|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:1447 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/10311 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Voorlopige voorziening. Participatiewet; stopzetting (blokkering) bijstandsuitkering van verzoekster vanaf 1 maart 2025. Herhaald verzoek om voorlopige voorziening en niet is gebleken van belangrijke wijzigingen of omstandigheden of ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak. Verzoek afgewezen. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10311
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. H.H. Veurtjes),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Ercan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de stopzetting (blokkering) van de bijstandsuitkering van verzoekster vanaf 1 maart 2025. Verzoekster is het niet eens met de stopzetting. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat sprake is van een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening en niet is gebleken van belangrijke wijzigingen of omstandigheden of ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Het college heeft de bijstandsuitkering van verzoekster vanaf 1 maart 2025 tijdelijk stopgezet (geblokkeerd). Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 12 augustus 2025 (ROT 25/5584) van de voorzieningenrechter is het verzoek afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de blokkering gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat de zaak over?
3. Verzoekster ontving een bijstandsuitkering. Op 23 februari 2025 kwam bij het college een signaal binnen vanuit de basisregistratie personen dat verzoekster ‘code 41’ had. Verblijfscode 41 betekent dat het verblijfsrecht van verzoekster is beëindigd. Nu verzoekster volgens deze code geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, is bij het college het vermoeden ontstaan dat verzoekster geen recht (meer) heeft op een bijstandsuitkering. Het college heeft de uitbetaling van deze bijstandsuitkering daarom vanaf 1 maart 2025 geblokkeerd.
4. Verzoekster is het niet eens met de blokkering van haar bijstandsuitkering. Zij voert aan dat het college niet zonder een besluit te nemen een bijstandsuitkering kan blokkeren. Verzoekster voert daarnaast aan dat het college niet bevoegd was om tot blokkering van de bijstandsuitkering over te gaan. Er bestaat geen gegronde reden waarom het college nog geen besluit heeft genomen over het recht op bijstand. Het door het college ontvangen signaal over de verblijfscode van verzoekster had aanleiding kunnen geven voor een onderzoek zoals bedoeld in artikel 53a, vijfde lid, van de Participatiewet (Pw) met de mogelijkheid om vervolgens de bijstandsuitkering te schorsen volgens artikel 54 van de Pw. Verzoekster heeft bij de IND een aanvraag ingediend om “Burger van de Unie” te worden. Deze aanvraag is met het besluit van de IND van 7 november 2025 buiten behandeling gesteld. Verzoekster betwist dat na 7 november 2025 nog altijd code 41 op haar van toepassing is, aangezien dit uit niets blijkt. Het college had rekening moeten houden met artikel 8 van het EVRM, het recht op family life en het college had op basis van artikel 11, derde lid, in combinatie met artikel 16, eerste lid, van de Pw een belangenafweging kunnen maken. Verder blijkt uit het medisch advies van de GGD dat verzoekster voor de periode van zes maanden arbeidsongeschikt moet worden verklaard. Ook betwist verzoekster de ontvangst van het besluit van 3 december 2025 waarin haar recht op bijstand wordt beëindigd en stelt verzoekster dat dat besluit onbevoegd is genomen.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. Het verzoek heeft betrekking op de blokkering van een bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij op dit moment geen inkomen heeft en dat zij te maken heeft met schulden en een huurachterstand. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang daarom aan en zal de zaak verder beoordelen.
Herhaald verzoek om voorlopige voorziening
7. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter tijdens de bezwaarprocedure verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is bij uitspraak van 12 augustus 2025 (ROT 25/5584) afgewezen.
8. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat bezwaar of beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van het bestuursorgaan ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit is slechts anders als er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
9. Verzoekster heeft op de zitting aangevoerd dat de gewijzigde feiten en omstandigheden zijn gelegen in het feit dat zij nu wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 november 2014 waarin haar rechtmatig verblijf is beëindigd. Ook is de Dienst Toeslagen ondanks de verblijfsrechtelijke situatie in tegenstelling tot het college wel overgegaan tot betaling van de toeslagen. Verder is met het medisch advies van 5 december 2025 vast komen te staan dat verzoekster arbeidsongeschikt is, waardoor zij mogelijk toch rechtmatig verblijf heeft. Het college heeft daar geen rekening mee gehouden in zijn besluitvorming.
