|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:1960 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | 25/4775 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Het college heeft terecht het recht op bijstand van eisers ingetrokken vanwege verzwegen werkzaamheden als behanger. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | burgerlijk wetboek | | | heffingskorting | | | inkomstenbelasting | | | levensonderhoud | | | loonbelasting | | | uitkering | | | wet op de loonbelasting | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4775
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] , uit [plaats] , tezamen eisers
(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van eisers vanwege verzwegen werkzaamheden. Eisers zijn het niet eens met deze intrekking. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht is overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering vanwege schending van de inlichtingenplicht.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht is overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eisers ontvingen sinds 9 februari 2011 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een gezin.
4. Het college heeft onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eisers. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het ‘rapport van Bevindingen gezin Verzwegen werkzaamheden/inkomsten’ van 14 mei 2025.
5. Met het besluit van 4 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering ingetrokken over de periode 17 oktober 2017 tot en met 30 april 2025 (de periode in geding) wegens schending van de inlichtingenplicht. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6. Met het besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit) is het college bij de intrekking gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
7. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Op de zitting is ook het beroep van eisers tegen de terugvordering behandeld. Daarover doet de rechtbank op een gelijke datum apart tussenuitspraak (zaaknummer 25/5168). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
8. Hoewel het bestreden besluit in de aanhef enkel eiser noemt, gaat de rechtbank er vanuit dat het tot eisers beiden is gericht, omdat het primaire besluit ook aan beiden is gericht en het bezwaarschrift namens beiden is ingesteld. Eisers zijn daarom ook beiden ontvankelijk in hun beroep.
9. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder terecht is overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht over de periode in geding.
10. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandsverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
11. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.
12. Eiser heeft tijdens de periode in geding op sociale media (Facebook, Instagram en Marktplaats) onder andere onder de naam ‘ [naam] ’ vele berichten/foto’s geplaatst waarop behangen muren te zien zijn en op een aantal daarvan staat een persoon aan het werk met zijn rug gekeerd naar de camera. Naast deze geplaatste berichten zijn er getuigenverklaringen van opdrachtgevers waarin wordt erkend dat eiser voor hen heeft gewerkt en dat de klussen contant zijn afgerekend. Ook hebben zij eiser herkend op de geplaatste berichten/foto’s.
13. De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat er sprake is geweest van middelen in de vorm van inkomen zoals volgt uit artikel 31 van de Pw tijdens de periode in geding doordat eiser werkzaamheden heeft verricht als behanger. Eiser heeft dit op de zitting ook onderkend. Verder is de rechtbank van oordeel dat door deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit niet te melden aan het college, eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Ook dit is op de zitting niet meer in geschil tussen partijen.
14. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Centrale Raad van Beroep heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld.
15. Eiser voert aan dat het college zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet schattenderwijs kan worden vastgesteld. Het recht op bijstand kan aan de hand van de geplaatste berichten op sociale media namelijk wel worden vastgesteld. Voor de maanden dat geen berichten op sociale media zijn geplaatst had het college aan moeten nemen dat eiser geen inkomsten als behanger had en over die maanden kan het recht op bijstand dus worden vastgesteld.
16. De rechtbank gaat daar niet in mee. Voor zover er maanden zijn waarin geen berichten op sociale media zijn geplaatst is dat op zichzelf geen concreet feit waaruit blijkt dat die maanden geen werkzaamheden zijn verricht. Foto’s kunnen later zijn geplaatst en niet alle werkzaamheden hoeven te zijn geplaatst. Ook kunnen betalingen eerder of later zijn verricht dan dat de werkzaamheden zijn gedaan. Voor zover eiser stelt dat hij steeds van iedere feitelijke werkzaamheid in de maand waarop die werkzaamheid is verricht, een bericht heeft geplaatst en de berichten daarom een volledig beeld geven, had het op zijn weg gelegen dat aannemelijk te maken met nader bewijs. Bijvoorbeeld door eigen administratiegegevens over te leggen, zoals agenda’s. Dat heeft hij niet gedaan en de gevolgen daarvan komen, nu hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, voor zijn rekening. Bij gebreke aan (voldoende) concrete gegevens van de zijde van eisers of anderszins heeft het college zich daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet schattenderwijs kan worden vastgesteld. De uitkering is dan ook terecht over de hele periode in geding ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de bijstandsuitkering van eisers terecht heeft ingetrokken. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten naar aanleiding van deze zaak.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 17. Inlichtingenplicht
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 31. Middelen
1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32. Inkomen
1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
o a.betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
o b.betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 45. Vaststelling en betaling
1. De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. In afwijking van de eerste volzin wordt de vakantietoeslag, voorzover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden of zo veel eerder als de vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden volgend op de maand waarin de algemene bijstand is beëindigd.
Artikel 58. Terugvordering
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
i. 1°.de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
ii. 2°.bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
3. Indien een gemeente ingevolge artikel 42, derde lid, gehouden is kosten van bijstand over een bepaalde periode aan een andere gemeente te vergoeden, geschiedt de terugvordering over die periode, voorzover zij nog niet heeft plaatsgehad, door het college van eerstgenoemde gemeente.
4. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.
5. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
6. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
7. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd:
a. gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|