|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:1855 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 24/1237 t/m 24/1240 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | IB/PVV. Vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | persoonsgebonden aftrek | | | verzamelinkomen | | | wettelijke rente | | | zorgkosten | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1237 t/m 24/1240
uitspraakdatum: 24 maart 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de erven van [erflater] te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)
en het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 17 april 2024, nummers ARN 23/2793 en 23/2795, in het geding tussen belanghebbenden en de Inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan [erflater] (hierna: erflater) zijn aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) voor de jaren 2016 en 2017 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 22.459 en € 24.327.
1.2.
Vervolgens zijn aan erflater over de jaren 2016 en 2017 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 23.919 en € 25.311. Bij beschikkingen is € 78, respectievelijk € 35 aan belastingrente berekend.
1.3.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen verminderd tot navorderingsaanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 23.861 en € 25.230. Hij heeft daarbij de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Inspecteur heeft geen kostenvergoeding voor het bezwaar toegekend.
1.4.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Inspecteur heeft hangende het beroep de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 ambtshalve verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.327.
1.5.
De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 in stand blijven en de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 vernietigd. De Rechtbank heeft daarnaast de Inspecteur veroordeeld tot vergoedingen van immateriële schade van € 2.000 en van proceskosten van € 1.968,75 en de Inspecteur gelast het door belanghebbenden betaalde griffierecht te vergoeden.
1.6.
Zowel belanghebbenden als de Inspecteur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Partijen hebben over en weer verweerschriften ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord: A. Schuurman, als de gemachtigde van belanghebbenden, alsmede mr. [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
In de aangifte IB/PVV 2016 heeft erflater een belastbaar inkomen uit werk en woning opgegeven van € 22.459. Daarbij heeft erflater een bedrag van € 1.460 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Dit bedrag kan als volgt worden gespecificeerd:
Vervoerskosten € 1.923
Genees- en heelkundige zorg € 180 +/+
Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 2.103
Af: Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 643 -/-
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 1.460
2.2.
In de aangifte IB/PVV 2017 heeft erflater een belastbaar inkomen uit werk en woning opgegeven van € 24.327. Daarbij heeft erflater een bedrag van € 1.029 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Dit bedrag kan als volgt worden gespecificeerd:
Vervoerskosten € 1.673
Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 1.673
Af: Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 644 -/-
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 1.029
2.3.
De (primitieve) aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 zijn conform deze aangiften aan erflater opgelegd.
2.4.
De aangifte IB/PVV 2018 van erflater is door de Inspecteur in het kader van projectcode 1043 geselecteerd voor handmatige controle. De Inspecteur heeft voor dat jaar de door erflater opgegeven specifieke zorgkosten gecorrigeerd.
2.5.
De Inspecteur heeft erflater bij brieven van 6 maart 2020 verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de specifieke zorgkosten (uitgaven voor vervoer) die erflater heeft opgenomen in zijn aangiften IB/PVV 2016 en IB/PVV 2017.
2.6.
De gemachtigde van erflater heeft met dagtekening 26 maart 2020 stukken en een toelichting gestuurd aan de Inspecteur. De gemachtigde heeft in zijn toelichting het volgende geschreven:
“Specifieke zorgkosten: Vervoerskosten door ziekte of invaliditeit
- [ziekenhuis] informeert dat wegens het recent gebruik maken van een ander administratie systeem het niet mogelijk is afsprakenoverzicht van de jaren 2016 en 2017 te doen toekomen. Cliënt krijgt middels " [webportal ziekenhuis] " eveneens geen inzicht in zijn afsprakenoverzichten van 2016 en 2017. Voor betreffende afsprakenoverzichten verwijst cliënt naar de [verzekering] Declaratieoverzichten 2016 en 2017. Informatie over opnames zijn wel beschikbaar.
- [fysiotherapeut] conform Declaratie historie [fysiotherapeut] 2016 en 2017;
Cliënt is niet in staat inzicht in zijn autokosten van 2016 en 2017 te geven, ten gevolge waarvan € 0,19/km gehanteerd behoort te worden.
