|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:3488 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 23/7592 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), recht op compensatie. De Dienst Toeslagen had de hardheidsclausule moeten toepassen. Gelet op de gang van zaken bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag voor 2017 en de vaststelling van het recht op compensatie, het belang dat eiseres heeft bij de status als gedupeerde en het doel van de hersteloperatie, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als de status van eiseres als gedupeerde niet zou worden gehandhaafd. | | Trefwoorden | : | forfaitair | | | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7592
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [persoon A] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor toeslagjaar 2017. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen. Gelet op de gang van zaken bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag voor 2017 en de vaststelling van het recht op compensatie, het belang dat eiseres heeft bij de status als gedupeerde en het doel van de hersteloperatie, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als de status van eiseres als gedupeerde niet zou worden gehandhaafd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 31 december 2021 met kenmerk [kenmerk 1] heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 31 december 2021.
2.2.
Met het besluit van 18 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 december 2021 ongegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en, namens de Dienst Toeslagen, [persoon B] en [persoon C] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen, [persoon A] .
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 15 februari 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 26 mei 2021 met kenmerk [kenmerk 2] heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een forfaitair bedrag van € 30.000,- toegekend op grond van artikel 2.7 van de Wht. In het besluit van 31 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat er geen fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in het toeslagjaar 2017. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat zij wel recht heeft op compensatie. Na een scheiding in 2016 had zij kinderopvang nodig. Eerst werd haar ex-partner en vanaf januari 2017 haar verhuurder aangemerkt als toeslagpartner. Zij was in de veronderstelling dat zij hierdoor geen recht had op kinderopvangtoeslag. Zij nam aan dat dit gecorrigeerd moest worden alvorens zij een aanvraag kon doen. Zij heeft meermaals contact opgenomen met de Dienst Toeslagen om tot een oplossing te komen. De Dienst Toeslagen heeft gezegd dat eiseres de kinderen kon inschrijven bij een kinderopvanginstelling, omdat de kinderopvangtoeslag achteraf gecorrigeerd kon worden. Vanaf januari 2017 heeft zij kinderopvang afgenomen en met de kinderopvanginstelling afgesproken dat zij de facturen kon voldoen nadat de kinderopvangtoeslag aan haar zou worden toegekend. Zij heeft meermaals getracht bewijsstukken aan te leveren om aan te tonen dat de verhuurder geen toeslagpartner was. Vervolgens is er alsnog geen kinderopvangtoeslag toegekend, omdat eiseres geen aanvraag zou hebben gedaan. Hierdoor is een schuld van ongeveer € 7.000,- bij de kinderopvanginstelling ontstaan.
4.1.
Met de beslissing op bezwaar van 22 januari 2020 is in het kader van een herzieningsverzoek alsnog een aanvraag voor kinderopvangtoeslag voor het jaar 2017 in behandeling genomen. Met het besluit van 18 februari 2020 is aan eiseres kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 toegekend. Met het besluit van 6 maart 2020 is de kinderopvangtoeslag over 2017 definitief vastgesteld.
4.2.
Ten aanzien van eiseres is vooringenomen gehandeld voor het jaar 2017. Ook is sprake van hardheid van het wettelijk stelsel omdat haar nadeel, ondanks dat de definitieve beschikking € 1.366,- bedraagt, hoger is dan € 1.500,-. Verder is er geen toepassing gegeven aan de uitloopregeling van zes maanden na werkloosheid.
4.3.
Subsidiair beroept eiseres zich op de hardheidsclausule. Bij eiseres is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard omdat er bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 fouten zijn gemaakt. Ook zijn er fouten gemaakt bij de vaststelling van het recht op compensatie, waardoor eiseres grote financiële problemen heeft.
4.4.
Eiseres doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Standpunt van de Dienst Toeslagen
5. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiseres in 2017 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Pas bij een beslissing op bezwaar van 22 januari 2020 in het kader van een herzieningsverzoek heeft de Dienst Toeslagen alsnog kinderopvangtoeslag toegekend voor het toeslagjaar 2017. Omdat de Wht alleen ziet op de wijze waarop vóór 23 oktober 2019 uitvoering is gegeven aan de kinderopvangtoeslag, komt eiseres niet in aanmerking voor compensatie. Ook heeft eiseres geen schade geleden, omdat aan haar voor dat jaar alsnog kinderopvangtoeslag is toegekend voor een bedrag van € 1.366,-. Er is geen sprake van vooringenomen handelen, omdat er geen nihilstellingen of neerwaartse correcties zijn geweest en er is geen sprake van hardheid van het wettelijke stelsel, omdat het drempelbedrag van € 1.500,- niet is bereikt.
