Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:2452 
 
Datum uitspraak:18-02-2026
Datum gepubliceerd:01-04-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/709185 / HA ZA 25-94 C/10/709185 / HA ZA 25-94
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. Commuun bevoegdheidsrecht. Zaak van een Nederlands bedrijf tegen een Engels concurrerend bedrijf en de bestuurder van dat bedrijf. Onrechtmatige daad. Aanzetten en profiteren van contractbreuk door een werknemer van het Nederlandse bedrijf. Artikel 6, aanhef en onder e, Rv. Handlungsort. Erfolgsort. Ongerechtvaardigde verrijking. HvJEU 9 december 2021 (Hrvatske Sume). Artikel 7 lid 1 Rv (pluraliteit van gedaagden).
Trefwoorden:medepleger
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven


zaaknummer / rolnummer: C/10/709185 / HA ZA 25-947


Vonnis in incident van 11 maart 2026


in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[eiseres] B.V.,
gevestigd te Schiedam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het bevoegdheidsincident,
verweerster ten aanzien van het verzoek ex artikel 85 Rv,
advocaat mr. V.F. Rutgers te Eindhoven,

tegen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

CORRPRO COMPANIES EUROPE LTD,
gevestigd te Stockton-on-Tees, Verenigd Koninkrijk,
2. [gedaagde],
wonende te [plaats] , Verenigd Koninkrijk ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het bevoegdheidsincident,
verzoekers ex artikel 85 Rv,
advocaat mr. M.A.F. Evers te Eindhoven.


Eiseres in de hoofdzaak zal hierna [eiseres] genoemd worden, gedaagden in de hoofzaak gezamenlijk Corrpro c.s . en afzonderlijk Corrpro respectievelijk [gedaagde] .





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 26 september 2025, met producties;


het herstelexploot van 7 oktober 2025;


de incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid ex artikel 11 Rv tevens houdende een verzoek ex artikel 85 Rv;


de conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident en beroep artikel 85 Rv, met producties.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.






2Het gevorderde in de hoofdzaak

2.1.
Het door [eiseres] gevorderde bestaat voor het overgrote gedeelte uit verklaringen voor recht, gebods- en verbodsvorderingen en vorderingen tot betaling van schadevergoeding. De strekking van deze vorderingen is – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het vaststellen van aansprakelijkheid en schadeplichtigheid van Corrpro c.s . ten opzichte van [eiseres] .



2.2.
Aan deze vorderingen legt [eiseres] – samengevat – het volgende ten grondslag.

2.2.1.

[eiseres] levert hoogwaardige diensten, producten en oplossingen op het gebied van kathodische bescherming, aangroeipreventie en corrosiebeheersing voor de maritieme, offshore wind- en olie- en gasindustrie. Kathodische bescherming is een methode om metaalcorrosie te voorkomen. [eiseres] is in 2022 overgenomen door OES Group Ltd. (hierna: OES), een producent van producten en oplossingen op het gebied van kathodische bescherming, aangroeipreventie en corrosiebeheersing voor de maritieme, offshore wind- en olie- & gasindustrie.


2.2.2.
Ook Corrpro is een leverancier van kathodische beschermingsmiddelen en gerelateerde diensten. [eiseres] en Corrpro werkten in het verleden regelmatig samen op projecten, waarbij [eiseres] regelmatig producten afnam van Corrpro, en Corrpro gebruik maakte van onderhoudsdiensten van [eiseres] .


2.2.3.
Na de overname door OES van [eiseres] is Corrpro een directe concurrent van [eiseres] geworden die soortgelijke diensten, producten en diensten levert. Hierdoor werken zij op steeds minder projecten samen.


2.2.4.

