|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2726 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25_2113 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Pw, bijzondere bijstand, kosten vliegticket, territorialiteitsbeginsel, zeer dringende redenen, evenredigheidsbeginsel, beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | reserveringsruimte | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2113
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rheden, het college
(gemachtigden: M. Alzaghtiti en T. Dorman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor de kosten van een retourvliegticket van Nederland naar Zuid-Afrika op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 2 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor, onder meer, bijzondere bijstand voor de kosten van een retourvliegticket van Nederland naar Zuid-Afrika. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep van eiser in de zaak met nummer ARN 25/431, op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en doet de rechtbank in elke zaak afzonderlijk uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat het college tijdens de zitting heeft verduidelijkt dat in het bestreden besluit het territorialiteitsbeginsel ten grondslag ligt aan de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand. De rechtbank beoordeelt om die reden alleen de beroepsgrond van eiser die gericht is tegen deze afwijzingsgrond. Dat wat het college en eiser naar voren hebben gebracht over mogelijke andere afwijzingsgronden, zoals de vraag of sprake is van een voorliggende voorziening of dat sprake is van noodzakelijke kosten, laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.
Territorialiteitsbeginsel
4. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor de kosten van een retourvliegticket van Nederland naar Zuid-Afrika afgewezen op grond van artikel 11 van de Pw. Het college overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bijstand uitsluitend kan worden verstrekt voor kosten die een directe binding met Nederland hebben. Dit betekent dat bijstandsverlening voor reiskosten van en naar het buitenland niet mogelijk is, behalve voor zover de reis over Nederlands grondgebied plaatsvindt. De kosten van een retourvliegticket naar Zuid-Afrika zijn duidelijk buiten Nederland gemaakt en niet aan Nederland verbonden.
4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte het territorialiteitsbeginsel ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand. De kosten hebben namelijk wel een directe band met Nederland. Het gaat namelijk om een (noodzakelijke) behandeling van een Nederlander, die in Nederland is gestart, verleend wordt door een in Nederland gevestigde zorgverlener en volledig vergoed wordt door een Nederlandse zorgverzekeraar met uitzondering van de kosten van het vliegticket. Anders dan vanuit het volledig aan Nederland gebonden behandelingstraject zou er immers geen reden zijn deze reiskosten te maken. Het tegenwerpen van het territorialiteitsbeginsel klemt verder ook, omdat het college de algemene bijstand van eiser wél heeft voortgezet gedurende zijn verblijf in Zuid-Afrika voor zover dat langer duurde dan vier weken. Het is inconsequent als het college de aanvraag om bijzondere bijstand dan afwijst. Tot slot betoogt eiser dat uit stukken, die hij naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid van het college heeft ontvangen, blijkt dat het college veelvuldig bijzondere bijstand verstrekt voor reiskosten.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het in artikel 11, eerste lid, van de Pw, neergelegde territorialiteitsbeginsel bijstandsverlening uitsluit voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die niet aan Nederland zijn gebonden. Dit brengt met zich mee dat voor bijstandsverlening in de kosten van een verblijf in het buitenland alsmede van een vliegreis naar en vanuit het buitenland geen plaats is, behalve voor zover die reis wordt gemaakt over Nederlands grondgebied. Anders dan eiser heeft betoogd, vormt de omstandigheid dat de reis naar Zuid-Afrika een onderdeel vormt van de door hem in Nederland gestarte behandeling, geen reden om te oordelen dat de kosten van de reis in Nederland zijn opgekomen of aan Nederland zijn gebonden. De kosten bestaan immers uitsluitend uit in het buitenland gemaakte reiskosten. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 2 januari 2007.
4.3.
Dat het college eiser gedurende zijn verblijf van langer dan vier weken in Zuid-Afrika zijn algemene bijstand is blijven doorbetalen, betekent niet dat het college hem daarom bijzondere bijstand had moeten verlenen. Met algemene bijstand mag een bijstandsontvanger maximaal vier weken per jaar in het buitenland verblijven. Dat het college de algemene bijstand van eiser om welke reden dan ook niet heeft stopgezet voor de periode langer dan vier weken, maakt niet dat het college eiser om die reden bijzondere bijstand had moeten verlenen.
