|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:2015 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | 25/5650 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser deze te laat heeft ingediend. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en doet een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er in het geval van eiser bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Op basis van wat eiser naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraagdeadline door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5650
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Jethoe),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser deze te laat heeft ingediend. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en doet een beroep op de hardheidsclausule.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er in het geval van eiser bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Op basis van wat eiser naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraagdeadline door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 6 februari 2025 heeft eiser zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
2.1.
Met het besluit van 24 maart 2025 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Aanmelden kon tot en met 2 januari 2024 en eiser heeft onvoldoende redenen gegeven om op deze uiterste datum een uitzondering te maken.
2.2.
Met het bestreden besluit van 2 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door een collega.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen omdat deze te laat is ingediend.
3.1.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat slechts in zeer ernstige en ongebruikelijke situaties een termijnoverschrijding van meer dan één jaar als verschoonbaar wordt aangemerkt. Eiser heeft zijn aanvraag tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag niet zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs van hem kon worden verwacht ingediend. De wetgever heeft gekozen voor een ruime aanmeldtermijn van drie jaar zodat ouders genoeg tijd en ruimte hadden om zich aan te melden. De wetgever heeft nadrukkelijk rekening gehouden met ouders die mogelijk minder in staat waren om direct te handelen.
3.2.
In het verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat als uitgangspunt wordt genomen dat zeer bijzondere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden en/of een levensbedreigende situatie die gedurende het jaar vóór de deadline hebben plaatsgevonden (2023) kunnen hebben gezorgd voor een tijdelijke beperking van het doenvermogen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de ouder in verzuim is geweest. Volgens verweerder heeft eiser voor de periode 29 april 2021 tot en met 7 september 2023 geen medische onderbouwing aangeleverd aangaande het bestaan van klachten. Ook blijkt uit de gestelde diagnose niet dat sprake is van een ernstige psychische aandoening. Het betrof een lichte depressieve eenmalige episode, hetgeen volgens de DSM V niet als een ernstige diagnose kwalificeert. Ook heeft eiser geen (intensieve) behandeling gevolgd in 2023. Bovendien blijkt uit onder andere het feit dat eiser zelfstandig in staat was om een brief te schrijven aan de GGZ aangaande de beëindiging van zijn behandeling en dat eiser een uitkering heeft kunnen aanvragen, dat hij feitelijk doenvermogen had.
3.3.
Eiser doet, onder andere, een beroep op de hardheidsclausule. Eiser voert aan dat zijn doenvermogen in de aanvraagperiode dusdanig beperkt was, dat niet van hem verwacht kon worden dat hij tijdig een aanvraag indiende. Eiser heeft terugkerende depressieve klachten. Hiervoor heeft hij zich in twee periodes laten behandelen. In eerste instantie in de periode 7 mei 2020 tot 29 april 2021, door een psycholoog en een psychiater. Daarbij heeft eiser ook medicatie voorgeschreven gekregen. Na een jaar moest deze behandeling worden afgesloten, dit terwijl eiser de behandeling wilde voortzetten en niet het gevoel had klaar te zijn voor afsluiting van de behandeling. Desondanks werd de behandeling gestopt. Hiermee was eiser aangewezen op de zorg van de huisarts en de praktijkondersteuner voor psychische klachten (POH-GGZ). Omdat eiser klachten bleef houden, meldde hij zich op8 september 2023 opnieuw aan voor behandeling. Eiser is vervolgens van 13 februari 2024 tot 4 december 2024 behandeld door een psycholoog. Na afronding van de tweede behandeling heeft eiser zich zo snel mogelijk aangemeld voor een herbeoordeling. Eerder was hij mentaal gezien niet in staat om zich bezig te houden met zaken die niet waren gericht op zijn herstel. Eiser voert aan dat hij aanhoudend beperkt is geweest in zijn doenvermogen. Dat eiser niet aanhoudend is behandeld ligt niet aan de afwezigheid van klachten. Tot slot blijkt volgens eiser uit het feit dat hij relevante (rechts)handelingen heeft verricht niet dat hij doenvermogen heeft. Hij had daarbij hulp van zijn toenmalige vriendin, die dit soort zaken voor hem oppakte.
Overwegingen
4. Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
4.1.
Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.2.
Net als verweerder acht de rechtbank voor de toepassing van de hardheidsclausule mede uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van30 januari 2024 van belang. Uit deze uitspraken volgt dat er bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de betrokken aanvrager betreffen. Daarbij valt te denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval, en aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de aanvrager zorgen. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, acht de rechtbank een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiser bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanvraag van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Op basis van wat eiser naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraagdeadline door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was tijdig een aanvraag te doen.
