Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:6431 
 
Datum uitspraak:23-03-2026
Datum gepubliceerd:06-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:24/2862
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Eisers bijstandsuitkering herzien en teveel betaalde teruggevorderd vanwege later ontvangen schadevergoeding. Schadevergoeding dient te worden aangemerkt als middelen in de periode waarin bijstand is ontvangen. Ongegrond.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
burgerlijk wetboek
erfenis
heffingskorting
inkomstenbelasting
levensonderhoud
loonbelasting
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/2862

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: mr. U. Özcan en mr. T. Harmankaya),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).



Procesverloop

1. Eiser ontving sinds 19 januari 2017 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).


1.1.
Op 27 juni 2023 heeft het college de tussen 19 januari 2017 en 11 maart 2023 aan eiser uitgekeerde uitkering ingetrokken en een bedrag van € 1.771 teruggevorderd (primair besluit 1).



1.2.
Op 30 juni 2023 heeft het college eisers uitkering over de periode van 12 maart 2017 tot en met 31 januari 2023 herzien en € 38.319,22 teruggevorderd (primair besluit 2).



1.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en de grondslag van de terugvordering gewijzigd naar artikel 58, tweede lid, onder f, ten eerste, van de Pw omdat het ging om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 deels gegrond verklaard, omdat het terug te vorderen bedrag per maand eerder te hoog was vastgesteld, en de terugvordering verlaagd naar € 28.932,37. Ook hier ging het om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. De beslissing op bezwaar is in deze zaak het bestreden besluit.



1.4.
Eiser heeft op 20 maart 2024 beroep ingesteld en het beroep op 20 mei 2024 aangevuld. Het college heeft op 20 oktober 2024 gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, zijn gemachtigden en de gemachtigde van het college deelgenomen.




Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser heeft, na een bedrijfsongeval dat plaatsvond op 21 december 2016, een schadevergoeding ontvangen van in totaal € 136.151,-. Het bedrag was opgebouwd uit vijf onderdelen: verlies van arbeidsvermogen: € 100.000,-; kosten huishoudelijke hulp: € 13.651,-; verlies van zelfwerkzaamheid: € 10.000,-; smartengeld € 10.000,-; en diverse materiële kosten € 2.500,-. Het totaalbedrag is in vier delen uitbetaald: het eerste voorschot van € 12.500,- op 12 oktober 2017; het tweede voorschot van € 5.000,- op 31 oktober 2018; het derde voorschot van € 5.000,- op 25 november 2020 en een slotbetaling van € 113,651,- op 2 februari 2023. De beslissing op bezwaar en het huidige beroep beperken zich tot de bedragen die aan eiser zijn vergoed ter verlies van arbeidsvermogen (€ 100.000,-) en voor de kosten van huishoudelijke hulp (€ 13.651,-).


2.1.
Omdat eisers vermogen door ontvangst van de schadevergoeding met terugwerkende kracht was toegenomen met € 13.651,- had eiser volgens het college de voor hem geldende vermogensgrens was € 11.880,- met € 1.711,- overschreden. Dit bedrag heeft het college teruggevorderd, omdat eiser dit bedrag over de periode 19 januari 2017 tot en met 11 maart 2023 als teveel verstrekte bijstand heeft ontvangen.



2.2.
Omdat het bedrag uit de schadevergoeding van € 100.000,- was bestemd voor het verlies van arbeidsvermogen in de periode waarin bijstand was ontvangen, heeft het college de in die periode teveel verstrekte bijstandsuitkering teruggevorderd.




Toetsingskader

3. De voor deze zaak relevante wetgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.



Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het college het bestreden besluit terecht heeft genomen.


Heeft het college de schadevergoeding terecht aangemerkt als middelen over de periode waarin bijstand is verstrekt?

5. Volgens eiser heeft hij zijn rechten op de schadevergoeding verworven met een overeenkomst met de verzekeringsmaatschappij van 15 december 2022 en kon de schadevergoeding ter vergoeding van verlies van arbeidsvermogen pas door hem te gelde worden gemaakt na uitbetaling daarvan in februari 2023. Het gaat in dit geval om middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen en deze dienen in aanmerking te worden genomen over de periode waarin zij zijn verworven. Omdat de rechten in kwestie verworven zijn met de overeenkomst die op 15 december 2022 tot stand is gekomen tussen eiser en de verzekering, heeft het college het schadevergoedingsbedrag volgens eiser ten onrechte aangemerkt als middelen in de periode vóór die datum.


