Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:582 
 
Datum uitspraak:14-04-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/1013 en BK-24/1014
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:BIZ-bijdrage gemeente Noordwijk 2023 en 2024; Art. 6, 9 en 19 Bekendmakingswet, art. 4 en 5 Wet BIZ, art. 107, lid 1, VWEU. Bekendmakingswet in dit geval niet van toepassing op bekendmaking uitslag draagvlakmeting, maar wel kenbaarheidseisen. Bericht over uitslag draagvlakmeting op plaatselijke nieuwswebsite niet voldoende kenbaar voor inwerkingtreding verordening; latere plaatsing in Gemeenteblad voldoet wel. Voordien opgelegde aanslag 2023 berust niet op rechtsgeldige verordening. Aanslag 2024 geldig. Bericht in Gemeenteblad toerekenbaar aan college gelet op tekst. Verordening voldoet aan consolidatieverplichting van art. 19 Bekendmakingswet. Uitvoeringsovereenkomst is geldig. Draagvlakmeting zorgvuldig. Reglement voor meting wettelijk niet vereist. Strekking verordening voldoende gecommuniceerd; dat vrijstellingsbepaling niet is vermeld doet daar niet aan af. Vraag op stembiljet niet onduidelijk of onzorgvuldig. Stelling niet ontvangen folder en brief met uitleg ongeloofwaardig. Basisvoorzieningenniveau voldoende vastgelegd. Geen verboden staatssteun, reeds omdat subsidieverstrekking de-minimisdrempel niet overschrijdt.
Trefwoorden:belastingrecht
subsidies
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/1013 en BK-24/1014

Uitspraak van 14 april 2026

in het geding tussen:


[X] , h.o.d.n. [X-1] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G.O. Hoeksma)
en

de Heffingsambtenaar van Belastingen Bollenstreek, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 november 2024, nummers SGR 23/5070 en SGR 24/5292.

Procesverloop

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2023 en 2024 aanslagen BIZ-bijdrage opgelegd voor het object [adres] te [woonplaats 1] , beide ten bedrage van € 400 (de aanslagen).
1.2. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de tegen de aanslagen gemaakte bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan zijn griffierechten van respectievelijk € 50 en € 51 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht van eenmaal € 279 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 20 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1. De aanslag is opgelegd voor de onroerende zaak [adres] te [woonplaats 1] (de onroerende zaak).
2.2. Belanghebbende was op 1 januari 2023 en 1 januari 2024 gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gelegen in de bedrijveninvesteringszone Noordwijkerhout Centrum (de BI-zone).
2.3. Op 19 september 2022 hebben de gemeente Noordwijk en Stichting BIZ Noordwijkerhout Centrum (de Stichting) de “Uitvoeringsovereenkomst Bedrijveninvesteringszone Noordwijkerhout Centrum 2023-2027” gesloten (de Uitvoeringsovereenkomst). In de Uitvoeringsovereenkomst staat onder meer:
“Overwegende:
- dat door het bestuur van de Noordwijkerhoutse Ondernemers Vereniging de wens is geuit een bedrijveninvesteringszone (BIZ) in te stellen:
- dat het bestuur van de Noordwijkerhoutse Ondememers Vereniging daartoe een activiteitenplan heeft opgesteld en voorgelegd aan de gemeente;
- dat de Noordwijkerhoutse Ondernemers Vereniging een informele peiling heeft gehouden onder de gebruikers van alle WOZ-objecten binnen het BZ-gebied, waarbij voldoende steun voor het voorstel blijkt;
- dat op 26 augustus 2022 de Stichting BIZ Noordwijkerhout Centrum is opgericht;
- dat aan de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk wordt voorgesteld een Verordening Bedrijveninvesteringszone Noordwijkerhout Centrum 2023 vast te stellen die, indien er sprake is van steun als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones, per 1 januari 2023 in werking treedt en als bijlage bij deze overeenkomst is opgenomen;
- dat deze uitvoeringsovereenkomst betrekking heeft op de in de verordening gedefinieerde bedrijveninvesteringszone zoals vermeld op de bij de verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart, die bij deze overeenkomst als bijlage is bijgevoegd;
- dat deze uitvoeringsovereenkomst conform artikel 7, lid 3, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones en artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is opgesteld ter uitvoering van de subsidieverlening aan de stichting.
Komen het volgende overeen:
(…)