4.4.
Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser na de eerste behandelperiode in 2020/2021 niet vrij was van klachten. Vervolgens heeft hij zich in september 2023 opnieuw aangemeld. De psycholoog heeft naar aanleiding van de tweede behandeling teruggekoppeld aan de huisarts dat eiser in de psychiatrische voorgeschiedenis bekend is met een depressieve episode, matig van ernst. Eisers hulpvraag bij de tweede behandeling was gericht op het begrijpen van de klachten en de afname van onrust en slaapproblemen, zodat eiser weer in staat is om dagelijkse activiteiten te ondernemen en te investeren in beroepsmatig functioneren. Eiser heeft aangegeven bij de psycholoog dat hij in 2020 met burn-out klachten is uitgevallen op werk. De psycholoog benoemt dat eiser kampte met spanningsklachten als woordvindproblemen, onrust en continue gevoelens van fysieke spanning namen geleidelijk toe, resulterend in oververmoeidheid en depressieve stemmingsklachten, waarvoor eiser destijds behandeling heeft gehad. Sinds het afsluiten van de eerste behandeling in 2021 zijn gevoelens van onrust, slapeloosheid, vermoeidheid, piekeren, fysieke spanning (onrust, hyperventileren) en concentratieproblemen weer toegenomen. De klachten belemmeren eiser in dagelijkse activiteiten, op beroepsmatig functioneren en in zijn rol als vader. Uit deze medische informatie leidt de rechtbank af dat eiser na de eerste behandeling niet uitbehandeld was. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat eiser vanaf januari 2020 niet meer aan het werk geweest.
4.5.
De rechtbank acht het niet doorslaggevend dat eiser in 2023 geen behandeling heeft gevolgd. Van belang is, of eiser psychisch gezien in staat was zich in 2023 aan te melden. Eiser heeft zowel voor als na 2023 psychische behandeling gevolgd. Sinds het afsluiten van de eerste behandeling in 2020/2021 zijn de klachten van eiser weer toegenomen. De rechtbank ziet in de medische informatie voldoende bevestigd dat eiser in 2023 last had van psychische klachten, die hem belemmerden in zijn mogelijkheden om rechtshandelingen te verrichten. Nu behandeling van de psychische klachten in 2023 uitbleef, kon, juist vanwege de aard van de klachten, niet van eiser verlangd worden dat hij zich bij verweerder meldde om een aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag te doen. De rechtbank acht het aannemelijk dat eisers klachten hem hebben belemmerd in zijn dagelijks functioneren en hem dusdanig in zijn doenvermogen hebben beperkt, dat van hem niet verwacht kon worden dat hij tijdig een aanvraag indiende. Verweerder heeft nog gewezen op de omstandigheden dat eiser een bief aan de GGZ heeft geschreven en een uitkering heeft aangevraagd. Op basis van deze omstandigheden ziet de rechtbank, anders dan verweerder, onvoldoende reden om feitelijk doenvermogen aan te nemen. De rechtbank acht het standpunt van eiser dat hij hierbij werd ondersteund door zijn toenmalige vriendin aannemelijk.
4.6.
Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank het niet aanvaardbaar dat eiser wordt tegengeworpen dat hij zijn aanvraag te laat heeft ingediend. Aan verweerder kan worden toegegeven dat de termijnoverschrijding relatief lang is (ruim een jaar). Dat eiser zijn aanvraag pas op 6 februari 2025 heeft ingediend heeft er – zoals eiser op de zitting heeft toegelicht – mee te maken dat hij zich sinds 2020 voor alles afsloot, waaronder van de toeslagenaffaire. Dat de termijnoverschrijding relatief lang is, brengt gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het doenvermogen van eiser, niet mee dat de termijnoverschrijding in het geval van eiser niet verschoonbaar is. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder met toepassing van de hardheidsclausule had moeten afwijken van de uiterlijke aanvraagdatum van 2 januari 2024.
4.7.
Omdat de meest verstrekkende beroepsgrond van eiser slaagt, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft ten onrechte de aanvraag van eiser afgewezen op de grond dat hij deze te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder alsnog een besluit nemen op de aanvraag van eiser. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het besluit van 24 maart 2025.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder de aanvraag inhoudelijk moet behandelen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 3.200,- (voor de beroepsfase 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1 en voor de bezwaarfase 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het besluit van 24 maart 2025;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na dat dag van verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen op de aanvraag van eiser;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,-aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 9.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3.
Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|