10. De door verzoekster aangevoerde gewijzigde omstandigheden vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak van 12 augustus 2025 is gedaan. In die uitspraak is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering omdat het college uit de informatie van de IND heeft mogen afleiden dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft. De voorzieningenrechter overweegt in deze procedure als volgt.
10.1.
Iedere Nederlander die in Nederland woont en die niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand. Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere hier te lande woonachtige vreemdelingen voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld. In artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is bepaald dat een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een regeling als bedoeld in deze bepaling is onder meer de Richtlijn 2004/38/EG (de Vrij Verkeer Richtlijn). De Richtlijn is in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd en nader uitgewerkt.
10.2.
De minister van Asiel en Migratie (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) is verantwoordelijk voor de beoordeling of vreemdelingen rechtmatig in Nederland verblijven. Op grond van het beginsel van Unietrouw treden autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg over een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit beginsel geldt ook voor autoriteiten binnen een lidstaat. Daarom moet het college in overleg met de minister onderzoeken of verzoekster aan het recht van de Unie een verblijfsrecht in Nederland kan ontlenen. Als dat zo is, verblijft verzoekster op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 rechtmatig in Nederland en moet zij voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijk worden gesteld.
10.3.
Het college heeft gedurende de bezwaarfase bij de IND navraag gedaan over de verblijfsstatus van verzoekster. De IND heeft onder meer op 9 september 2025, 1 oktober 2025 en 17 november 2025 aan het college informatie verstrekt. Verzoekster heeft sinds 18 november 2014 code 41. De IND heeft vastgesteld dat er verschillende periodes zijn waarin verzoekster mogelijk een verblijfsrecht heeft gehad als economisch actieve gemeenschapsonderdaan. In onder meer de periodes van 1 februari 2021 tot en met 1 april 2022 en van 15 juni 2023 tot en met 1 mei 2024 had verzoekster een verblijfsrecht op grond van de Richtlijn 2004/38/EG (de Vrij Verkeer Richtlijn). Gedurende de bezwaarperiode heeft verzoekster ook bij de IND een aanvraag ingediend om “Burger van de Unie” te worden. Per mail van 17 november 2025 heeft de IND aan het college laten weten dat deze aanvraag buiten behandeling is gesteld, omdat geen geldige machtiging is ontvangen. Daarnaast heeft de IND gemeld dat het oordeel wordt gehandhaafd dat verzoekster sinds 1 maart 2025 geen rechtmatig verblijf heeft gehad. In het bestreden besluit noemt het college dat ook op 3 december 2025 nog contact is geweest met de IND. Gedurende de aanvraag voor “Burger van de Unie” heeft verzoekster code 30 gekregen. De code is echter weer gewijzigd naar code 41 toen de aanvraag op 7 november 2025 buiten behandeling is gesteld. Naar aanleiding van deze informatie heeft het college met het besluit van 3 december 2025 het recht op bijstand van verzoekster ingetrokken vanaf 1 maart 2025, omdat zij geen verblijfstitel had die recht geeft op bijstand.
10.4.
Verzoekster betwist dat de verblijfscode na de buiten behandeling stelling van de aanvraag voor “Burger van de Unie” weer naar code 41 is gegaan. Ook heeft verzoekster inmiddels bezwaar gemaakt tegen de buiten behandeling stelling van die aanvraag. De voorzieningenrechter stelt vast dat op dit moment de IND zich op het standpunt stelt dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft gehad sinds 1 maart 2025 en dat code 41 nog altijd actueel is. De bijstandverlenende instantie mag uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals deze wordt verstrekt door de IND. Het is immers de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het bestreden besluit code 41 onjuist was. Het college heeft uit deze verblijfscode kunnen afleiden dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft en dat zij daarom niet voor de toepassing van de Pw gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Zij kwam daarom ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering.