5Subsidie

5.1.
De Algemene Subsidieverordening Noordwijk is op deze subsidie niet van toepassing.



5.2.
De stichting dient jaarlijks een schriftelijk verzoek om subsidie in met een bijbehorende begroting. De hiervoor bedoelde stukken worden jaarlijks uiterlijk op 1 oktober voorafgaand aan het betreffende subsidiejaar ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.



5.3.
De gemeente verplicht zich om de hele opbrengst van de heffing jaarlijks als subsidie uit te betalen aan de stichting gedurende de hele looptijd van de verordening.



5.4.
De stichting verplicht zich, in overeenstemming met artikel 7, lid 3 van de wet, daadwerkelijk de activiteiten uit te voeren waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt. Indien de stichting niet aan haar verplichtingen voldoet, kan de verordening worden ingetrokken, onverminderd de overige voor de gemeente uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten.



5.4.
De jaarlijkse subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen en is bestemd voor de onder artikel 6 van deze overeenkomst tussen stichting en gemeente overeengekomen activiteiten.



5.5.
Aan het begin van het jaar wordt de te verwachten opbrengst van de heffing van de BIZ-bijdragen berekend en wordt aan de hand daarvan een beschikking tot subsidieverlening afgegeven door de gemeente. De definitieve vaststelling van de subsidie vindt plaats na het tijdvak waarvoor het is verleend op basis van de daadwerkelijke opbrengst van de heffing van de BIZ-bijdragen zonder aftrek van de perceptiekosten.



5.6.
Bevoorschotting van de subsidie zal plaatsvinden in twee jaarlijkse termijnen, de eerste termijn (50% van de te verwachten opbrengst) op 1 maart en de tweede termijn (resterende bedrag ) op 1 juli van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, tot een maximum van 100% van het door de gemeente ontvangen in de beschikking genoemde bedrag. Na vaststelling van de subsidie vindt verrekening plaats.



5.7.
Ten behoeve van de subsidievaststelling legt de stichting jaarlijks vóór 1 april rekening en verantwoording af aan de gemeente over het in het voorafgaande jaar gevoerde beleid en de resultaten daarvan.



5.8.
Binnen dertien weken na ontvangst van de onder 5.6 genoemde verantwoording stelt het college de hoogte van de BIZ-subsidie over het voorgaande subsidiejaar definitief vast. Wanneer een deel van de BIZ-subsidie niet is besteed, kan de stichting een reservering maken voor de volgende periode.
Wanneer het vastgestelde bedrag hoger is dan het verstrekte voorschot, zal de gemeente het verschil binnen drie weken aan de stichting uitbetalen.
Wanneer (bijvoorbeeld door oninbare posten of gehonoreerde bezwaar- en beroepschriften) het vastgestelde bedrag lager is dan het verstrekte voorschot, zal dit verschil worden verrekend met de uit te betalen subsidie van het dan lopende subsidiejaar, dan wel zal de stichting het verschil binnen drie weken aan de gemeente betalen.



5.9.
In het eerste jaar dat de verordening in werking is getreden wordt de onder 5.6 genoemde eerste termijn op of kort na 1 januari 2023 als voorschot uitbetaald.





6Activiteiten
De stichting voert activiteiten uit in de openbare ruimte, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in de bedrijveninvesteringszone. Door te investeren in de inrichting van de openbare ruimte en het organiseren van evenementen in de bedrijveninvesteringszone, wil de stichting de verblijfsduur in het gebied verhogen en nieuwe bezoekers, gebruikers en investeerders aantrekken, die de economische vitaliteit van het gebied zullen verhogen.
De stichting wil dit onder andere realiseren door:
- De aankleding van het winkelgebied te versterken en te onderhouden: hierover worden nadere afspraken met de gemeente gemaakt.
- Het organiseren van evenementen in de openbare buitenruimte.
- Communicatie, promotie en informatievoorziening te verbeteren.

