de kinderen. Gezien de emotionele en fysieke afwezigheid van moeder en eerdere problematiek in haar ouderrol, is verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk om veiligheid, verzorging en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De samenwerking met vader verloopt voorspelbaar, constructief en ondersteunend. Vader neemt zijn verantwoordelijkheid. Door de omgangsmomenten heeft de GI goed zicht op de ontwikkeling, het welzijn en de behoeften van de kinderen in relatie tot hun vader. Een terugplaatsingsonderzoek bij de vader is echter nog niet uitgevoerd, waardoor op dit moment geen besluit kan worden genomen over een structurele verandering van de verblijfssituatie van de kinderen. De verlenging van de uithuisplaatsing biedt tijd en ruimte voor onderzoek, terwijl de kinderen in een veilige en stabiele omgeving blijven. Er is nu wekelijks omgang tussen de vader en de kinderen op de woensdagmiddag van 14.00 uur tot 18.00 uur. Recent is deze omgang uitgebreid, zodat er nu ook op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur omgang plaatsvindt. De moeder heeft tot op heden geen fysiek contact met de kinderen, maar onderhoudt wel wekelijks videobelcontact. Er is de afgelopen periode geen organisatie beschikbaar gebleken voor een terugplaatsingsonderzoek bij de vader. Een verlenging van zes maanden is nodig om het onderzoek naar het opvoedperspectief van de vader te kunnen uitvoeren en afronden. De GI constateert op basis van de contactmomenten dat de vader op een passende manier inspeelt op de behoeften van de kinderen, goed met hen in contact staat en verantwoordelijkheid neemt voor kosten en overige zaken die van belang zijn. De bedoeling is dan ook om de kinderen in de komende periode terug te plaatsen bij de vader. Dit moet wel gefaseerd gaan.



4.2.
Door en namens vader is ter zitting toegelicht dat hij van meet af aan niet goed is meegenomen in het hele proces. Vervolgens heeft de vader weinig aansluiting kunnen vinden bij wat er gaande was. De omgang is daarnaast ook pas vrij laat op gang gekomen. De situatie bij de vader is veilig en stabiel en er zijn geen gronden om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De vader staat open voor elke vorm van hulpverlening en hij is van mening dat de terugplaatsing ook geleidelijk kan plaatsvinden zonder perspectiefonderzoek. De kinderen zijn erbij gebaat dat zij terugkeren naar hun vader. Tot anderhalf jaar geleden was hun veilige haven immers bij de vader. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd dat zal er een concreet plan moeten komen over de uitbreiding van de (onbegeleide) omgang en het overnachten van de kinderen bij vader en op welke termijn dit gaat gebeuren. De machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling is te lang. Begrijpelijkerwijs kunnen de kinderen niet ineens volledig teruggeplaatst worden bij de vader, maar een termijn van vier maanden is te lang.



4.3.
De moeder heeft te kennen gegeven dat de kinderen geaard zijn in het gezinshuis en zich daar zeer prettig en thuis voelen. De kinderen worden goed verzorgd en ondersteund. Ook op school hebben zij vriendjes en vriendinnetjes gemaakt en zijn zij inmiddels geaard. Het is de wens van moeder dat de kinderen zullen opgroeien in het pleeggezin waar zij stabiliteit en rust ervaren. Moeder is blij dat ze niet meer klem zitten tussen de ouders en dat ze vrij en onbezorgd kind kunnen zijn. De situatie moet blijven zoals deze is volgens moeder. De kinderen hebben veel meegemaakt in hun jonge leven en verandering zou negatieve gevolgen hebben voor hun ontwikkeling.





5De beoordeling


5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog steeds noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.



5.2.
Hoewel ter zitting duidelijk naar voren is gekomen dat de GI de bedoeling heeft om de kinderen terug te plaatsen bij de vader, is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nu nog nodig. Vanuit de huidige stabiele situatie in het gezinshuis wil de GI de omgangsregeling met de vader de komende periode verder uitbreiden naar onbegeleide omgang, de huidige omgangsmomenten verder uitbreiden zoals met overnachtingen in de thuissituatie bij de vader. De hulpverleningsorganisatie die nu de begeleide omgangen verzorgt kan hoogstwaarschijnlijk ook het perspectiefonderzoek doen. De kinderrechter is met de GI van mening dat dit snel opgepakt zal moeten worden en het liefst parallel loopt in de periode dat de omgangen uitgebreid worden. De kinderrechter heeft begrip voor de vader die een dubbel gevoel heeft dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moet worden. De kinderrechter hecht er echter belang aan dat de terugplaatsing bij vader op een zorgvuldige manier verloopt. Dit houdt ook in dat de GI de vader op detailniveau meeneemt in het proces van terugplaatsing, waaronder een concreet schema van de uitbreidingen van de contactmomenten en op welke termijn een en ander plaatsvindt. Verder is het voor de vader in de komende periode belangrijk om helder te krijgen welke vragen hij bij de GI neer kan leggen en welke bij het gezinshuis. De kinderrechter heeft de verwachting dat het op handen zijnde gesprek tussen de GI, de gezinshuisouders en vader voor vader al de nodige duidelijkheid verschaft. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen zoals verzocht. Zoals ook ter zitting is besproken hoeft dit geenszins te betekenen dat de kinderen ook daadwerkelijk tot 3 juni 2026 in het gezinshuis zullen verblijven. Indien eerder duidelijk is dat de kinderen bij de vader teruggeplaatst kunnen worden, en dat ook in het belang van de kinderen is, dan heeft de GI toegezegd dat zij hier gehoor aan geeft.



5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing

De kinderrechter:


6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg tot 3 juni 2026;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.












































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
Link naar deze uitspraak