|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:4433 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 26/2178 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Voorlopige voorziening. Participatiewet, intrekking bijstandsuitkering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Stroomopwaarts niet aannemelijk gemaakt dat de ex-partner van verzoekster zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, waardoor niet is vast komen te staan dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verzoek toegewezen. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2178
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Vlaardingen, verzoekster
(gemachtigde: mr. F. Çelen),
en
het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, Stroomopwaarts
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoekster is het niet met de intrekking eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Stroomopwaarts niet aannemelijk gemaakt dat de ex-partner van verzoekster zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, waardoor niet is vast komen te staan dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 heeft Stroomopwaarts de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 2] (tolk), [naam 3] (begeleider van verzoekster) en de gemachtigde van Stroomopwaarts.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster heeft sinds 4 april 2024 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen. Het preventieonderzoek dat ten tijde van de aanvraag heeft plaatsgevonden, heeft Stroomopwaarts aanleiding gegeven voor een (her)onderzoek. Stroomopwaarts heeft onderzoek verricht naar de BRP, sociale-mediabronnen, de financiële administratie van verzoekster en informatie uit anonieme meldingen. Ook heeft Stroomopwaarts waarnemingen bij de woning en een huisbezoek in de woning van verzoekster verricht. Op basis van het verrichte onderzoek heeft Stroomopwaarts geconcludeerd dat verzoekster en haar gesteld ex-partner, [naam 4] (ex-partner), een gezamenlijke huishouding voeren, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Pw en dat verzoekster vanaf 1 februari 2026 geen recht heeft op een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande (ouder). Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 heeft Stroomopwaarts daarom de bijstandsuitkering van verzoekster beëindigd per 1 februari 2026. Stroomopwaarts heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat aan het bestreden besluit een schending van de inlichtingenplicht ten grondslag ligt, nu verzoekster niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-partner.
4. Verzoekster is het niet eens met de intrekking van de bijstandsuitkering. Zij betwist dat sprake is van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner. Zij wenst met het verzoek om een voorlopige voorziening te bereiken dat aan haar weer een bijstandsuitkering wordt toegekend, desnoods in de vorm van leenbijstand.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
6. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig, nu het geschil van partijen ziet op de vraag of verzoekster zich in bijstand behoevende omstandigheden bevindt en bijstand een vangnetvoorziening is. Daarbij heeft verzoekster ter zitting onweersproken gesteld dat zij haar vaste lasten niet kan betalen op dit moment.
Mocht Stroomopwaarts de bijstandsuitkering van verzoekster intrekken omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding?
7. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de Pw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in de woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Niet in geschil is dat uit de relatie tussen verzoekster en haar ex-partner een kind is geboren. Gelet hierop dient voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, te worden beoordeeld of verzoekster en haar ex-partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Het hoofdverblijf van iemand is naar vaste rechtspraak daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als twee personen ieder over een woning beschikken, moet voor ieder afzonderlijk worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing.
8. De intrekking van een bijstandsuitkering is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. Stroomopwaarts heeft in de onderzoeksrapportage die zij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, verschillende onderzoeksbevindingen opgenomen die een langere periode beslaan. In januari 2025 heeft Stroomopwaarts in de BRP geconstateerd dat verzoekster op het uitkeringsadres samen woont met de zoon van haar ex-partner en hun gezamenlijke zoon. Meer recent heeft Stroomopwaarts internetwaarnemingen gedaan in augustus, september en oktober 2025. Op 14 oktober 2025 heeft Stroomopwaarts onderzoek gedaan naar meerdere anonieme meldingen van bijstandsfraude. In oktober, november 2025 en januari 2026 zijn waarnemingen verricht bij de woning van verzoekster en op 4 februari 2026 is een huisbezoek gedaan. Bij de internetwaarnemingen heeft Stroomopwaarts onder meer geconstateerd dat de ex-partner geregeld voorkomt op foto’s en video’s die zijn geplaatst op het Facebook-account van verzoekster. Bij de waarnemingen ter plaatse heeft Stroomopwaarts de (bedrijfs)auto van de ex-partner in oktober en november 2025 en januari 2026 meermaals bij de woning van verzoekster aangetroffen in de avonduren en/of in de vroege ochtend. Tijdens het huisbezoek van 4 februari 2026 was de ex-partner van verzoekster in de woning aanwezig, lag herenshampoo en een tas met herenkleding in de woning en zijn stukadoorspullen in de kelder van de woning aangetroffen.