De activiteiten die de stichting wil ontplooien betreffen:
- de aankleding van het winkelgebied versterken en onderhouden:
- het organiseren van evenementen in de openbare buitenruimte;
- communicatie, promotie en informatievoorziening verbeteren;
- een bijdrage leveren aan dorpsbrede projecten:
- fungeren als aanspreekpunt voor regulier overleg met de gemeente;
- deelnemenbijdragen aan duurzaamheidprojecten;
- organiseren van ledenbijeenkomsten.




7Overleg, evaluatie en rapportage

7.1.
De gemeente draagt zorg voor de inrichting, het beheer en het onderhoud van de gehele openbare buitenruimte alsook de handhaving van het gewenste gebruik van de openbare buitenruimte.
Het basisvoorzieningenniveau van het dagelijkse onderhoud is gebaseerd op de op het moment van ondertekening van de uitvoeringsovereenkomst vastgestelde beheerplannen, die zijn in te zien bij de gemeente.



7.2.
De Stichting BIZ Noordwijkerhout Centrum kan eventueel met de gemeente nadere afspraken maken over het basisvoorzieningenniveau en dit vastleggen in een prestatieovereenkomst.

(…)





11Totstandkoming en tussentijdse beëindiging

11.1
Deze overeenkomst komt tot stand onder de opschortende voorwaarde dat de
verordening uiterlijk 1 januari 2023 van kracht wordt. Het college zal, na blijk van
voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet, middels een besluit de verordening in werking doen treden.



11.2.
De overeenkomst eindigt op 31 december van het jaar van intrekken, indien de verordening tussentijds wordt ingetrokken met toepassing van artikel 6 van de wet.”


2.4.1.
Ter uitvoering van de draagvlakmeting is aan de toekomstige bijdrageplichtigen in de bedrijveninvesteringszone een stembiljet uitgereikt, met daarbij een folder en brief van de gemeente Noordwijk met dagtekening 20 oktober 2022, met uitleg en informatie over de BI-zone, de draagvlakmeting, de geplande activiteiten en de BIZ-heffing.



2.4.2.
In de brief staat onder andere:

“De gemeente Noordwijk en de notaris stellen vast of er onder alle bijdrageplichtigen voldoende draagvlak aanwezig is. Daar is sprake van als aan de onderstaande wettelijke eisen is voldaan:
- Tenminste 50% van de bijdrageplichtigen heeft een stem uitgebracht en
- van deze stemmers moet tenminste 2/3e vóór stemmen.
Als aan deze bovengenoemde eisen is voldaan kan de BIZ Noordwijkerhout Centrum per 1 januari 2023 in werking treden. Alle ondernemers dragen dan vanaf 1 januari 2023 bij aan dit collectieve ondernemersfonds.

Om de BIZ per 1 januari 2023 in werking te laten treden is het dus belangrijk dat u uw stem uitbrengt.

Dit kunt u doen door bijgevoegd stemformulier in te vullen en deze te deponeren in de stembus bij het […] aan […] te […] of deze gesloten te versturen in bijgevoegde antwoordenvelop.

Ook kunt u de gesloten enveloppe met het stemformulier overhandigen aan mevrouw [Hof: naam is weggelakt] tijdens haar bezoek aan uw onderneming.”



2.4.3.
Met betrekking tot de BIZ-bijdrage is in de folder de volgende informatie opgenomen:

“De gebruikers van de bedrijfspanden in Noordwijkerhout centrum zullen gaan bijdragen aan de BIZ. Hiervoor is gekozen omdat de activiteiten die via de BIZ worden georganiseerd het meeste aansluiten bij de doelgroep van de gebruikers. De bijdrage aan de BIZ per WOZ object in Noordwijkerhout centrum is voor de hele BIZ periode bepaald op: €400,00 per kalenderjaar. Een uitgebreidere uitleg over de BIZ en de onderwerpen inclusief de begroting staan omschreven in het BIZ activiteitenplan BIZ Noordwijkerhout centrum 2023-2027. Wij zullen u bezoeken om e.e.a. toe te lichten. Desgewenst sturen wij u het plan per e-mail toe.”



