Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3017 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:24-04-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB - 24_3294
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Artikel 4.6 van de Wet open overheid. Woo-verzoeken zijn niet onverwijld buiten behandeling gesteld. Artikel 3.13 en 3.15 van het Burgerlijk Wetboek. Geen misbruik van recht.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
waterschap
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/3294
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. D. Heuker of Hoek),

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland
(gemachtigden: mr. J.J.W. van Ingen en ing. L.J.H. Berkers).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de verzoeken van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo) over de dijkversterkingsprojecten Streefkerk-Ameide-Fort Everdingen (SAFE) en Diefdijk. Eiseres is het niet eens met het besluit van het college. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de verzoeken.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de Woo-verzoeken niet onverwijld buiten behandeling heeft gesteld. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met de beslissing op bezwaar van 10 april 2024 heeft het college de buitenbehandelingstelling van het Woo-verzoek van eiseres in stand gelaten.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.






Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

3. Op 22 oktober 2023 heeft eiseres 22 Woo-verzoeken ingediend. Deze Woo-verzoeken zien op informatie die betrekking heeft op de dijkversterkingsprojecten SAFE en Diefdijk.


3.1.
Met het besluit van 23 november 2023 heeft het college de Woo-verzoeken buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht. Volgens het college hebben de Woo-verzoeken een ander doel dan het verkrijgen van publieke informatie, namelijk het onevenredig belasten van het ambtelijk apparaat (artikel 4.6 van de Woo). Het college leidt dit af uit de volgende omstandigheden:


eiseres heeft een geschil met het waterschap over de wijze waarop de plannen voor de dijkversterkingen tot stand komen/zijn gekomen;


eiseres heeft 22 verzoeken tegelijkertijd ingediend;


de omvangrijkheid van de verzoeken (elk verzoek afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang);


het opvragen van niet bestaande documenten (o.a. de verzoeken onder 1, 5, 6 en 13);


het opvragen van documenten die geen betrekking hebben op de publieke taak dan wel geen bestuurlijke aangelegenheid betreffen (o.a. de verzoeken onder 4 en 6);


het opvragen van documenten die reeds openbaar zijn (o.a. het verzoek onder 2);


het feit dat eiseres reeds eerder Wob-verzoeken heeft ingediend over de dijkversterking SAFE waarbij een grote hoeveelheid documenten is verstrekt;




het verzoek van eiseres om terug te komen op een onherroepelijk Wob-besluit van 10 november 2021 (verzoek onder 3);


het feit dat eiseres sinds geruime tijd weigert, al dan niet via mediation, met het college in gesprek te gaan.





3.2.
Met de beslissing op bezwaar van 10 april 2024 heeft het college het besluit tot buitenbehandelingstelling in stand gelaten.


Is het beroep niet-ontvankelijk?

4. Tijdens de zitting heeft het college de rechtbank gevraagd in overweging te nemen om het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren wegens misbruik van recht (artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het college verwijst in dit kader naar recente rechtspraak over de verhouding tussen artikel 4.6 van de Woo en artikel 3:13 van het BW. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van recht en dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.



4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter kan op grond van artikel 3:13, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. In zo’n geval kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, maar daarvoor zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven dat het gebruik van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo.



4.2.
Eiseres heeft in haar Woo-verzoeken verzocht om openbaarmaking van informatie die betrekking heeft op de dijkversterkingsprojecten SAFE en Diefdijk. De rechtbank overweegt dat indien het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard, eiseres geen oordeel van de rechter kan verkrijgen over de ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het buiten behandeling stellen van dit verzoek. Nu er geen andere mogelijkheid bestaat voor eiseres om de stukken te verkrijgen waar zij met haar Woo-verzoeken om heeft verzocht, wordt haar daarmee dus in feite de toegang tot de rechter ontzegd. De door het college naar voren gebrachte omstandigheden – zoals genoemd onder 3.1. – zijn onvoldoende zwaarwichtig om te rechtvaardigen dat eiseres de toegang tot de rechter wordt ontzegd. Weliswaar heeft eiseres 22 verschillende Woo-verzoeken op dezelfde datum ingediend, maar zij heeft toegelicht dat dit was ingegeven door praktische overwegingen en niet om de werkzaamheden van het college te frustreren. De rechtbank maakt uit die verzoeken niet op dat eiseres haar bevoegdheid om Woo-verzoeken in te dienen heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven.