[gedaagde] is een van de bestuurders van Corrpro. [naam] (hierna: [naam] ) was destijds een werknemer van [eiseres] , inmiddels niet meer.
Corrpro en [gedaagde] hebben op onrechtmatige wijze aan [eiseres] toebehorende bedrijfsgeheimen verkregen en daarvan vervolgens op onrechtmatige wijze gebruik gemaakt. Ook hebben zij [naam] aangezet tot contractbreuk en daarvan vervolgens op onrechtmatige wijze geprofiteerd. Daarnaast hebben zij verscheidene malen ongeoorloofde steekpenningen betaald aan [naam] en/of hem omgekocht, althans hebben zij hiertoe pogingen ondernomen. Corrpro en [gedaagde] hebben [eiseres] onrechtmatige concurrentie aangedaan. [eiseres] heeft door het handelen van Corrpro en [gedaagde] schade geleden waarvoor zij aansprakelijk zijn. Bovendien heeft Corrpro zichzelf ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiseres] en heeft [eiseres] uit dien hoofde recht op vergoeding van haar schade totten minste het bedrag waarmee Corrpro zich verrijkt heeft.


2.2.5.
Corrpro is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en [gedaagde] heeft aldaar zijn woonplaats. Nu de onderhavige procedure is ingesteld na 31 december 2020, is de Europese verordening Brussel I bis niet van toepassing op dit geschil. Bij gebreke van andere toepasselijke internationale regelingen moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in deze zaak beoordeeld worden aan de hand van de regels van het commune Nederlandse internationale bevoegdheidsrecht. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in deze zaak op grond van artikel 6 sub e Rv, al dan niet in verbinding met artikel 7 lid 1 Rv. Op grond van artikel 102 Rv is deze rechtbank relatief bevoegd, aldus [eiseres] .







3Het geschil in het bevoegdheidsincident


3.1.
Corrpro c.s . vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil tussen enerzijds [eiseres] en anderzijds Corrpro en [gedaagde] , met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de proceskosten van het incident en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover betaling niet plaatsvindt binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis.



3.2.

[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze incidentele vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Corrpro c.s . in de proceskosten in dit incident.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling – voor zover zij daarvoor van belang zijn – nader ingegaan.






4Het incident ex artikel 85 Rv


4.1.
Voor het geval de rechtbank zich niet onbevoegd verklaart, vorderen Corrpro c.s . dat de rechtbank [eiseres] beveelt om de vaststellingsovereenkomst, die [eiseres] als productie 10 bij dagvaarding in het geding heeft gebracht, volledig leesbaar af te geven aan de advocaat van Corrpro c.s . (tegen ontvangstbewijs).



4.2.

[eiseres] voert verweer en concludeert – primair – tot afwijzing van deze incidentele vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Corrpro c.s . in de proceskosten in dit incident.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling – voor zover zij daarvoor van belang zijn – nader ingegaan.






5De beoordeling in het bevoegdheidsincident

5.1.
Bij het onderzoek ter beantwoording van de vraag of aan de rechtbank ten aanzien van de door [eiseres] tegen Corrpro c.s . ingestelde vorderingen internationale bevoegdheid (rechtsmacht) toekomt, is uitgangspunt dat de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) niet van toepassing is, omdat de gedaagden, Corrpro c.s ., ten tijde van de aanhangigheid van deze zaak geen woonplaats meer hadden op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid missen in de onderhavige zaak toepassing.



5.2.
Dat betekent dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank beoordeeld moet worden aan de hand van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, de artikelen 1-13 Rv.



5.3.
Aangezien Corrpro c.s . geen woonplaats hebben in Nederland, kan de Nederlandse rechter in deze zaak zijn rechtsmacht niet ontlenen aan de hoofdregel van het internationale bevoegdheidsrecht dat rechtsmacht hebben de gerechten van het land waar de gedaagde zijn woonplaats heeft.



5.4.
Ook is geen beroep gedaan op een forumkeuze.



5.5.
De rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van vorderingen die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad, zoals de onderhavige vorderingen van Corrpro c.s ., is in het Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht specifiek geregeld in artikel 6, aanhef en onder e, Rv. Artikel 6, aanhef en onder e, Rv luidt als volgt:


Artikel 6 Rv


De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende:


[…]


e. verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.