Recht op compensatie voor het toeslagjaar 2017
6. Voor de beoordeling van de vraag of eiseres recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2017 is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kent compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat die uitvoering heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het wettelijke systeem.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat er geen sprake is van vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2017. Zoals volgt uit de Memorie van Toelichting gaat het bij institutionele vooringenomenheid niet alleen om collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, maar vooral ook om het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken; gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook was sprake van het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. Bij eiseres was hiervan geen sprake.
6.2.
Eiseres heeft in 2017 meerdere keren contact opgenomen met de Dienst Toeslagen om de problemen die zijn ontstaan door het aanmerken van haar verhuurder als toeslagpartner, op te lossen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de Dienst Toeslagen eiseres hierbij onjuist heeft geadviseerd en geïnformeerd. Voor huurtoeslag geldt dat als een toeslagpartner een te hoog inkomen heeft, er geen recht op huurtoeslag bestaat, zodat een aanvraag daarvoor geen zin heeft als de toeslagpartner nog als zodanig staat geregistreerd. Voor de kinderopvangtoeslag ligt dat anders. Weliswaar is het inkomen van een toeslagpartner van invloed op de hoogte van de kinderopvangtoeslag, maar ook bij een hoog inkomen bestaat recht op kinderopvangtoeslag. Bovendien is het niet verstandig om te wachten met het indienen van een aanvraag kinderopvangtoeslag, omdat in beginsel alleen kinderopvangtoeslag kan worden toegekend voor de periode vanaf – kort gezegd – drie maanden voor de aanvraag. De rechtbank acht het aannemelijk dat als gevolg van de onjuiste advisering en het onvoldoende informeren van eiseres door de Dienst Toeslagen, eiseres geen formele aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Uit de telefoonnotitie van de Dienst Toeslagen van 19 april 2017 volgt dat de Dienst Toeslagen destijds vond dat eiseres niet volledig was geïnformeerd: “Behandelaar had [onderhuur] brief moeten versturen.” Dat eiseres destijds niet alleen contact had opgenomen over de huurtoeslag, blijkt uit de telefoonnotitie van 1 juni 2017: “ [persoon D] geeft aan of er ook nog na beoordeling contact opgenomen kan worden ivm aanvraag kot.” Hieruit leidt de rechtbank af dat de Dienst Toeslagen bij de gesprekken met eiseres kennelijk zelf ook in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat het probleem met de toeslagpartner opgelost moest worden voordat de vaststelling van de kinderopvangtoeslag kon plaatsvinden. Nota bene in het verweerschrift in deze beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen (ten onrechte) gesteld: “De ouder was ervan op de hoogte dat zij destijds – omdat sprake was van een toeslagpartner – niet in aanmerking zou komen voor toeslagen, waaronder de kinderopvangtoeslag.” De Dienst Toeslagen heeft dus in deze beroepsprocedure dezelfde onjuiste informatie verstrekt als aan eiseres destijds. De rechtbank ziet echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het onjuiste advies en de onvolledige informatie die de Dienst Toeslagen aan eiseres heeft verstrekt, het gevolg zijn geweest van institutioneel vooringenomen handelen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ook terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie vanwege hardheid van het wettelijke systeem. Op grond van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht wordt geen compensatie toegekend voor schade als gevolg van hardheid als over een toeslagjaar minder dan € 1.500,- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500,- is verlaagd. In het toeslagjaar 2017 was geen sprake van een terugvordering of vermindering. Aan eiseres is, naar aanleiding van een herzieningsverzoek, met de beschikking van 18 februari 2020 alsnog kinderopvangtoeslag toegekend voor toeslagjaar 2017 voor een bedrag van € 1.366,-.
6.4.
