|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:390 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-03-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-24/1004 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Artikel 8:55 Awb. Verzet. Het Hof hecht geloof aan de verklaring dat de gronden van het hoger beroep op 24 januari 2025 in de brievenbus van het Paleis van Justitie in Den Haag zijn gedeponeerd. De gronden zijn derhalve tijdig ingediend. Desondanks is het verzet niet gegrond. Evenmin als voor de Rechtbank is voor het Hof duidelijk welk besluit het aanknopingspunt vormt voor de procedure. Zolang dat niet wordt opgehelderd kan een hoger beroep belanghebbende niet in een betere positie brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen. Het hoger beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | erfgenamen | | | erfrecht | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1004
Uitspraak van 17 februari 2026
op het verzet van [X] te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van het Hof van 28 augustus 2025.
Procesverloop
1.1.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138.
1.3.
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 28 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep.
1.4.
Belanghebbende heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het Hof van 28 augustus 2025.
1.5.
Het verzet is behandeld ter zitting van het Hof van 3 december 2025. Aldaar zijn belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur) verschenen.
Vaststaande feiten
2.1.
Het beroepschrift in eerste aanleg vermeldt:
“Hierbij teken ik mede namens de andere erfgenamen pro forma beroep aan tegen het niet nemen van een beslissing op bezwaar. Op 4 april [2023] is het bestuursorgaan in gebreke gesteld. Nadien is er zowel telefonisch als tijdens een bezoek aan het belastingkantoor […] op 15 november [2023] contact geweest met een ambtenaar van de afdeling erfbelasting om de zaak op te lossen. Bij mij bestaat zeer sterk de indruk dat deze ambtenaar door een leidinggevende is teruggefloten de zogenaamde "Palmendoctrine". Teneinde een termijnoverschrijding te voorkomen teken ik zoals hierboven al is aangegeven pro forma beroep aan. (…)
2.2.
De Rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 23 mei 2024 als volgt geïnformeerd:
“U bent bij deze rechtbank in beroep gegaan tegen het uitblijven van een besluit. Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw beroepschrift. Uw beroep is bij ons geregistreerd onder zaaknummer SGR 24 / 3936 ERF.
Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
- een kopie in te dienen van het bezwaarschrift waarop niet tijdig is beslist;
- te vermelden waarom u in beroep bent gegaan (de gronden van het beroep);
- een kopie in te dienen van de brief waarmee u het bestuursorgaan heeft meegedeeld dat het in gebreke is en meedelen op welke datum u die brief bij het bestuursorgaan heeft ingediend.
(…)
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 6 juni 2024 te herstellen. (…)
Voldoet u niet aan dit verzoek en dient u ook niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel in, dan kan de rechtbank uw beroep niet-ontvankelijk verklaren. (…)”
2.3
De Rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 12 juli 2024 als volgt geïnformeerd:
“ (…) Geconstateerd is dat uw verzoek niet aan één of meer van voornoemde eisen voldoet.
Het uitstelverzoek wordt dan ook niet gehonoreerd.
Hierbij stel ik u in de gelegenheid om het gevraagde binnen één week na verzending van deze brief alsnog te verzorgen. Maakt u van deze gelegenheid geen gebruik dan kan de rechtbank het beroep niet- ontvankelijk verklaren. (…)”
2.4.