5.6.
Artikel 6, aanhef en onder e, Rv is ontleend aan artikel 5, aanhef en onder 3, EEX-Verdrag (nu artikel 7, aanhef en onder 2, Brussel I bis). In deze bepalingen staat de plaats van het schadebrengende feit centraal. Gezien de herkomst van artikel 6, aanhef en onder e, Rv kan de rechtspraak van het HvJ EG met betrekking tot de uitleg van het begrip schadebrengend feit een belangrijk richtsnoer zijn. Op grond van de rechtspraak van het HvJEU geldt als zodanig zowel de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, het zogenaamde Handlungsort, als de plaats waar de schade is ingetreden, het zogenaamde Erfolgsort. De eisende partij heeft de keuze of hij de gedaagde oproept voor de rechter van het Handlungsort dan wel voor die van het Erfolgsort. Zie HvJ EG 30 november 1976, NJ 1977/494 (Kalimijnen). Bij het Handlungsort gaat het erom of de veronderstelde veroorzaker van de schade heeft gehandeld in het rechtsgebied van de aangezochte rechter; aan de plaats van Handlung van een medepleger – die geen partij is bij het geding – kan geen bevoegdheid worden ontleend (HvJEU 16 mei 2013, C-228/11, ECLI:EU:C:2013:305 (Melzer/MF Global); vergelijk ook HvJEU 5 juni 2014, C-360/12, ECLI:EU:C:2014:1318 (Coty Germany/First Note Perfumes)). Het (mogelijk) intreden van schade (Erfolg) in het rechtsgebied van de aangezochte rechter (Erfolgsort) kan ook alleen maar leiden tot bevoegdheid van die rechter, indien die schade is veroorzaakt door een Handlung van de aangesproken gedaagde en niet door een Handlung van een medepleger.



5.7.
Met Corrpro c.s . is de rechtbank van oordeel dat het Handlungsort zich in deze zaak buiten Nederland bevindt, zodat de Nederlandse rechter daaraan geen rechtsmacht kan ontlenen. Zoals [eiseres] zélf ook aangeeft – zie randnummer 4.2 van de incidentele conclusie van antwoord – vormt de kern van haar verwijten aan Corrpro c.s . dat Corrpro c.s . [naam] , een werknemer van [eiseres] , gebruiken als schakel om aanvragen en vertrouwelijke informatie die zich bij [eiseres] bevindt te benutten en op die wijze projectopdrachten weg te leiden (naar Corrpro). [naam] is in deze procedure geen partij. Niet valt in te zien waarom het aanzetten door Corrpro c.s . van [naam] tot de gewraakte gedragingen zich (voornamelijk) heeft afgespeeld in Nederland. Zo blijkt uit productie 47 van [eiseres] , een namens haar opgesteld chronologisch overzicht van handelingen, dat [naam] een aantal keren naar het Verenigd Koninkrijk is gereisd voor overleg op het kantoor van Corrpro. Ook blijkt uit dit overzicht dat door Corrpro c.s . vele malen contact met [naam] is gelegd op een andere wijze dan door middel van een fysieke ontmoeting, bijvoorbeeld per e-mail of door het overmaken van gelden naar [naam] . Dat duidt veel eerder op gedragingen van Corrpro c.s . vanuit het Verenigd Koninkrijk, waar Corrpro immers kantoor houdt. Corrpro c.s . wijzen in randnummer 4.4 van hun incidentele conclusie van antwoord nog uitdrukkelijk op drie, volgens hen belangrijke, gebeurtenissen die zouden wijzen op een Handlungsort in Nederland, maar de rechtbank ziet dat anders. Het gaat hier namelijk om drie gebeurtenissen waarin [naam] de handelende persoon is en niet Corrpro c.s .:

“i) 13 augustus 2024: [naam] stuurt een aanvraag van Wagenborg, binnengekomen
in Nederland, bij een Nederlands bedrijf, van een Nederlandse klant, door aan
Corrpro c.s . in plaats van deze intern uit te voeren. [eiseres] en Wagenborg zijn daarbij
ook nog twee Nederlandse bedrijven, die doorgaans contracteren op basis van een
overeenkomst van opdracht naar Nederlands recht;
ii) 19 september 2024: [naam] stuurt een aanvraag van Boskalis, binnengekomen in
Nederland, bij een Nederlands bedrijf, van een Nederlandse klant, door aan Corrpro
c.s. in plaats van deze intern uit te voeren; en
iii) 23 september 2024: [naam] stuurt vanuit Nederland, aan een Nederlandse partij
(Boskalis) namens Corrpro een aanbieding voor de uitvoering van een project,
terwijl hij via zijn Nederlandse werkgever wist dat deze een hogere offerte had
uitgebracht voor deze zelfde klant.”



