|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:1507 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/436763 / JE RK 25-11 C/02/436763 / JE RK 25-11 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Moeder akkoord met gehandhaafde verzoek GI verlenging restantdeel OTS en MUHP | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436763 / JE RK 25-1123
Datum uitspraak: 5 februari 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Erkens uit Den Haag,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 5 augustus 2025 met alle daarin vermelde stukken;
- de brief van de GI met bijlagen van 14 januari 2026.
1.2.
Op 5 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
Bij beschikking van 27 juli 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 juli 2020 en tot 10 augustus 2020.
2.4.
Bij beschikking van 6 augustus 2020 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 augustus 2020 en tot 6 augustus 2021. Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 25 februari 2021. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 augustus 2025, te weten met ingang van 6 augustus 2025 en tot 6 februari 2026.
2.5.
Bij beschikking van 1 juli 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 1 juli en tot 15 juli 2022.
2.6.
Bij beschikking van 7 juli 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 15 juli en tot 1 september 2022.
2.7.
Bij beschikking van 7 februari 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 februari 2023 en tot 21 februari 2023 en is iedere verdere beslissing over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aangehouden.
2.8.
Bij beschikking van 10 februari 2023 is de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 21 februari 2023 en tot 7 maart 2023.
2.9.
Bij beschikking van 23 februari 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 23 februari 2023 en tot 6 augustus 2023.
2.10.
Bij beschikking van 26 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 6 augustus 2023 en tot 6 oktober 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 augustus 2025, te weten met ingang van 6 augustus 2025 en tot 6 februari 2026.
2.11.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging in het [gezinshuis 1] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor de verzoeken van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen met ingang van 6 februari 2026 en tot 6 augustus 2026.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. De GI heeft op 10 september 2025 een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel ingediend bij de Raad. De GI heeft begrepen dat de Raad in januari 2026 is gestart met het onderzoek. De moeder is het volstrekt niet eens met het raadsonderzoek. Zij heeft één keer in de twee weken omgang met de kinderen vanuit het omgangshuis. Dit verloopt goed en rustig.
De kinderen vinden het moeilijk omdat zij, en dan met name [minderjarige 1] , zich veel zorgen maken om de moeder. De huidige bezoekfrequentie vraagt veel van de kinderen in combinatie met school en hun sociale leven.
Het lukt de moeder om op dit moment hulpverlening voor zichzelf te aanvaarden. Voor zover bekend is zij vrij van middelengebruik en er lijkt een wat stabielere situatie te ontstaan, maar er blijft sprake van een wankel evenwicht.
Helaas is in oktober 2025 duidelijk geworden dat er bij de vader sprake is van gebruik van harddrugs, dit is naar voren gekomen na een Veilig Thuis melding vanuit de spoedeisende hulp waar de vader werd opgenomen na een overdosis. De GI heeft naar aanleiding hiervan besloten om de bezoeken van de kinderen aan de vader bij hem thuis stop te zetten en deze aan te vragen bij [hulpverlening] en het omgangshuis. Helaas is er tot op heden geen plek in het omgangshuis.
De GI vindt het voor de kinderen van belang dat hun perspectief duidelijk wordt. Zij hebben last van de onduidelijkheid of thuiswonen een optie gaat zijn en maken zich hier zorgen over. Over het door de GI eerder genomen perspectiefbesluit geeft de GI aan dat dit destijds op goede gronden is genomen.
4.2.
Namens en door de moeder is aangegeven dat zij kan instemmen met de verzoeken van de GI tot verlenging van de maatregelen. Wel zou de moeder graag de komende periode willen laten zien dat zij een goede moeder is en ook de nodige ondersteuning krijgen om de ouderlijke verantwoordelijkheid weer te kunnen aanvaarden. De moeder is van mening dat de GI onjuist handelt door vast te houden aan het eerdere perspectiefbesluit. De moeder is al een jaar en twee maanden clean. Zij werkt er hard aan om een goede moeder te zijn en te blijven. Zij zou graag de kans krijgen om dat de komende periode te laten zien. De omstandigheden van de moeder zijn nu anders dan op het moment dat het perspectiefbesluit door de GI werd genomen.