9. Hoewel in de hiervoor onder 8. genoemde onderzoeksbevindingen aanwijzingen te vinden zijn dat de ex-partner regelmatig in de woning van verzoekster aanwezig is, vindt de voorzieningenrechter dat deze bevindingen in een ander licht zijn komen te staan door de onderbouwde verklaring van verzoekster dat de ex-partner sinds september 2025 vaker aanwezig is in de woning vanwege de gedragsproblematiek van zijn oudste zoon, maar dat hij niet in de woning woont en daar ook niet overnacht. Verzoekster heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat het gezin onder de aandacht staat van verschillende instanties. In het ‘Meldformulier Jeugdbeschermingsplein’ (meldformulier) is opgenomen dat verzoekster en haar ex-partner uit elkaar zijn en dat de ex-partner elders woont, maar dat hij wel veel in het gezin aanwezig is om verzoekster bij te staan bij de opvoeding van de kinderen. Uit het meldformulier volgt daarnaast dat de ex-partner eerder ten aanzien van de woning van verzoekster een tijdelijk huisverbod opgelegd heeft gekregen voor de periode van 6 augustus 2025 tot en met 14 november 2025 vanwege huiselijk geweld. De ambulante hulpverlener van verzoekster heeft verder zowel schriftelijk als op de zitting verklaard dat zij van februari 2025 tot heden wekelijks in de woning van verzoekster aanwezig is in het kader van hulpverlening. In de periode vanaf februari 2025 is door haar geen situatie waargenomen waarin sprake lijkt te zijn van samenwoning tussen verzoekster en haar ex-partner. Er is geen post aangetroffen op naam van de ex-partner en ook zijn geen persoonlijke spullen van de ex-partner waargenomen, zoals kleding, schoenen of verzorgingsproducten. De ambulante hulpverlener heeft daarbij verklaard in elke ruimte van de woning te komen, waaronder ook de slaapkamers en badkamer. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan deze verklaring van de ambulant hulpverlener, een zorgprofessional, te twijfelen. De enkele stelling van Stroomopwaarts dat de ambulant hulpverlener alleen overdag in de woning komt is daarvoor onvoldoende. Ook de stelling van Stroomopwaarts dat in de woning van verzoekster herenkleding en stukadoorsspullen zijn aangetroffen, maakt niet dat aan de verklaring van de ambulant hulpverlener moet worden getwijfeld. Verzoekster heeft verklaard dat de tas met herenkleding van haar neef was, die tijdens het huisbezoek ook in de woning aanwezig was. De opslag van stukadoorsspullen in de kelder van de woning maakt – nog daargelaten de vraag of deze spullen inderdaad van de ex-partner zijn – zonder nadere onderbouwing niet dat de ex-partner zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Uit de in de woning aangetroffen herenshampoo kan deze conclusie ook niet worden getrokken. Eiseres heeft hierover verklaard dat haar zoons deze shampoo gebruiken. Gelet op dit alles heeft de voorzieningenrechter twijfels over de conclusie van het onderzoek van Stroomopwaarts dat verzoekster en haar ex-partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De voorzieningenrechter weegt daarbij ook mee dat uit het bestreden besluit en het onderzoek van Stroomopwaarts niet blijkt dat de problematiek die op dit moment speelt in het gezin van verzoekster is meegenomen in de beoordeling.
10. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat het adres waar de ex-partner is ingeschreven is onderzocht. Stroomopwaarts heeft op de zitting ook bevestigd dat naar dit adres geen onderzoek is verricht. De ex-partner staat sinds 11 december 2025 ingeschreven op een adres te Rotterdam bij een echtpaar. Nu Stroomopwaarts geen nader onderzoek heeft gedaan naar dit adres, kan niet worden uitgesloten dat de ex-partner zijn hoofdverblijf in die woning heeft.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat Stroomopwaarts onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ex-partner van verzoekster zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verzoekster. Daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Pw en is niet aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstandsuitkering voldaan. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na het besluit op bezwaar. Dat betekent dat verzoekster weer een bijstandsuitkering dient te ontvangen.
13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet Stroomopwaarts het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Stroomopwaarts moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit van 23 februari 2026 tot zes weken na het besluit op bezwaar;
bepaalt dat Stroomopwaarts het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt Stroomopwaarts tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3467.
Zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:110.
Zie de uitspraak van de Raad van 7 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:8. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|