2.4.4.
De folder verwijst naar het “BIZ Activiteitenplan Noordwijkerhout Centrum te gemeente Noordwijk” van 16 augustus 2022 (het activiteitenplan). Hierin zijn, kort samengevat, de volgende hoofdactiviteiten genoemd, die met de BIZ-bijdrage bekostigd zullen worden:


de aankleding van het gebied versterken en onderhouden;


het organiseren van evenementen;


het informeren van ondernemers binnen het gebied via een website en een nieuwsbrief;


communicatie en gebiedspromotie;


het bijdragen aan gemeentebrede projecten;


het houden van regulier overleg met de gemeente, en


het organiseren van ledenbijeenkomsten.






2.5.
Op 23 november 2022 heeft notaris […] te [woonplaats 2] een proces-verbaal opgemaakt, waarin onder andere het volgende is opgenomen:

“Draagvlakmeting
Op een november tweeduizend twee en twintig is voormelde draagvlakmeting van
start gegaan, waarbij alle een honderd achttien bijdrageplichtigen een genummerd
stembiljet hebben ontvangen. De draagvlakmeting heeft plaatsgevonden in de
periode van een november tweeduizend twee en twintig tot en met achttien
november tweeduizend twee en twintig.
(…)

Opening stembiljetten:
De ingediende stembiljetten van de bijdrageplichtigen zijn door mij, notaris, in bijzijn
van een medewerker van de gemeente Noordwijk, geopend op twee en twintig november tweeduizend twee en twintig en vervolgens beoordeeld.

Uitslag stemming

Mij is gebleken dat in totaal acht en zeventig correct ingevulde stembiljetten en één
incorrect ingevuld stembiljet zijn ingeleverd bij de gemeente Noordwijk. Van voormelde acht en zeventig stembiljetten hebben vier en vijftig bijdrageplichtigen vóór inwerkingtreding gestemd en vier en twintig bijdrageplichtigen tegen inwerkingtreding.”



2.6.
Op 30 november 2022 is een bericht verschenen op de niet aan de gemeente gelieerde nieuwswebsite “Blik op Noordwijkerhout”, waarin wordt vermeld dat wethouder […] op woensdagmiddag 30 november verslag heeft gedaan van de uitkomsten van de gehouden draagvlakmeting. In het bericht wordt vermeld dat de BI-zone per 1 januari 2023 een feit is en dat de ondernemers de komende vijf jaren € 400 per jaar zullen gaan bijdragen aan “de vele activiteiten en het onderhouden van voorzieningen in het centrum van Noordwijkerhout”.



2.7.
Op 8 september 2023 is in het Gemeenteblad 2023, nr. 387960, een “ander besluit van algemene strekking” gepubliceerd, waarin het volgende is opgenomen:

“Bekendmaking uitslag stemming BIZ Noordwijkerhout

Woensdagmiddag 30 november 2022 heeft wethouder […] , Economie & Financiën de uitkomst bekendgemaakt van de definitieve draagvlakmeting die is gehouden onder de 118 ondernemers in het gebied Noordwijkerhout Centrum.

De wethouder maakte gezamenlijk met de bestuursleden van de BIZ Stichting Noordwijkerhout Centrum de uitkomst van de definitieve draagvlakmeting bekend.
Het bestuur van de Stichting kwam met het verzoek tot de oprichting van een BIZ voor Noordwijkerhout Centrum.

De bijbehorende uitvoeringsovereenkomst is afgelopen september door het bestuur van de BIZ stichting en de gemeente Noordwijk ondertekend.