4.4.
In zoverre eiser een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit betoog niet. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat het college in andere gevallen wel bijzondere bijstand heeft verleend voor reiskosten buiten Nederland.
Zeer dringende redenen
5. Eiser betoogt dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan alsnog bijzondere bijstand moet worden verstrekt. Vanwege de verslavingsproblematiek van eiser en de lange wachttijd bij IrisZorg, heeft eiser gekozen voor de behandeling bij Recovery. Iemand die verslaafd is, kan namelijk niet negen maanden wachten.
5.1.
Artikel 16, eerste lid, van de Pw biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 11, eerste lid, van de Pw, voor de in geschil zijnde kosten (bijzondere) bijstand te verlenen, indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat van zeer dringende redenen sprake kan zijn in het geval van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij zeer dringende redenen gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet beoogd om een algemene ontsnappingsclausule te bieden.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit dat wat eiser heeft aangevoerd niet blijkt dat sprake is van zeer dringende redenen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een verslaving ernstig kan zijn, heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat de verslavingsproblematiek dusdanig ernstig was dat dit aangemerkt had moeten worden als een acute noodsituatie die alleen met bijstandsverlening had kunnen worden opgelost. Bovendien staat vast dat eiser de kosten van het vliegticket heeft kunnen voldoen en hij de behandeling ook heeft kunnen ondergaan.
Evenredigheidsbeginsel
6. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het college verwijst in het bestreden besluit alleen naar het begrip “zeer dringende redenen”. Dit zijn echter twee verschillende zaken. Het college dient ook te beoordelen wat dit besluit voor eiser betekent, in relatie tot het belang van de gemeente. Het college heeft niet bij het besluit betrokken dat eiser in 2024 enkele maanden geen inkomen heeft gehad en vanaf april 2024 enkel bijstand. Hij heeft schulden en over 2024 was er geen enkele reserveringsruimte. Dat de gemeente de bijstand volledig achteraf betaalt, maakt het onmogelijk om enige ruimte binnen het maandbudget te creëren. Bovendien weet de gemeente dat eiser in de periode april tot september 2024 nog meer bijzondere kosten heeft gehad, waarbij het college geen enkele rol heeft willen spelen. Het gaat dan om kosten voor een spoedtandarts, vervolgbehandelingen en de kosten van een paspoort in een spoedprocedure.
6.1.
Artikel 11 van de Pw heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de Pw, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In tegenstelling tot wat eiser betoogt, is er in beginsel geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Dat wat eiser heeft aangevoerd, kan bovendien niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid die niet of niet ten volle verdisconteerd is in de afweging van de wetgever.
Heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar?
7. Eiser stelt tot slot dat het college het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard en hem ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft toegekend. Het college heeft in het bestreden besluit namelijk een volledig andere motivering ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag dan in het primaire besluit. Dat de uiteindelijke uitkomst, de afwijzing van de aanvraag, ook met de nieuwe motivering in de ogen van het college dezelfde is doet daar niet aan af.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB staat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de weg aan de handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging. In geval van eiser is bij het primaire besluit de aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen, omdat de kosten niet aangemerkt kunnen worden als noodzakelijke kosten van bestaan. Na bezwaar is die grond niet gehandhaafd, maar vervangen door de grond dat het territorialiteitsbeginsel in de weg staat aan het verlenen van bijzondere bijstand. Het bestreden besluit strekt echter nog steeds tot afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand, waardoor het rechtsgevolg voor eiser nog steeds hetzelfde is. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit dus niet herroepen. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:15 van de Awb en bestond er geen recht op proceskostenvergoeding in bezwaar. Het college heeft die kosten terecht niet aan eiser vergoed. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals verwoord in artikel 11 van de Pw.
Het college verwijst naar de uitspraken van de CRvB van 2 januari 2007, LJN AZ5967 en van 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6468.
Zie bv. ECLI:NL:CRVB:2007:BB3869.
Zie bv. ECLI:NL:CRVB:2011:BU8467.
ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5967.
Zie bv. de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:98.
Zie bv. de uitspraak van de CRvB van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.
Zie bijvoorbeeld CRvB 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2743. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|