Verzoek
Cliënt heeft tijdens de invulfase aangifte IB/Pvv-2016 totaal 5.349 km a € 0,35/km + € 50,40 parkeergeld opgegeven.
Cliënt verzoekt totaal 5.349 km x € 0,19/km = € 1.016,31 is afgerond € 1.017 als vervoerskosten voor het jaar 2016 te hanteren.
Cliënt heeft tijdens de invulfase aangifte IB/Pvv-2017 totaal 4.780 km a € 0,35/km opgegeven.
Cliënt verzoekt totaal 4.780 km x € 0,19/km = € 908,20 is afgerond € 909 als vervoerskosten voor het jaar 2017 te hanteren.”
2.7.
De Inspecteur heeft bij brieven van 2 april 2020 aan erflater aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV 2016 en IB/PVV 2017 te zullen gaan opleggen. Wat betreft het jaar 2016 heeft hij aangekondigd dat hij de in aanmerking genomen specifieke zorgkosten (vervoerskosten) zal corrigeren met € 1.523. Omdat de specifieke zorgkosten van erflater daarmee onder de drempel uitkomen, zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 zien op een correctie van de volledige in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van € 1.460. Wat betreft het jaar 2017 heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij de in aanmerking genomen specifieke zorgkosten zal corrigeren met een bedrag van € 984, hetgeen – na toepassing van de drempel van € 644 – leidt tot een aftrek van specifieke zorgkosten van € 45.
2.8.
De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen conform zijn voornemen aan erflater opgelegd.
2.9.
De gemachtigde heeft met dagtekening 21 juni 2020 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen. Hij heeft daarbij onder meer aangegeven dat erflater meer afspraken heeft bezocht in het ziekenhuis dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan. Daarbij heeft hij het afsprakenoverzicht gevoegd. De gemachtigde heeft onder meer het volgende aan de Inspecteur geschreven:
“[…]
Gelet op het voornoemde bedragen onderhavige vervoerskosten:
2016: [ziekenhuis] : 21 x 53 km = 1.113 km + [fysiotherapeut] = 1.628 km = Totaal 2.741 km x € 0,19 = € 521;
2017: [ziekenhuis] : 13 x 53 km = 689 km + [fysiotherapeut] = 2.838 km = Totaal 3.527 km x € 0,19 = € 671;
Cliënt verzoekt de inspecteur:
- vernietiging van de op 19 mei 2020 vastgestelde navorderingsaanslag IB/Pvv-2016;
- onderhavige navorderingsaanslag te wijzigen conform het gestelde in voomoemde brief van 26 maart 2020;
- het verzamelinkomen overeenkomstig vast te stellen;
- de te betalen belastingrente overeenkomst vast te stellen;
- vernietiging van de op 19 mei 2020 vastgestelde navorderingsaanslag IB/Pvv-2017;
- onderhavige navorderingsaanslag te wijzigen conform het gestelde in voomoemde brief van 26 maart 2020;
- het verzamelinkomen overeenkomstig vast te stellen;
- de te betalen belastingrente overeenkomst vast te stellen;
- proceskostenvergoeding wegens het opstellen en verzenden van onderhavig bezwaarschrift;
[…]”
2.10.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 februari 2023 beslist op de bezwaarschriften van erflater tegen beide navorderingsaanslagen. Deze beslissingen heeft hij toegelicht bij brieven van 31 januari 2023. Na schriftelijke afstemming met de gemachtigde heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen verminderd conform de door de gemachtigde (nader) aangegeven vervoerskosten. Dat heeft voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 geleid tot een totale aftrek aan specifieke zorgkosten van € 58 en voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot een totale aftrek aan specifieke zorgkosten van € 126. In beide toelichtingen op de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur voorts, voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Horen
Ik heb u niet gehoord omdat ik geheel tegemoet kom aan uw bezwaar.