De moeder heeft al sinds november 2025, ondanks meerdere berichten van haar kant, geen contact meer gehad met (de vervanger van) de huidige jeugdbeschermer. Op de laatste brief van de GI staat de naam van de huidige jeugdbeschermer. Voor de moeder is op dit moment volstrekt onduidelijk of de vaste jeugdbeschermer nu weer aan het werk is of dat er nog steeds een vervanger is. Zij verzoekt de GI om duidelijkheid hieromtrent.
De GI moet zolang er nog een machtiging tot uithuisplaatsing loopt werken aan het daarbij behorende doel, te weten terug thuisplaatsing van de kinderen.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijk beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter zal het resterende deel van het (onweersproken) verzoek van de GI toewijzen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven vanaf juni 2023 in het [gezinshuis 2] . Zij hebben daar hun plek gevonden en komen daar toe aan hun ontwikkeling. De moeder is het niet eens met het door de GI genomen perspectiefbesluit, maar staat wel achter de verlenging van de huidige maatregelen.
5.7.
De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling al ruim vijfeneenhalf jaar loopt. De GI heeft een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel ingediend bij de Raad. Dit onderzoek is inmiddels in januari 2026 gestart. Dat betekent dat er de komende periode ook duidelijkheid kan gaan komen over het perspectief van de minderjarigen en het al dan niet voortzetten van de maatregelen.
5.8
Het is op dit moment niet aan de kinderrechter om het door de GI genomen perspectiefbesluit definitief te toetsen. Zij kan het perspectiefbesluit wel betrekken bij de beoordeling van andere aan haar voorgelegde verzoeken die in de wet zijn geregeld, zoals een machtiging tot uithuisplaatsing. Als de kinderrechter dit doet, heeft het oordeel over het perspectiefbesluit een voorlopig karakter.
5.9
Op basis van de eerdere beschikking van augustus 2024 met daarin duidelijk opgenomen waaraan de moeder zal moeten voldoen en wat zij zal moeten laten zien, in combinatie met de persoonlijke situatie van de moeder die daarop is gevolgd (langdurige opname GGZ, middelengebruik en daardoor verminderde bereikbaarheid) en het patroon dat zich al jaren lijkt te herhalen, stelt de kinderrechter vast dat de GI het perspectiefbesluit in mei 2025 op deze wijze heeft kunnen nemen. Dit betreft nogmaals een voorlopig oordeel.
5.10
De kinderrechter stelt daarnaast vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment niet terug naar de moeder kunnen. Aan de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing wordt nog steeds voldaan.
5.11
De GI dient de komende periode te bekijken hoe de omgang tussen de moeder en de minderjarigen verloopt en of er mogelijkheden zijn om de omgang uit te breiden of in een andere vorm te laten plaatsvinden. Dat kan gelijktijdig met het raadsonderzoek plaatsvinden. Het door de GI genomen perspectiefbesluit mag hier niet aan in de weg staan.
5.12
De GI dient daarnaast gedurende de gehele looptijd van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing te blijven communiceren met – in dit geval – de moeder. Het kan niet zo zijn dat de moeder niet weet wie de jeugdbeschermer is die deze casus onder zich heeft, nu de jeugdbeschermer die de casus had klaarblijkelijk ziek is. De GI dient aan de moeder uit te leggen hoe het kan dat de naam van de jeugdbeschermer vervolgens wel onder de laatste briefrapportage staat. Ook dient de moeder op de hoogte te worden gebracht van wie nu de jeugdbeschermer is en dient er contact met de moeder te worden opgenomen.
5.13
De kinderrechter zal, nu de kinderen in een gezinshuis verblijven, de navolgende machtiging afgeven.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 6 februari 2026 en tot 6 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 februari 2026 en tot 6 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|