5.8.
Met betrekking tot het Erfolgsort in deze zaak oordeelt de rechtbank als volgt.



5.9.
Een voor deze zaak belangrijk verwijt dat [eiseres] Corrpro c.s . maakt, is dat Corrpro c.s . [naam] hebben aangezet tot wanprestatie dan wel deze wanprestatie hebben gefaciliteerd. De schade die [eiseres] in Nederland geleden zou hebben of nog zou kunnen gaan lijden bestaat eigenlijk vooral uit winstderving door misgelopen opdrachten en uitholling van haar handelsdebiet als gevolg van wanprestatie van [naam] . Voor het ontstaan van deze schade, voor het causaal verband derhalve, is het echter niet voldoende dat Corrpro c.s . [naam] hebben aangezet om contractbreuk te plegen of deze contractbreuk hebben gefaciliteerd. Pas wanneer [naam] ook daadwerkelijk overgaat tot het plegen van deze contractbreuk, kan er schade ontstaan voor [eiseres] . Die schade is dus het gevolg van contractbreuk, niet van het aanzetten daartoe of het faciliteren ervan. Het aanzetten of faciliteren van [naam] door Corrpro c.s . om contractbreuk te plegen is dus niet een schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van artikel 6 onder e Rv. Mogelijke schade die [eiseres] heeft geleden is dus geen rechtstreeks gevolg van dit aanzetten van [naam] door Corrpro c.s . tot contractbreuk.



5.10.
Wat, daarentegen, wél een relevante schadeveroorzakende gebeurtenis is, is het onrechtmatig profiteren door Corrpro c.s . van deze contractbreuk van [naam] . Dáárvan is door [eiseres] (mogelijk) geleden of te lijden schade dus wél een rechtstreeks gevolg.



5.11.
Uit de stellingen van [eiseres] leidt de rechtbank af dat er door Corrpro c.s . volgens [eiseres] op de volgende drie manieren welbewust is geprofiteerd van de contractbreuk(en) van [naam] :


i) Het door Corrpro c.s . contracteren met relaties van [eiseres] , nadat [naam] die relaties/aanvragen buiten [eiseres] om had ‘doorgestuurd’ naar Corrpro c.s . (in de woorden van [eiseres] : “Heimelijk afpakken projecten [eiseres] ”). Zie de dagvaarding onder 50-73;


ii) Het door Corrpro c.s . profiteren van bedrijfsgeheimen van [eiseres] , nadat [naam] die bedrijfsgeheimen had doorgestuurd naar Corrpro c.s . Zie de dagvaarding onder 39-131;


iii) Het door Corrpro c.s . inhuren van [naam] voor werkzaamheden op het MODEC-project ‘BAOBAB’ in de wetenschap (a) dat [naam] op dat project al werkzaam was voor [eiseres] én (b) dat [naam] aldus zijn met [eiseres] gesloten concurrentiebeding overtrad (in de woorden van [eiseres] : “Heimelijk inhuren [naam] ”). Zie de dagvaarding onder 74-87.





5.12.
De vraag is of deze drie situaties geleid hebben en/of kunnen leiden tot schade voor [eiseres] in Nederland met als gevolg dat de Nederlandse rechter als rechter van het Erfolgsort rechtsmacht heeft in de zin van artikel 6 onder e Rv.