Kostenvergoeding
U hebt verzocht om vergoeding van de kosten die uw cliënt in verband met de behandeling van dit bezwaar heelt moeten maken. Om voor deze vergoeding in aanmerking te komen moet het besluit waartegen het bezwaarschrift is gericht na bezwaar worden herzien wegens een onrechtmatigheid die aan de Belastingdienst is te wijten. Omdat het oorspronkelijke besluit is herzien op grond van gegevens die u pas in de bezwaarfase hebt verstrekt, kan niet worden gesteld dat de herziening heeft plaatsgevonden wegens een onrechtmatigheid die aan de Belastingdienst is te wijten. Daarom wijs ik uw verzoek af.”
2.11.
De Inspecteur heeft, lopende de beroepsprocedure, de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 met dagtekening 27 oktober 2023 ambtshalve verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.327. In het bij de Rechtbank ingediende verweerschrift heeft de Inspecteur daarover het volgende geschreven:
“10 Overige opmerking
Met dagtekening 27 oktober 2023 is een verminderingsbeschikking aan belanghebbende verzonden (bijlage 19). Het verzamelinkomen is daarbij vastgesteld op € 24.327, dit is conform het verzamelinkomen zoals vastgesteld werd in de definitieve aanslag van 20 juni 2018. Feitelijk is de navorderingsaanslag derhalve geheel teniet gedaan. De verminderingsbeschikking is echter het gevolg van een aanvankelijk verkeerde beoordeling van het beroep en is dus onterecht geweest. De vermindering zal wel in stand worden gelaten.”
2.12.
De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 in haar uitspraak vernietigd.
3Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of:
de Inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden door e-mails van 3 augustus 2020, 21 juni 2021 en 1 februari 2023 niet aan de Rechtbank te verstrekken en voorts of het niet in het dossier opnemen van die stukken ertoe leidt dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid;
de vergoeding van immateriële schade juist is berekend door de Rechtbank;
voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding moet worden toegekend.
3.2.
De volgende punten zijn, omdat de gemachtigde van belanghebbenden deze punten ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken, niet meer in geschil:
1) of de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden ten aanzien van het handhaven van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016;
2) of de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 moet worden vernietigd omdat de controle is uitgevoerd in het kader van projectcode 1043;
3.3.
Voorts is in hoger beroep niet meer in geschil dat de Inspecteur het hoorrecht heeft geschonden, omdat de Inspecteur zich ter zitting van Hof – na debat hierover – alsnog heeft verenigd met de beslissing van de Rechtbank hierover.
3.4.
Tot slot hebben partijen ter zitting van het Hof eenstemmig verklaard dat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase moet worden bepaald op 2 punten (beroepschrift, zitting) x wegingsfactor 1 x € 934 en dat geen proceskostenvergoeding moet worden toegekend voor het in beroep gedane verzoek om toekenning van een immateriëleschadevergoeding.
4Beoordeling van het geschil
Stukken
4.1.
Belanghebbenden stellen dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, in ieder geval niet in de beroepsfase. Belanghebbenden hebben de ontbrekende correspondentie (e-mails van 3 augustus 2020, 21 juni 2021 en 1 februari 2023) zowel ter zitting bij de Rechtbank – waarbij de stukken echter door de Rechtbank buiten beschouwing zijn gelaten – als bij het hogerberoepschrift ingebracht. Deze correspondentie ontbreekt in de stukken die de Inspecteur in zijn dossier tot zijn beschikking heeft. Gelet daarop stellen belanghebbenden zich op het standpunt dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en niet deugdelijk zijn gemotiveerd, hetgeen tot een schending van artikel 3:2, respectievelijk 7:12 van de Awb leidt. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof beaamd dat de e-mails hadden moeten worden overgelegd nu het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, maar hij betwist dat de uitspraken op bezwaar ondeugdelijk zijn gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.
4.2.