10.5.
Nu de IND zich nog altijd op het standpunt stelt dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft en het college van de informatie van de IND uit mag gaan, is in zoverre geen sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden ten opzichte van het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening. De door verzoekster verder aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. Dat verzoekster met het medisch advies van 5 december 2025 stelt dat zij arbeidsongeschikt is, maakt nog niet dat het medisch advies betrekking heeft op de periode in geding. Uit het medisch advies blijkt immers niet dat verzoekster vanaf 1 maart 2025 arbeidsongeschikt moet worden verklaard. Op de zitting heeft verzoekster verder verwezen naar artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Voor zover verzoekster op dit moment mogelijk wel een rechtmatige verblijfstitel heeft, komt niet uit het dossier naar voren dat de IND hiervan op de hoogte is en een nader besluit heeft genomen. Er ligt de voorzieningenrechter nu onvoldoende voor om hier een oordeel over te geven. Daar komt bij dat het college met het besluit van 3 december 2025 de bijstandsuitkering van verzoekster heeft ingetrokken en dat ook al daarom het medisch advies van 5 december 2025 op dit moment niet tot toekenning van een bijstandsuitkering kan leiden. Verzoekster en het college kunnen natuurlijk in de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de bijstandsuitkering hierover een nader standpunt innemen. Ook het standpunt van verzoekster dat inmiddels wel bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 18 november 2014 en dat de Dienst Toeslagen ondanks de verblijfscode wel is overgegaan tot toekenning van toeslagen, maken niet dat sprake is van een belangrijke wijziging van feiten en omstandigheden waardoor aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.
10.6.
Verzoekster heeft zich verder niet op het standpunt gesteld dat de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 augustus 2025 ernstige onvolkomenheden bevat en ook verder is niet gebleken dat hiervan sprake is. Gelet ook op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen, omdat sprake is van een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
11. Verzoekster heeft in haar nadere reactie van 29 december 2025 gesteld dat, indien de voorzieningenrechter geen connexiteit met het beroep inzake het stopzetten van de uitkering aanneemt, verzoekster zich beroept op connexiteit met het bezwaarschrift inzake de intrekking van de bijstandsuitkering met het besluit van 3 december 2025. Ten aanzien daarvan merkt de voorzieningenrechter het volgende op.
11.1.
Verzoekster heeft deze procedure gestart als een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit op bezwaar van 11 december 2025. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding in deze procedure het primaire besluit over de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster van 3 december 2025 te beoordelen. Deze procedure is niet connex aan het bezwaarschrift tegen dat besluit. De voorzieningenrechter overweegt daartoe verder dat verzoekster de ontvangst van het besluit van 3 december 2025 betwist. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster op de hoogte kwam van het intrekkingsbesluit omdat dit werd genoemd in het besluit op bezwaar van 11 december 2025. Verzoekster heeft vervolgens op 22 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit van 3 december 2025. Kort voor de zitting heeft de voorzieningenrechter het besluit van 3 december 2025 opgevraagd. De voorzieningenrechter en verzoekster beschikken echter niet over het onderliggende dossier bij dit besluit en ook op de zitting is het enkel gegaan over het besluit op bezwaar van 11 december 2025. Indien gewenst kan verzoekster hangende de kennelijk lopende bezwaarprocedure tegen het intrekkingsbesluit van 3 december 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening indienen, zodat dat besluit inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster vooralsnog geen bijstandsuitkering krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dat zij als gemeenschapsonderdaan had op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.
Dit staat in artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet.
Dit staat in artikel 11, tweede lid, van de Participatiewet.
Dit staat in artikel 11, derde lid, van de Participatiewet.
Zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4212 en van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:141.
Zie de uitspraak van de Raad van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4212. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|