5.13.
Met betrekking tot situatie (i) overweegt de rechtbank verder als volgt.

5.13.1.
Volgens [eiseres] werkten Corrpro en [naam] samen op een aantal projecten die normaal gesproken door [eiseres] zouden zijn uitgevoerd. [naam] stuurde de aanvragen die hij voor deze projecten ontving door naar Corrpro. Corrpro faciliteerde [naam] door aanbiedingen voor te bereiden die [naam] aan deze klanten kon sturen als alternatief voor aanbiedingen vanuit [eiseres] . [naam] had deze klanten eerder onjuist geïnformeerd dat [eiseres] de betreffende producten niet kon leveren.


5.13.2.
Volgens [eiseres] heeft zij door deze handelwijze van Corrpro de volgende (soorten) schade geleden:


a) [eiseres] is opdrachten van bestaande klanten misgelopen, zoals Crystal Symphony, Boskalis en Wagenborg;


b) Vanwege de onderbiedende offertes van [naam] bij deze klanten is ook het prijsniveau bij deze klanten structureel aangetast. Dit heeft directe gevolgen voor toekomstige opdrachten, marges en de onderhandelingspositie van [eiseres] bij deze klanten;


c) De ‘uitholling’ van de commerciële positie van [eiseres] in een specialistische markt waarin Corrpro – in ieder geval vanaf de overname door OES – een directe concurrent is. Omzetverlies dus door onrechtmatige concurrentie.




5.13.3.

[eiseres] is gevestigd in Nederland en daar bevindt zich ook haar (hoofd)kantoor (Schiedam). Het is aannemelijk dat offerteaanvragen of uitnodigingen om op opdrachten in te schrijven [eiseres] op haar Nederlandse (hoofd)kantoor bereiken en dat opdrachten ook vanuit dat (hoofd)kantoor worden aanvaard. [eiseres] lijdt bovengenoemde schade dus in Nederland. Daar bevindt zich dus het Erfolgsort, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en onder e, Rv. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank volgt (onder meer) uit artikel 102 Rv (In zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad is mede bevoegd de rechtbank van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.).


5.13.4.
In zoverre zal de incidentele vordering van Corrpro c.s . worden afgewezen.




5.14.
Met betrekking tot situatie (ii) overweegt de rechtbank verder als volgt.

5.14.1.
Corrpro heeft volgens [eiseres] – samengevat – bedrijfsgeheime informatie die toebehoorde aan [eiseres] verkregen van [naam] en daar vervolgens haar voordeel mee gedaan.


5.14.2.
Volgens [eiseres] heeft zij door deze handelwijze schade geleden in de vorm van het verlies van concurrentiegevoelige informatie, zoals klantmarges en interne calculatiemodellen.


5.14.3.
Waar deze stellingen van [eiseres] op neerkomen, is het volgende. Corrpro profiteert op onrechtmatige wijze van bedrijfsgeheime informatie van [eiseres] . Daardoor levert deze bedrijfsgeheime informatie voor [eiseres] niet meer zoveel concurrentievoordeel op als het geval was voordat Corrpro over die informatie de beschikking kreeg.


5.14.4.
Het gaat hier (voornamelijk) om bedrijfsgeheime informatie die is opgeslagen op computers van [eiseres] . Die informatie bevindt zich dus (voornamelijk) in Nederland, waar zich het (hoofd)kantoor van [eiseres] bevindt. Met die informatie kan [eiseres] dus vanuit Nederland haar (potentiële) klanten bedienen in concurrentie met Corrpro en andere partijen die op de markt van [eiseres] actief zijn. Door het optreden van Corrpro (en [naam] ) is die informatie voor [eiseres] minder waard geworden. De schade die [eiseres] in deze situatie in Nederland lijdt of kan gaan lijden is dus een direct gevolg van het onrechtmatig profiteren door Corrpro van die informatie. Het Erfolgsort bevindt zich dus in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en onder e, Rv. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank volgt (onder meer) uit artikel 102 Rv.