Uit de dossiers volgt niet dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig door de Inspecteur zijn voorbereid. Uit de omstandigheid dat de Inspecteur zijn beslissingen op bezwaar in overleg met de gemachtigde heeft afgestemd, volgt juist het tegendeel. Voorts blijkt uit de onderhavige dossiers dat de Inspecteur zijn in bezwaar genomen beslissingen - in vervolg op dat overleg - in zijn uitspraken op bezwaar heeft gemotiveerd. Dit betekent dat, anders dan belanghebbende betogen, van een schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb geen sprake is. Het Hof stelt vast dat, nu de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verstrekt, hij wel het bepaalde in artikel 8:42 Awb heeft geschonden. In aanmerking genomen dat belanghebbenden zelf over die stukken beschikken en die stukken in (hoger) beroep hebben overgelegd, zal het Hof aan die schending geen gevolgen verbinden. Daarbij merkt het Hof nog op dat aan belanghebbende voor de beroepsfase reeds een proceskostenvergoeding is toegekend (zie 3.3).
Navorderingsaanslag IB/PVV 2016
4.3.
In aanmerking genomen dat belanghebbenden hun formele grieven met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben ingetrokken en de grief over het niet overleggen van de e-mails niet tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 leidt, blijft de beslissing van de Rechtbank over deze navorderingsaanslag in hoger beroep in stand.
Vergoeding immateriële schade
4.4.
Belanghebbenden stellen dat de Rechtbank ten onrechte eenmaal een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend. Volgens hen kan geen samenhang worden aangenomen tussen de procedures voor beide navorderingsaanslagen. Daarom is de Inspecteur volgens belanghebbenden voor beide navorderingsaanslagen een afzonderlijke immateriëleschadevergoeding verschuldigd. Belanghebbenden hebben in dat verband verwezen naar jurisprudentie van onder meer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2017 en van de rechtbank Den Haag van 29 april 2014.
4.5.
In het arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, moet worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.
4.6.
Uit het dossier volgt dat de behandeling van de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep inzake de onderhavige navorderingsaanslagen gelijktijdig heeft plaatsgevonden, waarbij het in beide zaken gaat om de in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek en waarbij dezelfde formeelrechtelijke grieven zijn aangevoerd. Daarmee is, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, sprake van samenhang in de zin van r.o. 3.10.2 het hiervoor genoemde arrest. De omstandigheid dat de uiteindelijke getalsmatige uitwerking voor de jaren verschillend is en dat afzonderlijke navorderingsaanslagen zijn opgelegd, maakt dat, anders dan belanghebbenden stellen, niet anders. De verwijzing naar de in 4.4. genoemde uitspraken, doet daaraan niet af, reeds omdat deze uitspraken betrekking hebben op dwangsombeschikkingen en niet op vergoedingen van immateriële schade.
4.7.
In aanmerking genomen dat belanghebbenden in hoger beroep geen andere grieven hebben aangevoerd tegen de door de Rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade van € 2.000, blijft die beslissing in hoger beroep in stand.
Kostenvergoeding bezwaar
4.8.
Belanghebbenden hebben gesteld dat zij recht hebben op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat de Inspecteur aan de bezwaren is tegemoetgekomen en de navorderingsaanslagen daarmee zijn herroepen De Inspecteur heeft betwist dat belanghebbenden recht hebbenop een kostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat de navorderingsaanslagen niet zijn herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.
4.9.
De kosten die een belanghebbenden in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbenden voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, lid 2 van de Awb). De navorderingsaanslagen zijn opgelegd omdat erflater (de gemachtigde) er niet in slaagde de door hem in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten te onderbouwen. De navorderingsaanslagen zijn vervolgens in bezwaar verminderd omdat de gemachtigde in bezwaar alsnog stukken heeft overgelegd op grond waarvan de door erflater in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten (gedeeltelijk) door de Inspecteur aannemelijk werden bevonden. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 is vervolgens hangende het beroep – abusievelijk - verder ambtshalve door de Inspecteur verminderd tot nihil. De Rechtbank heeft die beslissing geformaliseerd door de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 te vernietigen (zie 2.11 en 2.12). Hoewel, gelet op de verminderingen, de onrechtmatigheid van het opleggen van de navorderingsaanslagen (in beginsel) een gegeven is, is die onrechtmatigheid naar het oordeel van het Hof niet aan de Inspecteur te wijten. Het is immers aan erflater als degene die de aftrek van de kosten claimt om deze in aftrek gebrachte kosten met bewijs te onderbouwen als daarom, zoals hier, verzocht wordt. Nu erflater dat bewijs aanvankelijk niet heeft aangeleverd maar dat pas in de bezwaarfase heeft gedaan, is het herroepen van de navorderingsaanslagen niet te wijten aan onrechtmatig handelen van de Inspecteur maar het gevolg van het verzuim van erflater om tijdig, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen de in aftrek gebrachte kosten deugdelijk met bewijs te onderbouwen. De conclusie luidt derhalve dat belanghebbenden geen recht hebben op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de navorderingsaanslagen niet zijn herroepen vanwege aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
4.10.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbenden hebben hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbenden ongegrond en het hoger beroep van de Inspecteur gedeeltelijk – wat betreft de proceskostenvergoeding voor beroep (zie 3.4) - gegrond.