Met het bekend maken van de uitkomst komt een einde aan een intensief voorbereidingsproject. Daarover verscheen een eerder webbericht (Externe link: https://www.noordwijk.nl/Inwoners_ondernemers/Over_ons/Nieuws/Een_nieuwe_Bedrijveninvesteringszone_in_gemeente_Noordwijk)

De draagvlakmeting is wettelijk verplicht. De Wet op de bedrijveninvesteringszones bepaalt dat de ondernemers zich in een definitieve draagvlakmeting kunnen uitspreken over het voornemen.

Op 22 november 2022 heeft notaris […] te [woonplaats 2] de stemmen geteld. De notaris heeft hiervan een proces-verbaal opgemaakt. Het proces verbaal is door het college bevestigd, waarmee de uitkomst vaststaat.
Deze uitkomst van de BIZ stemming luidt: Van het aantal ontvangen geldige stembiljetten heeft 69% positief gestemd over het instellen van de BIZ Noordwijkerhout Centrum. Hierdoor blijkt dat er voldoende draagvlak is onder de ondernemers in Noordwijkerhout Centrum.

Hiermee is de BIZ voor Noordwijkerhout Centrum per 1 januari 2023 een feit en kan de Gemeente Noordwijk aan de slag met de vierde BIZ binnen de gemeente.”



Juridisch kader



3.1.
In de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ) is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 4
1. De verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen.
2. Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken. (…).
3. Bij de toepassing van het tweede lid zorgt het college van burgemeester en wethouders dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening.
4. Het college zorgt er voor dat de vertrouwelijkheid van de strekking van de schriftelijke verklaring van de bijdrageplichtige gewaarborgd is.


Artikel 5

1. Van voldoende steun is sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt dat:
a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,
b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en
c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.
2. In afwijking van het eerste lid blijkt reeds van voldoende steun indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in dat lid, onder a en b, indien de verordening voorziet in heffing van een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag (…).

(…)


Artikel 7

1. De opbrengst van de BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt aan de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting. De perceptiekosten kunnen hierop in mindering worden gebracht indien dit in de verordening is bepaald.
2. De verordening wijst uitsluitend als vereniging of stichting aan:
a. (…)
b. een stichting:
1°. waarvan ten minste tweederde van de leden van het bestuur afkomstig is uit de kring van beoogde bijdrageplichtigen, en
2°. die als statutaire doelstelling uitsluitend heeft het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
3. In aanvulling op het tweede lid wijst de verordening uitsluitend een vereniging of stichting aan waarmee de gemeente ter uitvoering van de verordening een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten, waarin is bepaald dat de subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
4. De gemeenteraad stelt bij verordening de nodige regels, met inbegrip van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de subsidie wordt verstrekt.
5. De gemeenteraad en de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting maken schriftelijke afspraken over het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode waarvoor de BIZ-bijdrage wordt ingesteld of verlengd.”



3.2.
In de Bekendmakingswet was tussen in de onderhavige jaren onder meer het volgende bepaald:


Artikel 2

1. (…)
2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente geeft een gemeenteblad uit.
3. (…)
4. (…)
5. (…)
6. (…)
7. Een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in het eerste tot en met vijfde lid genoemde openbare lichamen dan wel tot een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in het vijfde lid, dan wel een gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in het vijfde lid, maakt slechts gebruik van het publicatieblad van het openbaar lichaam waartoe het behoort, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.
8. (…)
9. (…)


Artikel 6

Algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, vastgesteld door een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in artikel 2, eerste tot en met vierde lid, genoemde openbare lichamen, of de in artikel 2, vijfde lid, genoemde openbare lichamen, bedrijfsvoeringsorganisaties en gemeenschappelijke organen, worden bekendgemaakt door plaatsing in het door dat openbaar lichaam, die bedrijfsvoeringsorganisatie of dat gemeenschappelijke orgaan uitgegeven publicatieblad.

(…)


Artikel 8

Een algemeen verbindend voorschrift treedt niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.


Artikel 9

Een besluit tot vaststelling van het tijdstip waarop een wet, een algemene maatregel van bestuur of een anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgesteld algemeen verbindend voorschrift in werking treedt, wordt bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat algemeen verbindend voorschrift zelf is bekendgemaakt.