Het voorgaande betekent dat eiseres niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor het recht op compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Hardheidsclausule
7. Eiseres doet subsidiair een beroep op de hardheidsclausule. Zij betoogt dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard omdat er zowel bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag als bij de vaststelling van het recht op compensatie fouten zijn gemaakt die schrijnende gevolgen voor haar hebben gehad. Het ongedaan maken van de status van eiseres als gedupeerde heeft nadelige gevolgen gehad voor de gezondheid van eiseres. Sinds 2017 – toen de problemen met de kinderopvangtoeslag begonnen – kampt eiseres met hartritmestoornissen en heeft zij negen operaties ondergaan. Op de zitting van 10 december 2025 heeft eiseres verklaard dat zij nog een operatie zal moeten ondergaan. De onzekerheid over haar status als gedupeerde komt haar herstel niet ten goede. Een deel van de private schulden van eiseres is al overgenomen op grond van de Wht, maar zij krijgt geen uitsluitsel over de vraag of dit wel of niet zal worden teruggedraaid, nu zij niet meer als gedupeerde is aangemerkt. Ook komt zij, nu zij niet meer wordt aangemerkt als gedupeerde, niet meer in aanmerking voor de zogenoemde brede ondersteuning door de gemeente en de aanvullende compensatie voor werkelijke schade en komen haar kinderen niet in aanmerking voor de kindregeling. Samen met de gemeente was al in een plan van aanpak vastgelegd welke ondersteuning zij zou krijgen bij het inrichten van haar nieuwe woning, maar dit is teruggedraaid. Voor eiseres is het belangrijk dat zij erkenning krijgt voor de fouten die zijn gemaakt en de schade die dat heeft veroorzaakt.
7.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kan afwijken van artikel 2.1 van de Wht voor zover toepassing daarvan, gelet op het doel en de strekking van die bepaling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
7.2.
De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat de hardheidsclausule toe te passen. De Dienst Toeslagen heeft in dit dossier geen fouten gemaakt. Het was de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om in 2017 kinderopvangtoeslag aan te vragen. Zelfs als de Dienst Toeslagen een onjuist advies zou hebben gegeven, dan geldt dat de hersteloperatie niet bedoeld is om incidentele misslagen te herstellen.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst Toeslagen in redelijkheid niet de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Er is sprake van een bijzondere en schrijnende situatie. De rechtbank licht dit hierna toe.
7.3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Dienst Toeslagen bij de beoordeling van de hardheidsclausule is uitgegaan van een onjuiste weergave van de feiten. Anders dan de Dienst Toeslagen, is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat eiseres in 2017 geen aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend omdat zij door een onjuist advies van de Dienst Toeslagen in de onjuiste veronderstelling is komen te verkeren dat eerst haar toeslagpartner moest worden gewijzigd voordat zij in aanmerking zou komen voor kinderopvangtoeslag. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 6.2 is overwogen. Als eiseres eerder een beschikking over kinderopvangtoeslag had ontvangen, had zij eerder kunnen inzien dat zij ook zonder toeslagpartner de kosten van de kinderopvang niet volledig vergoed zou krijgen en de kinderopvang direct kunnen stopzetten. Ook had eiseres met de kinderopvangtoeslag de kinderopvang ten minste gedeeltelijk kunnen betalen. In werkelijkheid is de schuld aan de kinderopvang opgelopen tot bijna € 7.000,-. Deze schuld heeft ernstige financiële problemen veroorzaakt. Uit het dossier rijst het beeld van een ouder die in moeilijke omstandigheden – haar ex-partner had haar en haar kinderen op straat gezet – geprobeerd heeft juist te handelen en daarover veelvuldig met de Dienst Toeslagen contact heeft opgenomen, maar door een onjuist advies van de Dienst Toeslagen in ernstige financiële problemen is geraakt. In zoverre vertoont de situatie van eiseres overeenkomsten met typische gevallen van de toeslagenaffaire, waarbij door toedoen van de Dienst Toeslagen goedwillende burgers , die vaak al in moeilijke omstandigheden verkeerden, in (verdere) ernstige financiële problemen werden gebracht.
7.3.2.