5.1.
Volgens het college ontstaat, bij de toekenning van een schadevergoeding na een ongeval, de aanspraak op die schadevergoeding op de datum van het ongeval. Het bedrag van € 100.000,- ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen kon worden aangemerkt als naderhand verkregen inkomen en de ontvangst daarvan moest worden toegerekend aan de datum van het ongeval. Dat eiser de schadevergoeding pas te gelde kon maken in februari 2023 doet daar niet aan af.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het deel van het schadevergoedingsbedrag van € 100.000,-, dat aan eiser is vergoed ter compensatie van zijn verlies van arbeidsvermogen, dient te worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de Pw (en dus als middelen in de zin van paragraaf 3.4 van de Pw).



5.3.
Wanneer een betrokkene pas achteraf kan beschikken over middelen waarop al eerder aanspraak bestond en die zien op een periode waarin bijstand is verleend, moeten deze in aanmerking worden genomen bij de verstrekte bijstand. Deze situatie vormt een zelfstandige grond voor terugvordering onder artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontstaat, na toekenning van schadevergoeding bij een ongeval dat plaatsvond vóór de aanvang van bijstandverlening, de aanspraak op die schadevergoeding op de aanvangsdatum van de bijstand. Dat in deze uitspraak van de CRvB wordt verwezen naar een van zijn eerdere uitspraken waarin deze lijn wordt aangehouden met betrekking tot een erfenis maakt niet, zoals eiser stelt, dat deze lijn niet kan worden gevolgd bij de uitkering van een schadevergoeding. Ook bij de uitkering van een schadevergoeding gaat het om middelen die betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en waarover een belanghebbende pas naderhand kan beschikken.



5.4.
Eisers bedrijfsongeval vond plaats op 26 december 2016 en hij ontving vanaf 19 januari 2017 een bijstandsuitkering. De peildatum voor eisers aanspraak op de schadevergoeding was in dit geval die laatste datum. Het college heeft de schadevergoeding terecht in aanmerking genomen bij het vaststellen van eisers recht op bijstand in de periode van 12 maart 2017 tot en met 31 januari 2023.



5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Kon eiser beschikken over het gehele schadevergoedingsbedrag?

6. Volgens eiser kon hij niet volledig beschikken over het deel van het uitgekeerde schadevergoedingsbedrag dat was aangemerkt ter vergoeding van het verlies van arbeidsvermogen, omdat dit bedrag deels zal worden aangewend voor het dichten van het ontstane pensioengat.



6.1.
Volgens het college kan het gehele schadevergoedingsbedrag aan verlies van arbeidsvermogen worden verrekend met de bijstandsuitkering en hoeft geen rekening te worden gehouden met eventueel te maken kosten voor het dichten van een pensioengat. Daarnaast is in het bestreden besluit reeds aangegeven dat eiser, ook bij het ontbreken van een toekomstig pensioen, zal kunnen blijven beschikken over een inkomen van ten minste het sociaal minimum.



6.2.
Op grond van artikel 31, eerste lid van de Pw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Zoals reeds besproken gold het schadevergoedingsbedrag ter vergoeding van het verlies van arbeidsvermogen als inkomen in de zin van de Pw. Dit deel van het schadevergoedingsbedrag valt ook niet onder een van de categorieën vrij te laten middelen uit het tweede lid van artikel 31 van de Pw.



6.3.
Ondanks het gestelde voornemen van eiser om een deel van het schadevergoedingsbedrag aan te wenden ter voorziening in zijn pensioen, moet het bedrag gezien worden als middelen waar eiser over beschikte of redelijkerwijs kon beschikken in de zin van artikel 31 van de Pw. Er is ook geen sprake van een geoormerkte component in het schadevergoedingsbedrag dat door de verzekeraar in bijvoorbeeld een pensioenverzekering is gestort. Het college heeft dit deel van het schadevergoedingsbedrag terecht aangemerkt als middelen en betrokken bij de terugvordering van de teveel betaalde bijstand.



6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Heeft het college een onjuiste vermogensgrens gehanteerd?