Artikel 10

1. (…)
2. Andere algemeen verbindende voorschriften treden in werking met ingang van de achtste dag na de datum van bekendmaking, tenzij bij of krachtens de wet of in het besluit daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.

Artikel 12

1. Een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in artikel 2, eerste, tweede, derde en vijfde lid, genoemde openbare lichamen, bedrijfsvoeringsorganisaties of gemeenschappelijke organen, doet in het door dat openbaar lichaam, die bedrijfsvoeringsorganisatie of dat gemeenschappelijke orgaan uitgegeven publicatieblad in ieder geval zijn wettelijk voorgeschreven mededelingen in de vorm van een volledige publicatie en kennisgevingen in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud, met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.
2. (…)


Artikel 13

1. De terinzagelegging waarop een mededeling of kennisgeving als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, betrekking heeft, geschiedt zowel op elektronische wijze als op een door het bestuursorgaan aan te wijzen locatie.
2. Het bestuursorgaan houdt voor de wijze van terinzagelegging een vaste gedragslijn aan.
3. De terinzagelegging vindt niet plaats in de Staatscourant of in een in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid, bedoeld publicatieblad.
4. Indien de terinzagelegging betrekking heeft op stukken die niet door het bestuursorgaan zijn vervaardigd, kan degene die de stukken aan het bestuursorgaan heeft overgelegd, daarbij gemotiveerd verzoeken de terinzagelegging te beperken. Het bestuursorgaan kan degene die een document heeft overgelegd verzoeken om een versie van dat document aan te leveren waaruit de gegevens die niet ter inzage worden gelegd, zijn verwijderd, indien de verwijdering redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden gevergd. Het bestuursorgaan laat terinzagelegging achterwege voor zover artikel 5.1 van de Wet open overheid aan de terinzagelegging in de weg staat.


Artikel 19

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de in artikel 6 bedoelde bestuursorganen houden de teksten van bekendgemaakte wetten, algemene maatregelen van bestuur en anders dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en gemeenschappelijke regelingen in geconsolideerde vorm voor eenieder kosteloos beschikbaar door middel van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium. Hierbij kan worden volstaan met een elektronische verwijzing naar de in artikel 7, eerste lid, bedoelde informatie of de in artikel 7, tweede lid, bedoelde bijlage.
2. (…)
3. Een geconsolideerde tekst van een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in het eerste lid genoemd besluit die op grond van het eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien de wet, de algemene maatregel van bestuur of het andere in het eerste lid genoemd besluit na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
4. (…)
5. (…)”



3.3.
In zijn openbare vergadering van 27 september 2022 heeft de raad van de gemeente Noordwijk de “Verordening Bedrijveninvesteringszone Noordwijkerhout Centrum 2023” vastgesteld (de Verordening). De Verordening is bekend gemaakt in het Gemeenteblad van 8 december 2022, nr. 542425. In het Gemeenteblad van 20 januari 2023, nr. 26277, is een rectificatie opgenomen van de Verordening, waarbij de juiste kaart als bijlage is bijgevoegd. In de eerdere publicatie was een onjuiste kaart (BIZ-gebied Noordwijk aan Zee) bijgevoegd. De tekst van de Verordening is bij de rectificatie inhoudelijk niet gewijzigd.



3.4.
In de Verordening is onder meer het volgende bepaald:


“Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:
a. wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones;
b. BIZ-bijdrage; de belasting bedoeld in artikel 1 van de wet;
c. bedrijveninvesteringszone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;
d. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk;
e. stichting: Stichting BIZ Noordwijkerhout Centrum;
f. uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Noordwijk en de stichting op 19 september 2022 gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet.


Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting

1. Onder de naam 'BIZ-bijdrage' wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.


Artikel 3 Belastingobject

1. Het belastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient.
2. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning, indien de waarde die op grond van
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.