5Proceskosten
5.1.
Het Hof veroordeelt de Inspecteur, overeenkomstig de ter zitting eenstemmig door partijen afgelegde verklaring (zie 3.4), tot het vergoeden van de proceskosten aan belanghebbende voor in beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.868 (2 punten (beroepschrift, zitting) x wegingsfactor 1 x € 934).
5.2.
Nu het Hof het hoger beroep van de Inspecteur gedeeltelijk gegrond verklaart, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden voor de behandeling van het verweer ten aanzien van het hoger beroep van de Inspecteur redelijkerwijs hebben moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt deze kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand - overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht - vast op € 1.868 (2 punten (verweerschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934).
5.4.
Dit betekent dat de proceskostenvergoeding daarmee in totaal voor de beroeps- en hogerberoepsfase een bedrag van € 3.736 beloopt.
6Wettelijke rente
6.1.
De Inspecteur heeft in verband met het door hem ingestelde hoger beroep de proceskostenvergoeding, de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van het griffierecht waartoe hij door de Rechtbank is veroordeeld tot op heden niet voldaan. Belanghebbenden hebben naar aanleiding daarvan – eerst in hoger beroep – verzocht om toekenning van een vergoeding van wettelijke rente over die vergoedingen. De Inspecteur heeft daartegen geen verweer gevoerd.
6.2.
In zijn arrest van 21 december 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verschuldigdheid van wettelijke rente en de verplichting om die rente te vergoeden – ongeacht of de betaling van die rente bij de rechter is gevorderd – rechtstreeks voortvloeien uit a) de wet (artikel 6:119 BW), b) de vaststelling van de rechter van de verplichting tot vergoeding van proceskosten en/of griffierecht, en c) het niet tijdig betalen. De termijn waarover wettelijke rente moet worden vergoed vangt aan vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan.
6.3.
Het Hof heeft de door de Rechtbank voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding in hoger beroep opnieuw – maar op een lager bedrag dan de Rechtbank - vastgesteld. Daarover is de Inspecteur rente verschuldigd, en wel vanaf vier weken na de uitspraak van de Rechtbank. Dat geldt evenzeer voor de door de Rechtbank toegekende vergoeding van het griffierecht en de vergoeding van immateriële schade.
7Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover deze ziet op de beslissing inzake de proceskostenvergoeding;
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 1.868 ter zake van het beroep;
– bepaalt dat de Inspecteur over de voor het beroep toegekende vergoedingen van proceskosten, griffierecht en vergoeding van immateriële schade wettelijke rente is verschuldigd vanaf vier weken na de uitspraak van de Rechtbank is gedaan;
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868 ter zake van het hoger beroep, en;
– bepaalt dat de Inspecteur over de voor het hoger beroep toegekende proceskostenvergoeding wettelijke rente is verschuldigd vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak door het Hof is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
De griffier, De raadsheer,
(G.J. van de Lagemaat) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2264.
Rb Den Haag, zaaknummers: SGR 13/6545 tot en met 13/6550, 13/6557 en 13/6566 (niet gepubliceerd).
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.
Vgl. ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.
HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|