|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:5764 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 23/6816 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Pw, energietoeslag 2022, eiseres behoort niet tot de doelgroep op basis van het beleid van verweerder, deze afwijzingsgrond houdt geen stand, beroep gegrond. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | studiefinanciering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6816
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. C.J.A. van Vliet),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Breure).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de energietoeslag 2022 (hierna: energietoeslag) op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Met het primaire besluit van 27 oktober 2022 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 maart 2023 heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 11 oktober 2023 heeft rechtbank Rotterdam een verwijzingsbeslissing genomen en de zaak voor behandeling verwezen naar rechtbank Den Haag, omdat eiseres een medewerker is van rechtbank Rotterdam.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
1.5.
Op 15 december 2025 heeft eiseres een stuk overlegd waaruit blijkt dat zij J.C.A. van Vliet heeft gemachtigd.
1.6.
De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek nog nadere stukken van eiseres ontvangen, anders dan het stuk zoals vermeld onder 1.5. In artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken is bepaald dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet in de overige overgelegde stukken geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en laat deze dan ook verder buiten beschouwing.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres heeft op 10 augustus 2022 de energietoeslag aangevraagd. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres studiefinanciering ontvangt en daardoor niet tot de doelgroep voor de energietoeslag behoort. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. Hij is daarbij afgeweken van het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie. Verweerder wijst erop dat het hier gaat om de toepassing van een discretionaire bevoegdheid. De invulling daarvan, inclusief wie wel en niet tot de doelgroep behoort, is vastgelegd in de Beleidsregels energietoeslag Rotterdam 2022 (hierna: de Beleidsregels). Uitgangspunt van het beleid en van de weigering is dat de categoriale verstrekking van de energietoeslag (zonder individuele toetsing) terecht moet komen bij die groepen die in de regel te maken hebben met de extra energiekosten waar de toeslag voor bedoeld is. Bij de doelgroepen die uitgesloten zijn is toetsing op individueel niveau nodig. Studenten zijn van de categoriale verstrekking uitgesloten, omdat zij in de regel niet zelfstandig financieel verantwoordelijk zijn voor de betaling van de (gestegen) energierekening. Daarbij speelt een rol dat het inkomen van studenten op grond van de Pw anders wordt beoordeeld vanwege het hanteren van fictief inkomen naar de maximale norm op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Volgens verweerder is de individuele bijzondere bijstand voor studenten en dus ook voor eiseres een geschikter instrument. Verweerder acht het onderscheid tussen studenten en niet-studenten legitiem, proportioneel en doelmatig en dus gerechtvaardigd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag voor de energietoeslag.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres stelt dat de beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat en onverbindend moet worden verklaard. De motivering is zo algemeen dat geen recht wordt gedaan aan de feitelijke woonsituatie van studenten of het doel van de wet. Eiseres verzoekt om aan te sluiten bij hetgeen is bepaald door de lagere rechtbanken en het advies van de Raad van State. Ook vindt zij het onterecht dat verweerder heeft gesteld dat de studiefinanciering wordt meegenomen bij het bepalen van de hoogte van het inkomen. De studiefinanciering betreft een voorschot en is geen inkomen, zoals ook in het belastingrecht wordt geoordeeld. Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Pw wordt wel voorgeschreven dat studiefinanciering naar het normbedrag inkomen betreft, maar deze bepaling stamt uit de tijd dat de basisbeurs een niet terug te betalen beurs was. In 2015 is het leenstelsel ingevoerd. Volgens eiseres is dit een niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheid die de wetgever niet heeft voorzien. Toepassing van die wettelijke bepaling dient dan ook achterwege te blijven.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting erkend dat de afwijzing niet kan worden gehandhaafd. Zij heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1756. De CRvB heeft geoordeeld dat de betreffende bepaling in de Beleidsregels in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Verweerder mocht deze bepaling daarom niet als grondslag voor de afwijzing van de aanvraag van eiseres gebruiken.
6. Nu verweerder het bestreden besluit niet langer handhaaft, ligt ter bespreking nog slechts voor het verzoek om de proceskostenvergoeding waar eiseres om heeft verzocht en het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Proceskostenvergoeding
7. Eiseres heeft verzocht om een in proceskostenvergoeding in beroep.
8. Verweerder meent dat er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.
9. Eiseres heeft op 15 december 2025 een stuk overlegd waaruit de machtiging voor haar gemachtigde blijkt. In dit stuk wordt gesteld dat er een betalingsverplichting geldt tussen haar en de LSVb en dat de gemachtigde zowel werkzaam is voor de LSVb als voor een juridisch kantoor CumLaude Legal. Tevens heeft de gemachtigde een lijst van 30 zaaknummers overgelegd van zaken over de jaren 2023 tot en met 2025 waarin hij als rechtsbijstandsverlener is opgetreden in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij wijst erop dat in die zaken bij een gegrond beroep of toegewezen verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening een proceskostenveroordeling is uitgesproken.
10. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is gebleken dat de gemachtigde van eiseres beroepsmatig en voor een groot deel van de tijd rechtsbijstand verleent.
11. De rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb is verleend door de gemachtigde zodat in deze zaak een vergoeding voor de kosten van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt toegekend. Voor het indienen van een beroepschrift en het deelnemen aan de zitting worden 2 punten toegekend met een waarde per punt van € 934,-. De vergoeding wordt daarom bepaald op een bedrag van € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Overschrijding van de redelijke termijn
12. Eiseres heeft tijdens de behandeling ter zitting verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
12.1.
De termijn is aangevangen op 7 december 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit heeft ontvangen. De redelijke termijn eindigde derhalve op 7 december 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 14 maanden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiseres aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Met de overschrijding van 14 maanden correspondeert een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,-.
12.2.
Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechtbank.
12.3.
Anders dan voorheen kent de rechtbank niet langer standaard een proceskostenvergoeding ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn toe. Aangezien de gemachtigde niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van dit verzoek een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag berust. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Ook zal de rechtbank niet zelf een beslissing over de aanvraag om energietoeslag nemen. Dit omdat de rechtbank daarvoor over onvoldoende informatie beschikt.
13.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht en de gemaakte proceskosten in beroep aan eiseres vergoeden.
13.3.
Ook krijgt eiseres een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 maart 2023;- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|