|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2782 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 24/508 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep van eiser tegen de besluiten van de staatssecretaris op zijn verzoek op grond van de Wjsg om inzage in en het verkrijgen van afschriften van over hem bijgehouden dagrapportages. De rechtbank oordeelt dat het beroep, gericht tegen de besluiten van 18 december 2023, 6 oktober 2025 en 5 november 2025, niet-ontvankelijk is. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM toe. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/508
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen),
en
de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. F. Boone).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de besluiten van de staatssecretaris op het verzoek van eiser op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) om inzage in en het verkrijgen van afschriften van dagrapportages die over hem zijn bijgehouden. De rechtbank beoordeelt ook het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep, gericht tegen de besluiten van 18 december 2023, 6 oktober 2025 en 5 november 2025, niet-ontvankelijk is. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM toe en stelt de hoogte hiervan vast op € 500. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser was gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Arnhem (PI). Met het besluit van 29 september 2023 heeft de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI afwijzend beslist op het verzoek van eiser van 17 maart 2023 om de over hem bijgehouden dagrapportages in te zien en afschriften daarvan te verkrijgen.
2.1.
Met het besluit van 18 december 2023 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2023.
2.3.
Op 6 oktober 2025 heeft de staatssecretaris het besluit van 18 december 2023 ingetrokken en een nieuw besluit genomen op het bezwaar van eiser. Met dit besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser gegrond verklaard en dagrapportages over de periode van 21 februari 2023 tot en met 30 september 2023 verstrekt.
2.4.
Bij brief van 29 oktober 2025 heeft eiser meegedeeld dat hij het niet eens is met het besluit van 6 oktober 2025. Ook heeft hij een verzoek om schadevergoeding ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. E.W.B. Wilting als gemachtigde van de staatssecretaris.
2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst. De rechtbank was voor aanvang van de zitting niet op de hoogte van de reactie van eiser van 29 oktober 2025 en heeft op de zitting geconcludeerd dat het beroep niet direct inhoudelijk kon worden behandeld. De rechtbank heeft bepaald dat de staatssecretaris binnen vier weken na de zitting een verweerschrift moest indienen en heeft eiser verzocht om meer informatie te verstrekken over de hoogte van de verzochte schadevergoeding.
2.7.
De staatssecretaris heeft op 5 november 2025 een verweerschrift ingediend en, omdat is gebleken dat met het besluit van 6 oktober 2025 geen volledige inzage is gegeven in de dagrapportages over eiser, een aanvullend besluit genomen door opnieuw dagrapportages te verstrekken.
2.8.
Het onderzoek is voortgezet op de zitting van 19 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
2.9.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren.
De beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser nog belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 18 december 2023?
3. De staatssecretaris heeft het besluit van 18 december 2023 ingetrokken en op
6 oktober 2025, aangevuld op 5 november 2025, opnieuw beslist op het bezwaar van eiser. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op deze besluiten. Niet gesteld of gebleken is dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 18 december 2023. Het beroep, voor zover gericht tegen dit besluit, is daarom niet-ontvankelijk.
Heeft eiser nog belang bij een beoordeling van het beroep tegen de besluiten van 6 oktober 2025 en 5 november 2025?
4. Tussen partijen is niet in geschil dat, omdat de staatssecretaris het besluit van
6 oktober 2025 heeft aangevuld met het besluit van 5 november 2025, het besluit van
6 oktober 2025 een gebrek kent en dus onrechtmatig is. Verder heeft eiser op de zitting desgevraagd bevestigd dat de staatssecretaris met het aanvullende besluit van 5 november 2025 volledige inzage heeft gegeven in de over hem opgemaakte dagrapportages. Dat eiser ook een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, leidt in dit geval niet tot een procesbelang. Het is daarvoor in dit geval namelijk niet noodzakelijk dat de rechtbank een oordeel geeft over de onrechtmatigheid van het besluit van 6 oktober 2025, omdat de staatssecretaris de onrechtmatigheid van dat besluit heeft erkend. Dit betekent dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de besluiten van
6 oktober 2025 en 5 november 2025. Het beroep, voor zover gericht tegen deze besluiten, is daarom eveneens niet-ontvankelijk.
Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door de staatssecretaris?
5. Eiser betoogt dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de staatssecretaris. Volgens eiser is hij door de late verstrekking van de dagrapportages in zijn persoon aangetast. Ter onderbouwing wijst eiser op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2025.
5.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak sluit de bestuursrechter voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade aan bij het civiele schadevergoedingsrecht.
Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon op andere wijze dan schending van eer of goede naam is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
5.3.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door de staatssecretaris af. In dit geval brengen de aard en de ernst van de normschending niet met zich dat de nadelige gevolgen voor eiser van het pas op
5 november 2025 verkrijgen van volledige inzage in de dagrapportages, zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Verder heeft eiser op geen enkele wijze met concrete gegevens onderbouwd waarom hij door de late verkrijging van de dagrapportages in zijn persoon is aangetast. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2025 is in dit verband onvoldoende. In die procedure was namelijk, anders dan in dit geval, sprake van een te late verwijdering van gegevens van eiser. Omdat het betreffende bestuursorgaan onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat derden geen kennis hadden genomen of hadden kunnen nemen van de gegevens die al vernietigd hadden moeten zijn, oordeelde de rechtbank dat eiser als gevolg hiervan in zijn persoon was aangetast. Deze situatie doet zich niet voor bij een te late verkrijging van gegevens en daarom is geen sprake van vergelijkbare gevallen.
Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
6. Eiser verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de staatssecretaris en de rechtbank is behandeld, het processuele gedrag van eiser tijdens de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.
6.2.
De redelijke termijn voor de behandeling van het beroep inclusief de bezwaarschriftprocedure bedraagt in beginsel maximaal twee jaren, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden bestaat recht op een schadevergoeding van € 500, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In deze zaak betekent dit het volgende.
6.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de staatssecretaris op 9 november 2023 tot de datum waarop de rechtbank deze einduitspraak doet, zijn twee jaren en ongeveer vijf maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer of minder dan twee jaren te stellen. De redelijke termijn is dan ook met ongeveer vijf maanden overschreden. De rechtbank stelt de schadevergoeding vast op een bedrag van € 500. De termijnoverschrijding is geheel toe te wijzen aan de rechtbank. Dit heeft tot gevolg dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de vergoeding van € 500 aan eiser moet betalen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep, gericht tegen de besluiten van 18 december 2023, 6 oktober 2025 en
5 november 2025, is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe, en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser van € 500. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.
7.1.
Omdat eiser niet ten onrechte bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten die eiser in bezwaar en beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.001 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 30 oktober 2025 en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 19 maart 2026, met een waarde per punt van € 666 in bezwaar en € 934 in beroep en een wegingsfactor 1). Verder stelt de rechtbank de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting op 19 maart 2026 overeenkomstig zijn verzoek vast op € 64,86. De staatssecretaris moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep, gericht tegen de besluiten van 18 december 2023, 6 oktober 2025 en 5 november 2025, niet-ontvankelijk;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal
€ 3.065,86;
bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden;
wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 500 aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de minister voor Rechtsbescherming.
Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210).
ECLI:NL:RBNNE:2025:4698.
Zie onder meer ABRvS 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2421) en ABRvS 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1537). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|