5.14.5.
Ook in zoverre zal de incidentele vordering van Corrpro c.s . worden afgewezen.




5.15.
Met betrekking tot situatie (iii) overweegt de rechtbank verder als volgt.

5.15.1.
MODEC is volgens [eiseres] een grote leverancier van oplossingen (producten en/of diensten) voor de floating offshore oil & gas market, waaronder voor het project ‘BAOBAB’, een “reusachtig” opslag- en productievaartuig dat vaart onder de vlag van Ivoorkust. [naam] , als uitvoerend monteur, heeft in 2023 een opdracht uitgevoerd namens [eiseres] bij MODEC. In 2024 heeft [naam] , terwijl hij nog voor [eiseres] werkte, in opdracht van Corrpro een soortgelijke klus uitgevoerd bij MODEC.


5.15.2.
Volgens [eiseres] heeft zij door deze handelwijze de volgende (soorten) schade geleden:


a) Voor de opdrachten die [eiseres] van MODEC had gekregen heeft [eiseres] allerlei kosten moeten maken, zoals acquisitiekosten en kosten betreffende technische voorbereiding, maar door het gedrag van Corrpro c.s . (en [naam] ), is [eiseres] een deel van haar vergoeding van deze kosten misgelopen;


b) Corrpro heeft geprofiteerd van kennis van [naam] , maar ondanks dat [naam] toen in dienst was van [eiseres] , heeft [eiseres] nooit een vergoeding ontvangen van Corrpro voor dat gebruik door Corrpro van de kennis van [naam] . Verder heeft [eiseres] ook nooit een vergoeding van Corrpro ontvangen voor de uitvoeringscapaciteit van [eiseres] op het MODEC-project waar Corrpro toen van gebruik heeft gemaakt.




5.15.3.
Hier is sprake van overtreding door [naam] van zijn non-concurrentiebeding met [eiseres] . Meer concreet bestond deze overtreding van het non-concurrentiebeding uit het volgende. Tijdens zijn werkzaamheden in dienst van [eiseres] aan het MODEC-project ‘BAOBAB’ heeft [naam] de kennis en ervaring die hij had opgebouwd bij [eiseres] aangewend voor het uitvoeren van werkzaamheden op dit project waarvoor niet [eiseres] maar (uiteindelijk) Corrpro een vergoeding ontving (van de opdrachtgever van dit project).


5.15.4.
Dit profiteren door Corrpro van deze contractbreuk van [naam] heeft tot schade voor [eiseres] geleid in Nederland. In Nederland kan namelijk het overgrote deel van de kosten gelocaliseerd worden die [eiseres] heeft moeten maken voor dit project, zoals de acquisitiekosten en de diverse kosten voor de voorbereiding, waaronder de technische voorbereiding, van de werkzaamheden aan het project. Daarnaast kan ook in Nederland (het overgrote deel van) de kennis gelocaliseerd worden die [eiseres] had opgebouwd voordat een begin kon worden gemaakt met die werkzaamheden.


5.15.5.
Het Erfolgsort bevindt zich dus in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en onder e, Rv. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank volgt (onder meer) uit artikel 102 Rv.


5.15.6.
Ook in zoverre zal de incidentele vordering van Corrpro c.s . worden afgewezen.




5.16.
Wat betreft haar vorderingen tegen [gedaagde] baseert [eiseres] de rechtsmacht van de Nederlandse rechter (niet alleen op artikel 6, aanhef en sub e, Rv maar ook) op artikel 7 lid 1 Rv. Die bevoegdheidsregel, met betrekking tot pluraliteit van gedaagden, luidt als volgt:


Artikel 7

1. Indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.



5.17.
Artikel 7 lid 1 Rv is in belangrijke mate ontleend aan artikel 6, aanhef en onder 1, EEX-Verdrag van 27 september 1968 (nu artikel 8, aanhef en onder 1, Brussel I bis). Dit betekent, net als bij de commune onrechtmatige-daad-bevoegdheidsregel van sub e van artikel 6 Rv, dat de rechtspraak van het HvJEU over artikel 6, aanhef en onder 1, EEX-Verdrag (nu artikel 8, aanhef en onder 1, Brussel I bis) van belang is voor de uitleg van artikel 7 lid 1 Rv, tenzij deze rechtspraak ziet op criteria die geen deel uitmaken van artikel 7 lid 1 Rv. Wat dat laatste betreft, is het zo dat artikel 7 lid 1 Rv enigszins van artikel 6, aanhef en onder 1, EEX-Verdrag (nu artikel 8, aanhef en onder 1, Brussel I bis) verschilt waar het gaat om het uiteindelijke doel dat beoogd is met een gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen de gedaagden. Terwijl dit doel in het geval van artikel 7 lid 1 Rv doelmatigheid is, is dit doel in het geval van artikel 6, aanhef en onder 1, EEX-Verdrag (nu artikel 8, aanhef en onder 1, Brussel I bis) het voorkómen van onverenigbare beslissingen. Zie onder 2.34-2.39 van de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2021:1145) bij het artikel 81 lid 1 R.O.-arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:933).



5.18.
Uit de stellingen [eiseres] met betrekking tot het optreden van Corrpro kan worden afgeleid dat dit optreden van Corrpro veelal terug te voeren was op handelingen van (onder anderen) [gedaagde] , haar bestuurder. Gelet daarop bestaat tussen de vorderingen tegen [gedaagde] en de vorderingen tegen Corrpro voldoende samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen in de zin van artikel 7 lid 1 Rv.



5.19.
Voor zover de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] tegen Corrpro, is zij dus eveneens bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde] .



5.20.
Ook in zoverre zal de incidentele vordering van Corrpro c.s . dus worden afgewezen.



5.21.
Niet alleen baseert [eiseres] haar vorderingen op onrechtmatige daad maar ook op ongerechtvaardigde verrijking. Net zoals het in internationale regelingen neergelegde Nederlandse internationale bevoegdheidsrecht bevat ook het Nederlands commune internationale bevoegdheidsrecht geen specifieke bevoegdheidsregel voor ongerechtvaardigde verrijking. Voor zover [eiseres] de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van haar vorderingen uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking baseert op artikel 6, aanhef en onder e, Rv, gaat dat beroep niet op. Een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking valt namelijk niet onder die bevoegdheidsregel. Zie HvJ EU 9 december 2021, C-242/20, ECLI:EU:C:2021:985 (Hrvatske Sume/BP Europe).



5.22.
Deze rechtbank is dus niet bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] , voor zover die vorderingen op ongerechtvaardigde verrijking zijn gebaseerd.



5.23.
In zoverre zal de incidentele vordering van Corrpro c.s . dus worden toegewezen.



5.24.
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen Corrpro c.s . in de proceskosten in dit incident worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [eiseres] worden tot aan deze uitspraak begroot op:
salaris advocaat € 653,00 (1 punt in liquidatietarief II)

nakosten € 178,00 (+ de verhoging zoals vermeld in het dictum)

Totaal € 831,00.





6De beoordeling in het incident ex artikel 85 Rv


6.1.
Dit verzoek van Corrpro c.s . is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank zich niet onbevoegd verklaart. Uit de beoordeling hierboven in het bevoegdheidsincident volgt dat aan deze voorwaarde is voldaan, althans gedeeltelijk.



6.2.
Volgens Corrpro c.s . handelt [eiseres] door het in het geding brengen van de vaststellingsovereenkomst tussen [eiseres] en [naam] (prod. 10 van [eiseres] ), waarin bepaalde gedeeltes onleesbaar zijn gemaakt, in strijd met artikel 85 Rv en punt 2.15 van het procesreglement civiele dagvaardingszaken – bedoeld is het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton – althans in strijd met de goede procesorde. Corrpro c.s . vorderen daarom een bevel aan [eiseres] om de vaststellingsovereenkomst volledig leesbaar af te geven.



6.3.

[eiseres] betwist dat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 85 Rv en punt 2.15 van het Landelijk procesreglement althans met de goede procesorde.



6.4.
Corrpro c.s . betogen verder dat [eiseres] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv zou
hebben geschonden door het onleesbaar maken van delen van de vaststellingsovereenkomst. Volgens [eiseres] is ook dit verwijt ongegrond.