Artikel 4 Belastingplicht

1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject gebruikt.
2. Indien een belastingobject bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar.
3. (…)


Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastinggebied

1. De BIZ-bijdrage wordt geheven in het aangewezen gebied dat is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart.
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar een vast bedrag per belastingobject.


Artikel 6 Vrijstellingen

De BIZ-bijdrage wordt niet geheven van:
a. (…);
b. (…);
c. (…);
d. (…);
e. (…);
f. (…);
g. (…);
h. (…);
i. onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente;
j. onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
k. onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;
I. onroerende zaken die naast delen die dienen tot woning uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria;
m. onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;
n. onroerende zaken die worden gebruikt door een vereniging, stichting of een andere niet commerciële instelling, die geen onderneming drijft en geen winstoogmerk heeft, en die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport, kunt of cultuur, of voor andere activiteiten van sociale of culturele aard;
o. onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid;
p. onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als trafo (objectsoortcode 3621), elektriciteitsdistributienet (objectsoortcode 3627), zendmast (3665) of geldautomaat, geen onderdeel uitmakend van een bankgebouw of-kantoor (objectsoortcode 3668);


Artikel 7 Heffingsgrondslag en tarief BIZ-bijdrage

Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt per belastingobject, per kalenderjaar € 400,00.


Artikel 8 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.

(…)


Artikel 10 Looptijd belastingheffing

De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar.

(…)


Artikel 13 Subsidieverlening

1. De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.
2. De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen.

(…)


Artikel 17 Inwerkingtreding

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.
2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.”



Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“23. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet BIZ stelt het college van burgemeester en wethouders iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding van die verordening uit te spreken. De beoogde bijdrageplichtigen in de BIZ-zone Noordwijkerhout Centrum hebben de in 4 en 6 genoemde stukken [Hof: dit betreft de folder en brief met uitleg] tezamen met het stembiljet ontvangen. Op dat moment was de Verordening ook reeds vastgesteld en te raadplegen. Gelet hierop en gelet op de (onweersproken) verklaring van verweerder dat de Noordwijkerhoutse ondernemingsvereniging voorafgaand aan de draagvlakmeting is ingegaan op de BIZ en dat het precieze BIZ-gebied duidelijk was, is de rechtbank van oordeel dat de beoogde bijdrageplichtigen voorafgaande aan de stemming in verband met de draagvlakmeting voldoende zijn geïnformeerd over de inhoud, werking en gevolgen van de Verordening waarbij de BIZ-bijdrage werd ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor de bijdrageplichtigen verder voldoende duidelijk dat zij met het stemformulier, waarin stond voor of tegen ‘de oprichting van de Bedrijveninvesteringszone (BIZ) Noordwijkerhout Centrum’, voor of tegen de inwerkingtreding van de Verordening stemden. Gelet hierop zijn de bijdrageplichtigen in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding van de Verordening uit te spreken, zodat is voldaan aan artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet BIZ. Dat in eerste instantie bij de Verordening een onjuiste kaart was afgedrukt in de bijlage ‘kaart gebied BIZ Noordwijkerhout Centrum’ maakt het oordeel niet anders omdat voor de bijdrageplichtigen het betreffende BIZ-gebied voldoende duidelijk was.

24. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Verordening treedt deze in werking met ingang van de eerste dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de Wet BIZ is gebleken. Het door het college bekendmaken dat sprake is van voldoende steun als hiervoor bedoeld, is geen schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De bekendmaking daarvan hoeft daarom niet te voldoen aan de regels van artikel 3:42 van de Awb en artikel 6 en 9 van de Bekendmakingswet. In de Verordening zelf staat ook niet op welke wijze bekend moet worden gemaakt dat sprake is van voldoende steun. Naar het oordeel van de rechtbank is met de bekendmaking van de uitslag door het college op 30 november 2022 tijdens een persmoment en in het lokale nieuwsblad voldaan aan de bekendmaking als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Verordening. Dat geen inwerkingtredingsbesluit is genomen als bedoeld in artikel 11.1 van de Uitvoerings- overeenkomst doet aan het inwerkingtreden van de Verordening niet af, nu de Wet BIZ, noch de Verordening verplicht tot het nemen van een dergelijk inwerkingstredingsbesluit.