Op 19 juli 2024 heeft de Rechtbank de gronden van het beroep ontvangen. Daarbij is als bijlage een verklaring van executele opgenomen. In het schrijven, met bovenaan onder meer de vermelding: “Cliënten 1: “erven [naam] ”, schrijft belanghebbende voor zover hier relevant:
“Tegen de opgelegde aanslag erfbelasting d.d. 5 april 2018 is op 17 mei 2018 pro forma bezwaar aangetekend. Op 2 juli 2018 is dit bezwaarschrift nader gemotiveerd. Met betrekking tot dit bezwaarschrift is er gehoord en heeft de behandelend ambtenaar een concept gestuurd. Echter, nadien is gebleken dat deze medewerker voor dat hij een definitieve beslissing had genomen de Belastingdienst had verlaten. Kennelijk heeft deze gebruik gemaakt van de veel te ruimhartige vertrekregeling. Dhr. […] was als tweede ambtenaar bij de behandeling van dit bezwaarschrift betrokken. Daar eensdeels het hoorgesprek prettig was verlopen en anderdeels met het concept ook kon worden ingestemd is in eerste instantie het bestuursorgaan niet in gebreke gesteld. Omdat op 4 april 2023 nog steeds geen beslissing op het eerder ingediende bezwaarschrift was genomen is het bestuursorgaan alsnog op die dag in gebreke gesteld. In plaats van het eerder ingediende bezwaarschrift en daarmee het concept te volgen is een medewerker van kantoor […] naheffingsaanslagen gaan opleggen. Tegen die naheffingsaanslagen is bezwaar gemaakt waar volgens Verder wil ik nog opmerken dat, ondanks herhaalde verzoeken om alle schrifturen naar ondergetekende, als testamentair executeur, te sturen teneinde het overzicht te behouden, de correspondentie tot op heden nog steeds deels uitsluitend naar de individuele erfgenamen wordt gestuurd waardoor ik continu achter de feiten aanloop. Daarbij komt dat eerdere, vervallen, aanslagen van de erfgenamen niet zijn doorgehaald ondanks dat er wel nieuwe (voorlopige) aanslagen zijn opgelegd. Met betrekking tot de onterecht niet doorgehaalde aanslagen vinden met enige regelmaat invorderingsmaatregelen plaats. Terecht kan hier gesproken worden dat sprake is van knevelarij. Daarnaast vraagt Dhr. […] voortdurend naar machtigingen van de individuele erfgenamen. Echter, wanneer een verklaring van executele is bijgevoegd vervangt deze de individuele machtigingen. Dhr. […] stelt dat daarentegen genoemde verklaring is verlopen. Dit is het paard achter de wagen spannen. De vertraging is juist ontstaan doordat de Belastingdienst de zaak niet tijdig afhandelt. Om dan individuele machtigingen te eisen is een gotspe. Daarbij komt dat een verklaring van executele of verklaring van erfrecht een officieel document is dat opgesteld is door een notaris.
Tenslotte: Inmiddels is er contact geweest met een medewerkster van de Afdeling Erfbelasting van het Belastingkantoor […] . Hierbij heeft er op genoemd kantoor een gesprek plaatsgevonden. Daarna is van deze mevrouw niets meer vernomen. Deze mevrouw had naar mijn mening de intentie om dit hoofdpijndossier op te lossen. Ik krijg stellig de indruk dat Dhr. […] deze mevrouw verboden heeft om de zaak verder af te handelen. (…)”
2.5.
Daags voor de zitting, op 10 september 2024, heeft de Rechtbank een nader stuk van belanghebbende ontvangen waarin hij schrijft:
“In het schrijven mijnerzijds d.d. 19 juli wordt aangegeven dat het beroep gericht is tegen het niet nemen van een beslissing tegen de aanslag d.d. 5 april 2018 waartegen op 17 mei 2018 bezwaar is aangetekend. Echter, dit is onjuist. Op het ingediende bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018 is op 16 augustus 2023 alsnog een beslissing genomen. Op 27 september 2023 is hiertegen beroep ingesteld. Deze zaken hebbende de volgende procedurenummers: SGR 23/3375 ERF en SGR 23/63 76 ERF.