7. Volgens eiser heeft het college bij primair besluit 1 een onjuiste vermogensgrens gehanteerd. Verweerder had niet de vermogensgrens van 2017 moeten hanteren maar die van 2023, omdat eiser in dat laatste jaar pas over het vermogen beschikte. Als die vermogensgrens zou zijn aangehouden, zou eisers door het college vastgestelde vermogen van € 13.651,- onder die grens zijn gebleven. Omdat het bestreden besluit op dit punt aanzienlijk nadeliger is voor eiser, levert het een schending van het evenredigheidsbeginsel op.



7.1.
Volgens het college mocht het bedrag van € 13.651,- als naderhand verkregen middelen in aanmerking worden genomen en worden afgezet tegen het bij aanvang van de bijstand aanwezige vermogen, ten opzichte van de toen voor eiser geldende vermogensgrens. Volgens het college is het doel van terugvordering de goede besteding van gemeenschapsgeld. Bijstand moet toekomen aan de personen die het nodig hebben en er recht op hebben en het college kan het voor bijstand beschikbare budget maar één keer besteden. In dit geval heeft eiser te veel bijstand ontvangen doordat bij de berekening van de uitkering rekening gehouden diende te worden met de achteraf ontvangen middelen. Terugvordering van de te veel ontvangen bijstand is daarbij een geschikt en noodzakelijk middel om het doel van de goede besteding te bereiken. Van bijzondere omstandigheden in de vorm van onaanvaardbare financiële of sociale consequenties bij eiser die aanleiding geven om van dit standpunt af te wijken is niet gebleken, aldus het college.



7.2.
Op grond van artikel 34, tweede lid, onder b van de Pw wordt vermogen onder de in dat jaar van toepassing zijnde vermogensgrens niet in aanmerking genomen. Deze vermogensgrens betrof in 2017, het jaar waarin het bedrijfsongeval plaatsvond, € 11.880,- en in 2023, het jaar waarin het laatste deel van de uitbetaling van de schadevergoeding plaatsvond, € 15.210,-. Volgens de eerder aangehaalde jurisprudentie van de CRvB dient bij de toekenning van schadevergoeding voor een ongeval dat plaatsvond vóór de aanvang van bijstandverlening de aanvangsdatum van de bijstand te worden aangehouden als peildatum voor het vermogen en dient de vermogensgrens van dat jaar te worden aangehouden. In dit geval ontving eiser sinds 19 januari 2017 een bijstandsuitkering en diende daarom de vermogensgrens van dat jaar te worden aangehouden. Het college heeft dus een juiste vermogensgrens gehanteerd en terecht de teveel betaalde bijstand boven die grens teruggevorderd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze werkwijze in dit geval voor hem leidt tot zodanig nadelige consequenties dat dit een schending van het evenredigheidsbeginsel oplevert.



7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Heeft het college de vergoeding voor huishoudelijke hulp ten onrechte aangemerkt als vermogen?

8. Volgens eiser heeft het college het deel van de schadevergoeding dat ziet op de kosten voor huishoudelijke hulp van € 13.651,- ten onrechte aangemerkt als vermogen, waardoor zijn vermogen uitkwam boven de voor hem in 2017 geldende vermogensgrens van € 11.880,-. Omdat er bij eiser sprake is van 25% verlies van de eigen bijdrage in de huishouding, zal hij in de toekomst een beroep moeten doen op de tegoeden om huishoudelijke hulp te betalen en eiser zal dit bedrag moeten reserveren voor eventuele toekomstige uitgaven op dit gebied.



8.1.
Het college stelt dat eiser, ondanks verzoeken daartoe, niet heeft aangetoond dat hij sinds zijn bedrijfsongeval in december 2016 huishoudelijke hulp heeft gehad of daarvoor uitgaven heeft gedaan, noch dat hij daarvoor geld heeft gereserveerd. Aangezien - zeker nu tien jaar verstreken is sinds het ongeval - niet vastgesteld kan worden dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de mogelijke noodzaak voor huishoudelijke hulp in te toekomst, moet worden aangenomen dat het bedrag van € 13.651,- vrij te besteden is. Volgens het college werd het bedrag dat is uitgekeerd voor huishoudelijke hulp dan ook terecht gerekend tot eisers vermogen.



