Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:1961 
 
Datum uitspraak:18-02-2026
Datum gepubliceerd:17-03-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:24/5168
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Tussenuitspraak - Eisers recht op bijstand is ingetrokken vanwege schending van de inlichtingenplicht. Het college vordert een bedrag aan bijstand van € 119.763,09 terug van eisers. De rechtbank is van oordeel dat een kenbare, evenwichtige belangenafweging ten aanzien van de terugvordering in het bestreden besluit ontbreekt. Dit gebrek is niet in het verweerschrift of op de zitting hersteld. De rechtbank doet daarom een tussenuitspraak en stelt het college in de gelegenheid het gebrek te herstellen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: 24/5168 T


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen


[eiser] (eiser) en [eiseres] , (eiseres), uit [plaats] , tezamen eisers
(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).



Procesverloop

1. Eisers ontvingen sinds 9 februari 2011 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een gezin.

2. Met het primaire besluit van 10 juli 2025 heeft het college een bedrag aan bijstand van € 119.763,09 van eisers teruggevorderd, omdat dit bedrag teveel is ontvangen na schending door eisers van de inlichtingenplicht. Het gaat daarbij om de periode van 17 oktober 2017 tot en met 30 april 2023 (de periode in geding).

3. Met het bestreden besluit van 5 september 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de terugvordering gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.

4. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Op de zitting is ook het beroep van eisers tegen de intrekking van de uitkering behandeld. Daarover doet de rechtbank op een gelijke datum apart uitspraak (zaaknummer 25/4775).

5. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen

6. Hoewel het bestreden besluit in de aanhef enkel eiser noemt, gaat de rechtbank ervan uit dat het tot eisers beiden is gericht, omdat het primaire besluit ook aan beiden is gericht en het bezwaarschrift namens beiden is ingesteld. Eisers zijn daarom ook beiden ontvankelijk in hun beroep.

7. De rechtbank beoordeelt of het college terecht is overgegaan tot terugvordering van de bijstandsuitkering vanwege schending van de inlichtingenplicht. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

8. Dat het hier gaat om een terugvordering na schending van de inlichtingenplicht is tussen partijen niet in geschil. Na een schending van de inlichtingenplicht is het college verplicht de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. Tussen partijen is in geschil of de aanwezigheid van dringende redenen, in de zin van artikel 58, achtste lid, van de Pw, voor het college aanleiding moet zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.

9. In de uitspraak van 10 december 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) een ruimere invulling gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw De Raad overweegt dat de wetgever de bijstandverlenende instantie een discretionaire bevoegdheid heeft gegeven bij de beslissing of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Bij de gebruikmaking daarvan moet de bijstandverlenende instantie een belangenafweging maken. Dat brengt, voor zover hier van belang, mee dat het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een evenwichtige belangenafweging. Tegenover het belang van de overheid bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van wat te veel ontvangen is, staat het belang van de betrokkene dat hij door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt. In dat verband moet naar het oordeel van de Raad niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het bestuursorgaan is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan worden aan eigen fouten van het bestuursorgaan die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.

10. Eisers doen een beroep op hun beider medische kwetsbaarheid en het feit dat zij vier jonge kinderen hebben. Zij stellen dat een evenwichtige belangenafweging in het bestreden besluit ontbreekt en wijzen daarbij op de rechtspraak van de Raad.

11. De rechtbank is van oordeel dat een kenbare, evenwichtige belangenafweging ten aanzien van de terugvordering in het bestreden besluit ontbreekt. Dit gebrek is niet in het verweerschrift of op de zitting hersteld. Het college vindt zwaarwegend dat eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden. Dat vindt de rechtbank navolgbaar.

12. Maar anders dan het college is de rechtbank van oordeel, dat ook de resterende hoge omvang van de vordering, de medische kwetsbaarheid van eisers, hun financiële situatie en het feit dat met de terugvordering het zwaarwegende belang van vier jonge kinderen wordt geraakt relevante omstandigheden zijn die meewegen in de belangenafweging. De rechtbank mist ook een integrale benadering waarin wordt meegewogen welk perspectief op terugbetaling aan het college bestaat op de middellange termijn. Dat de omvang van de vordering nog steeds groot is behoeft geen nadere uitleg. Ook de medische kwetsbaarheid van beiden is onderbouwd en niet betwist. De overweging in het bestreden besluit dat eiseres gebruik kan maken van een (medisch) netwerk overtuigt maar ten dele, omdat dat onverlet laat dat de terugvordering mogelijk grotere consequenties voor de gezondheid van eiseres heeft dan voor een gemiddeld persoon. Over eisers medische kwetsbaarheid heeft verweerder terecht overwogen dat eiser, anders dan hij steeds stelde, wel degelijk blijkt te kunnen werken. Maar ook dat laat onverlet dat nog steeds sprake is van twee medisch kwetsbare ouders waardoor er extra druk ligt op het gezin.

13. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij nu € 79, - per maand aflost op basis van de beslagvrije voet. De gezinsinkomsten bestaan uit wat hij verdient als behanger; een inkomen rond de bijstandsnorm. De rechtbank acht met betrekking tot de financiële situatie van het gezin in combinatie met de hoogte van de vordering van belang dat mee wordt gewogen welk reëel perspectief er is op volledige terugbetaling. En hoe zich dit verhoudt tot de druk die jarenlang op het gezin wordt gelegd. Er lijkt nu geen enkele prikkel te bestaan om de komende tien jaar meer te verdienen dan de beslagvrije voet. De vraag kan daarbij worden gesteld welke toegevoegde waarde het heeft om de hele periode van geding terug te vorderen, wanneer de reële grens van wat terugbetaald kan worden eenmaal in zicht is. Een aanmerkelijk kortere periode kan mogelijk meer perspectief opleveren, zonder dat de signaalwerking van de terugvordering verloren gaat.

14. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college inzichtelijk maken in het kader van de dringende redenen welke elementen zijn meegewogen, daarbij de elementen betrekken zoals genoemd in rechtsoverwegingen 13 en 14 en de zwaarte die daaraan wordt toegekend. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

15. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

16. De rechtbank wijst er verder op dat deze uitspraak er niet aan in de weg staat dat partijen onderling contact zoeken om overleg te voeren ter finale beslechting van het geschil.

17. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.



Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.








griffier


rechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw


Zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2195, in navolging van de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 en de conclusie van advocaat-generaal prof. mr. dr. R.H. de Bock van 10 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2086.


ECLI:NL:CRVB:2024:2195, r.o. 4.9.5 en 4.9.6.


De uitspraak van de Raad van 19 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:953.
Link naar deze uitspraak