Mocht het college de Woo-verzoeken van eiseres op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling stellen?

5. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat het college de Woo-verzoeken van eiseres niet buiten behandeling mocht stellen wegens misbruik van recht. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



5.1.
Het bestreden besluit vindt zijn grondslag in artikel 4.6 van de Woo. Deze bepaling luidt als volgt:

‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’




5.2.
De rechtbank stelt vast dat het college de Woo-verzoeken van eiseres in deze procedure niet binnen twee weken na ontvangst hiervan buiten behandeling heeft gesteld. Het college heeft de verzoeken namelijk op 30 oktober 2023 ontvangen en heeft deze pas met het primaire besluit van 23 november 2023 buiten behandeling gesteld. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of het college dit besluit alsnog onverwijld heeft genomen nadat was gebleken dat eiseres kennelijk een ander doel heeft met haar verzoek dan het verkrijgen van publieke informatie.



5.3.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat als evident geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid en objectief kan worden vastgesteld dat er redelijkerwijs geen belang bij een verzoek bestaat, een dergelijk verzoek vereenvoudigd moet kunnen worden afgedaan. Een termijnstelling van twee weken is daarbij gerechtvaardigd, omdat de bevoegdheid om een dergelijk besluit te nemen in het leven wordt geroepen om in voorkomende gevallen een verzoek vereenvoudigd af te doen. Dan mag van het bestuursorgaan worden verwacht dat het terstond dergelijke gevallen afdoet. Als sprake is van een omvangrijker verzoek, kan in de loop van de behandeling blijken dat de verzoeker een ander doel heeft dan het verkrijgen van informatie. Daarom is in artikel 4.6 van de Woo opgenomen dat, ook na de genoemde twee weken, een buitenbehandelingstelling kan volgen. Dan moet echter wel later gebleken zijn dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van informatie en het besluit moet dan alsnog verwijld worden genomen. Het bestuursorgaan moet dit motiveren.



5.4.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat pas later dan twee weken bleek dat eiseres met de verzoeken een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Dat had volgens het college te maken met drukke werkzaamheden en onderbezetting bij het college. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd waarom in dit geval later dan twee weken bleek dat eiseres met een ander doel de Woo-verzoeken heeft ingediend dan het verkrijgen van informatie. Daar zijn ook geen aanwijzingen voor; zo heeft het college bijvoorbeeld niet om extra informatie gevraagd over de Woo-verzoeken en het college heeft zich ook niet op het standpunt gesteld dat binnen de twee weken nog niet duidelijk was met welk doel de verzoeken door eiseres volgens het college was ingediend. Het college heeft dus onvoldoende gemotiveerd waarom de buitenbehandelingstelling onder de genoemde omstandigheden toch onverwijld was. Het college was daarom niet bevoegd de Woo-verzoeken met toepassing van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het college de Woo-verzoeken niet onverwijld buiten behandeling heeft gesteld. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar. De rechtbank herroept het primaire besluit waarbij de Woo-verzoeken buiten behandeling zijn gesteld. Het college moet binnen twaalf weken na ontvangst van deze uitspraak en met inachtneming hiervan een nieuw besluit nemen op de Woo-verzoeken van eiseres.


6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook moet het college een proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.







Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar van 10 april 2024;


herroept het primaire besluit van 23 november 2023;


draagt het college op om binnen een termijn van twaalf weken na ontvangst van deze uitspraak en met inachtneming hiervan een nieuwe beslissing op de Woo-verzoeken van eiseres te nemen;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Wet openbaarheid van bestuur.


ECLI:NL:RBOBR:2025:7218.


ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163.


Zie onder meer ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2061, r.o. 6.7, laatste twee zinsneden.


Kamerstukken II 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 79-80.
Link naar deze uitspraak