8.2.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals in het voorgaande is overwogen, in dit geval de aanvangsdatum van de bijstand dient te worden aangehouden als peildatum voor het naderhand door eiser verkregen vermogen. Het college heeft daarom terecht besloten dat eisers vermogen door de uitbetaling van de schadevergoeding met terugwerkende kracht de in 2017 geldende vermogensgrens overschreed. Dat het bedrag van € 13.651,- door de verzekeraar was aangemerkt voor (het inkopen van) huishoudelijke hulp, maakt niet dat eiser daarover niet feitelijk kon beschikken. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de toegekende schadevergoeding aan de kosten van huishoudelijke hulp is besteed of zal worden besteed. Het college heeft dit bedrag dan ook terecht meegenomen bij de berekening van eisers vermogen.



8.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Is het bestreden besluit onevenredig wegens gebrek aan correspondentie met eiser?

9. Volgens eiser had het college beter met hem moeten communiceren. Als was gereageerd op eisers mails en herinneringen, had hij rekening kunnen houden met een terugvordering en een weloverwogen keuze kunnen maken bij de onderhandelingen over het voorstel tot schadevergoeding. Wanneer het bestreden besluit in stand zou worden gelaten zou dit om deze reden getuigen van een onevenredige hardheid.



9.1.
Het college stelt dat er wél is gereageerd en wijst op verschillende stukken in het dossier waarin eiser te woord zou zijn gestaan. Eisers gemachtigde is volgens het college geadviseerd om contact op te nemen met het college zodra er sprake zou zijn van een uitbetaling.



9.2.
De rechtbank overweegt dat in gedingstukken 41 (rapportage bijstand van 23 maart 2022), 47 (brief van het college aan eiser van 23 maart 2022), 48 (rapportage bijstand van 10 augustus 2022) en 53 (brief van het college aan eiser van 10 augustus 2022), waarnaar wordt verwezen door het college, staat dat het college telefonisch en schriftelijk contact heeft gehad met eisers toenmalige letselschadeadvocaat over de vraag of de te ontvangen schadevergoeding zou worden meegenomen als middelen in de zin van de Pw. Nadat eisers advocaat op 5 juli 2022 het (op dat moment nog voorliggend) voorstel tot schadevergoeding doorstuurde naar het college, antwoordde het college op 10 augustus 2022 dat de vergoeding voor een deel meegenomen zou kunnen worden in het inkomen of vermogen van eiser. Het college gaf aan dat met name het onderdeel ‘verlies van arbeidsvermogen’ werd gezien als inkomen. Ook liet het college weten dat het schadevergoedingsbedrag met terugwerkende kracht zou worden verrekend met de uitkering. Uit deze stukken komt naar voren dat er wel degelijk contact is geweest tussen het college en eisers letselschadeadvocaat, waardoor de stelling van eiser dat het college niet heeft gereageerd feitelijke grondslag mist. Alleen al daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit om die reden onevenredig zou zijn.



9.3.
De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat het college niet heeft gereageerd op vragen over de eventuele gevolgen van de schadevergoeding op eisers uitkering en dat het bestreden besluit daarmee onevenredig was. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

10. Het college heeft de teveel aan eiser verstrekte bijstand terecht teruggevorderd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, voorzitter, mr. T.A. Oudenaarden en mr. A. Drahmann, leden, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Participatiewet



Artikel 31

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)


Artikel 32

1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. (…)

2 Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt. (…)


Artikel 34

(…)
2 Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:

a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;

het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid; (…)


Artikel 58

(…)
2 Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:

a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

voortvloeit uit gestelde borgtocht;

ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;

anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of

anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

1°. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;

2°. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming. (…)


Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 mei 2009 ECLI:NL:CRVB:2009:BI4420, onder 4.3 en 25 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1728, onder 2.


Zie ook de toelichting bij artikel 88 in de Memorie van Toelichting bij de herinrichting van de Algemene Bijstandswet, kamerstuk 22 545, nr. 3, 1991-1992, p. 172. “Dit artikel geeft een terugvorderingsgrond indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt, bijvoorbeeld vanwege een met terugwerkende kracht toegekende uitkering of een aandeel in een onverdeelde boedel. Dan kan gedurende enige tijd bijstand nodig zijn. Zodra over die middelen kan worden beschikt (…) dient uiteraard tot terugvordering te worden overgegaan.”


Zie de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430, onder 4.9.


Zie de uitspraak van de CRvB van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2238.


Zie de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430, onder 4.9.
Link naar deze uitspraak