Het ingediende pro forma beroepschrift d.d. 3 april ll. had gericht moeten zijn niet tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak maar tegen het uitblijven van een beslissing met betrekking tot het bezwaarschrift tegen de beschikking d.d. 1 mei 2023 om geen dwangsom toe te kennen. Doordat vóór dat een beslissing op bezwaar was genomen een andere ambtenaar reeds een dwangsombeschikkking heeft doen uitgaan heeft dit tot verwarring geleid. Tegen de dwangsombeschikking is op 12 juni 2023 pro forma bezwaar aangetekend. Op 26 september 2023 is dit bezwaar nader gemotiveerd. Daar op 18 december ll. nog steeds niets was vernomen is tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar het bestuursorgaan in gebreke gesteld. Uiteindelijk wordt op 8 mei ll. een beslissing op het bezwaarschrift d.d. 12 juni 2023 genomen. Wel kan gesteld worden dat het pro forma beroepschrift d.d. 3 april ll. er indirect toe geleid heeft dat alsnog een beslissing is genomen op het bezwaarschrift d.d. 12 juni 2023.”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:
“6. Ter zitting van de Rechtbank heeft eiser desgevraagd verklaart dat het beroep betrekking heeft op het niet tijdig beslissen in een zaak die hemzelf aangaat, in plaats van overige erfgenamen. De rechtbank kan zich echter niet aan de indruk onttrekken dat het eiser zelf niet (meer) duidelijk is waar het beroep betrekking op heeft. Eiser heeft, ondanks de herhaalde verzoeken van de rechtbank daartoe, verzuimd om het bezwaarschrift en de ingebrekestelling aan de rechtbank te zenden. Mede hierdoor is het voor de rechtbank onduidelijk waar het beroep betrekking op heeft en of eiser nog belang heeft bij deze procedure. Hoe dan ook voldoet het beroep niet tijdig beslissen wegens het ontbreken van het bezwaarschrift en de ingebrekestelling niet aan de ontvankelijkheidsvereisten. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Proceskosten
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Geschil in verzet en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of het Hof het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In het geval die vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en van het beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het verzet
5.1.
Het verzetschrift vermeldt:
“Nader onderzoek heeft het volgende geleerd:
Op 24 januari 11. zijn ook de gronden ingediend voor de zaken met de procedurenummers :
BK-SGR 24/1010
BK-SGR 24/1011
BK-SGR 24/1012
Deze schrifturen zijn tegen een bewijs van kwijting afgegeven bij de
centrale balie van het Paleis van Justitie.
Echter, bij thuiskomst moet ik vaststellen dat de brief met de gronden met betrekking tot de zaak met procedurenummer BK-SGR 24/1004 niet door mij was meegenomen. Mijn moeder heeft mij hierop geattendeerd: "Ben jij niet iets vergeten?" Waarna zij mij betreffende enveloppe aanreikte. Teneinde niet geconfronteerd te worden met een termijnoverschrijding is dit schrijven met gronden, in de loop van de avond, in de brievenbus van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ 's-Gravenhage gedeponeerd. Het is dan ook voor mij een raadsel dat deze gronden in het dossier ontbreken.
Ik wil nog opmerken dat de gronden in deze zaak nagenoeg identiek zijn met de gronden in de hiervoor genoemde zaken. Er had ook voor kunnen worden gekozen om de gronden van alle zaken gezamenlijk in één schriftuur in te dienen.
Conclusie: Gezien het vorenstaande kan niet gesteld worden dat de
gronden niet zijn ingediend.”
5.2.
Het Hof stelt vast dat de gronden in de met deze zaak samenhangende zaken met de nummers BK-24/1010, BK-24/1011 en BK-24/1012 op 24 januari 2025 zijn afgegeven bij de Centrale Balie van het Paleis van Justitie in Den Haag. Het Hof hecht, mede gelet op het overig vermelde in het verzetschrift (zie 3.1) en de daarop ter zitting gegeven toelichting, geloof aan de verklaring van belanghebbende dat hij de gronden van het hoger beroep op 24 januari 2025 in de brievenbus van het Paleis van Justitie in Den Haag heeft gedeponeerd.
5.3.
Gelet hierop zijn de gronden van het hoger beroep binnen de door het Hof in zijn brief van 10 januari 2025 gestelde termijn, en derhalve tijdig, ingediend. Niettemin kan niet worden geoordeeld dat het verzet gegrond is. Het Hof overweegt daartoe het volgende.
5.4.
Evenmin als voor de Rechtbank is het voor het Hof duidelijk welk (fictief of reëel) besluit het aanknopingspunt vormt voor de onderhavige procedure. Zolang dat niet wordt opgehelderd, kan een hoger beroep belanghebbende niet in een betere positie brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard (zie HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2, en HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844, r.o. 2.3.2). De onderhavige procedure is in zoverre vergelijkbaar met de procedure waarin het recht op dwanginvordering van de desbetreffende (belasting)schuld is verjaard (zie daarover HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1876, r.o. 4.1.2).
Slotsom
5.5.
Het verzet is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|