6.5.
In artikel 85 Rv is het volgende bepaald – aangehaald voor zover van belang:


Artikel 85



Indien een partij zich bij dagvaarding, conclusie of akte op enig stuk beroept, is zij verplicht een afschrift van het stuk bij te voegen, tenzij een afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was gevoegd. De in de vorige volzin bedoelde verplichting vervalt indien de wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen.


Indien de wederpartij verklaart inzage in het stuk zelf te verlangen, is de partij die zich op het stuk beroept bovendien verplicht dit ter griffie te deponeren. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kan in plaats daarvan het stuk aan de advocaat van de wederpartij tegen ontvangstbewijs worden afgegeven.


[…]


[…]



Punt 2.15 van bovengenoemd Landelijk procesreglement luidt als volgt:


Opmerkingen en accentueringen op producties (bewijsstukken)

Overgelegde producties (bewijsstukken) bevatten geen opmerkingen en geen accentueringen die in het originele stuk niet voorkomen. Producties (bewijsstukken) die hieraan niet voldoen, kunnen worden teruggezonden. De indiener vervangt de teruggezonden stukken direct door exemplaren die van deze opmerkingen en accentueringen zijn geschoond.



6.6.
Artikel 85 lid 1 Rv verplicht een procespartij om een processtuk waarop zij zich beroept in het geding te brengen. Met de bepaling wordt uitdrukking gegeven aan de op partijen rustende waarheids- en volledigheidsplicht. Aan artikel 85 Rv kan geen afdwingbare aanspraak op verkrijging van stukken worden ontleend. Wél kan de rechter aan het niet (volledig) overleggen van het betreffende stuk de conclusies verbinden die hij geraden acht.
Indien Corrpro c.s . menen dat een document ten onrechte niet of niet volledig in het geding is gebracht, staat aan hen de weg van de artikelen 194-195 Rv open. Dan kan ook het argument van Corrpro c.s . aan de orde komen dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst invloed zou kunnen hebben op de rechtspositie van Corrpro en [gedaagde] .



6.7.

[eiseres] heeft zich bij dagvaarding beroepen op de vaststellingsovereenkomst die [naam] met [eiseres] gesloten heeft, meer concreet: op artikel 2 van die vaststellngsovereenkomst. Ter onderbouwing van dat beroep heeft [eiseres] de vaststellingsovereenkomst bij dagvaarding in het geding gebracht (als productie 10). Verder heeft [eiseres] daarbij in voetnoot 1 van de dagvaarding de volgende opmerking gemaakt: “Omwille van geheimhoudingsverplichtingen en bedrijfsgeheime inhoud van de vaststellingsovereenkomst zijn de overige passages van de Vaststellingsovereenkomst onleesbaar gemaakt.”). Daarmee heeft [eiseres] voldaan aan het voorschrift van artikel 85 lid 1 Rv. Punt 2.15 van het Landelijk procesreglement doet hier niet aan af en van strijdigheid met de eisen van een goede procesorde is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.



6.8.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.



6.9.
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen Corrpro c.s . in de proceskosten in dit incident worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [eiseres] worden tot aan deze uitspraak begroot op:

salaris advocaat € 653,00 (1 punt in liquidatietarief II)

Totaal € 653,00.






7De beslissing
De rechtbank


in het bevoegdheidsincident



7.1.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] , voor zover die vorderingen gebaseerd zijn op ongerechtvaardigde verrijking;



7.2.
wijst de incidentele vordering van Corrpro c.s . in zoverre toe;



7.3.
wijst af het meer en anders door Corrpro c.s . gevorderde in het incident;



7.4.
veroordeelt Corrpro c.s . in de proceskosten van € 831,00, te vermeerderen met
€ 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;



7.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


in het incident ex artikel 85 Rv




7.6.
wijst de vordering af;



7.7.
veroordeelt Corrpro c.s . in de proceskosten van € 653,00;



7.8.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


in de hoofdzaak




7.9.
verwijst de zaak, voor zover de rechtbank daarin bevoegd is, naar de rol van 8 april 2026 voor conclusie van antwoord;



7.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
901/3669
Link naar deze uitspraak