Het onjuiste handelen van de Dienst Toeslagen in 2017 betekent op zichzelf niet dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. In het geval van eiseres doet zich echter de bijzonderheid voor dat zij aanvankelijk wel als gedupeerde is aangemerkt. Met een besluit van 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen bepaald dat eiseres als gedupeerde in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. In dit besluit is vermeld: “Wij zijn blij u te melden dat u een vergoeding krijgt voor wat u in het verleden hebt meegemaakt.” In een brief van 4 december 2021 van de staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane aan eiseres is vermeld: “Namens het kabinet bied ik u onze oprechte excuses aan. Wij hadden u nooit zo mogen behandelen.” Eiseres heeft toegelicht dat de erkenning als gedupeerde en de gemaakte excuses voor haar bijzonder belangrijk waren, gezien de grote problemen die zij heeft gehad. Eiseres heeft ook toegelicht dat het voor haar bijzonder moeilijk was toen zij te horen kreeg dat haar erkenning als gedupeerde weer was teruggedraaid. Het doel van de hersteloperatie is, naast het bieden van een breed en samenhangend herstel aan gedupeerden, bij te dragen aan herstel van vertrouwen in de overheid; in het bijzonder het vertrouwen van gedupeerden, maar ook het vertrouwen van de samenleving als geheel. Het vertrouwen van eiseres in de overheid is als gevolg van de onjuiste handelwijze van de Dienst Toeslagen in 2017 geschonden. Bij de toekenning van het forfaitaire bedrag is een begin gemaakt met het herstel van dat vertrouwen. Dit herstel is vervolgens bij het verlies van haar status als gedupeerde weer ongedaan gemaakt.
7.3.3.
Hoewel eiseres het bedrag van € 30.000,- niet terug hoeft te betalen, is het verlies van deze status voor eiseres om nog andere redenen nadelig. De private schulden van eiseres zijn deels afbetaald op grond van de Wht, maar de Dienst Toeslagen heeft niet kunnen uitsluiten dat dit door de minister van Financiën zal worden teruggedraaid. Daarnaast komt eiseres momenteel niet in aanmerking voor de overname van al (met de verkregen compensatie) betaalde schulden. Verder was in het kader van de brede ondersteuning op grond van de Wht voor eiseres een plan van aanpak opgesteld, maar is de uitvoering daarvan stilgelegd omdat eiseres niet meer de status van gedupeerde heeft. Eiseres heeft dus een (groot) belang bij het behoud van haar status als gedupeerde. Dan weet zij namelijk zeker dat de overname van private schulden niet zal worden teruggedraaid en dat zij aanspraak kan maken op bijkomende herstelregelingen, zoals de brede ondersteuning en de overname van al met het compensatiebedrag betaalde private schulden. Het belang van de Dienst Toeslagen bij ongedaanmaking van de status van eiseres als gedupeerde is slechts beperkt, omdat eiseres het ontvangen compensatiebedrag hoe dan ook niet hoeft terug te betalen.
7.3.4.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, en gelet op de omstandigheid dat eiseres ook nu nog kampt met ernstige medische omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als de status van eiseres als gedupeerde niet zou worden gehandhaafd. De Dienst Toeslagen had daarom de hardheidsclausule moeten toepassen.
7.4.
De beroepsgrond slaagt. Gelet hierop behoeven de overige gronden van eiseres geen bespreking meer.
Beroep niet-tijdig beslissen
8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 31 december 2021, is niet ontvankelijk, omdat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog op die bezwaren heeft beslist en eiseres in zoverre geen procesbelang meer heeft bij het beroep.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de bezwaren tegen het besluit van 31 december 2021, is niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen waaruit volgt dat eiseres wordt erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen moet hierbij de hardheidsclausule toepassen. Het is aan de Dienst Toeslagen om een compensatiebedrag vast te stellen. De rechtbank merkt daarbij op dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat de Dienst Toeslagen ook in andere gevallen waarin geen sprake is van een beschikking tot het verminderen of niet-toekennen van kinderopvangtoeslag, toch een compensatiebedrag vaststelt. Verder heeft de Dienst Toeslagen in deze zaak in zijn brief van 12 maart 2025 een berekening van een compensatiebedrag opgenomen, waarbij de Dienst Toeslagen is uitgegaan van de fictieve situatie dat de uiteindelijk toegekende kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2017 ten onrechte zou zijn teruggevorderd. De rechtbank merkt tot slot op dat het belang van de bepaling van het precieze compensatiebedrag beperkt is, omdat eiseres het forfaitaire bedrag van € 30.000,- al heeft ontvangen en zij dit bedrag niet hoeft terug te betalen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.134,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, voorzitter, en mr. S. Veling en mr. C.A. Hage, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 2.1, vierde lid, van de Wht.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 70.
Zie Bijlage I bij het Besluit kinderopvangtoeslag, zoals geldend op 1 januari 2017.
Artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zoals geldend op 1 januari 2017.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 5.
Artikel 2.2, aanhef en onder a, van de Wht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|