25. Eiseres heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in strijd met artikel 7, vierde lid, van de Wet BIZ of in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Verordening heeft gehandeld. De rechtbank ziet reeds daarom in dit standpunt geen aanleiding om de aanslagen te vernietigen.

26. Uit de memorie van toelichting[1] bij artikel 4 van de Wet BIZ volgt dat de wetgever het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid heeft gegeven om naar eigen inzicht invulling te geven aan een eerlijke procedure voor het uitvoeren van de draagvlakmeting. De regels met betrekking tot de draagvlakmeting staan in artikel 5 van de Wet BIZ. De draagvlakmeting heeft plaatsgevonden conform hetgeen bepaald is in artikel 5 van de Wet BIZ. De aanwezigheid van een reglement draagvlakmeting is niet als vereiste opgenomen in de Wet BIZ noch in de Verordening. Verweerder heeft verklaard dat voor zover de stembiljetten in gesloten enveloppen aan de medewerkster van […] zijn meegegeven, deze allemaal op correcte wijze zijn overgedragen aan de notaris. Vervolgens zijn deze door de notaris in het bijzijn van een medewerker van de gemeente geopend, waarna de stemmen zijn geteld. De rechtbank acht, gelet op de gedingstukken en hetgeen verweerder heeft verklaard, aannemelijk dat de draagvlakmeting op zorgvuldige wijze en volgens de regels van de Wet BIZ heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft met haar enkele stellingen en het wijzen op mogelijke onzorgvuldigheden die zich voor kunnen doen, niet aannemelijk gemaakt dat de notaris niet alle stembiljetten heeft geteld, noch dat bij die draagvlakmeting sprake was van onzorgvuldigheden of onregelmatigheden.

27. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Verordening naar het oordeel van de rechtbank op 1 januari 2023 in werking getreden. Dit betekent dat de stelling van eiseres dat de Verordening onverbindend is omdat de Uitvoeringsovereenkomst niet in werking is getreden, doordat de Verordening niet op 1 januari 2023 inwerking is getreden, ook niet slaagt.

28. De rechtbank stelt vast dat verweerder enkel in de beroepsprocedure over het jaar 2024 de publicatie van 8 september 2023, Gemeenteblad 2023, nr. 387960 (waarin de uitslag van de draagkrachtmeting was opgenomen) heeft overgelegd en niet in de bezwaarprocedures over de onderhavige jaren en in de beroepsprocedure over het jaar 2023. In de bezwaarfase 2023 was deze publicatie er evenwel nog niet. Dit betekent dat verweerder in de bezwaarprocedure over 2024 en in de beroepsprocedure over 2023 niet heeft voldaan aan de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42 van de Awb. De rechtbank gaat hier evenwel met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan voorbij nu eiseres niet in haar procesbelangen is geschaad. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase over het jaar 2024 is deze publicatie namelijk aan de orde gekomen en het was via internet voor haar toegankelijk, zodat zij daarover kon beschikken.

29. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.


Proceskosten

30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 917, nr. 3, blz. 7.”

Geschil in hoger in hoger beroep en conclusies van partijen




5.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanslagen terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de Verordening onverbindend is wegens schending van artikel 4 en artikel 5 Wet BIZ, dan wel wegens schending van de bekendmakings- en consolideringsvereisten in de Bekendmakingswet, dan wel wegens schending van de subsidieregels in 2023, dan wel wegens schending van artikel 7 Wet BIZ, dan wel wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel bij de draagvlakmeting, dan wel wegens het niet in werking treden van de Uitvoeringsovereenkomst, dan wel wegens schending van het verbod op staatsteun in artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).



5.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de aanslagen, alsmede tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.



5.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot afwijzing van het verzoek om hem in de door belanghebbende gemaakte proceskosten te veroordelen.



Beoordeling van het hoger beroep



Bekendmakingsvereisten




6.1.
Om proceseconomische redenen behandelt het Hof eerst de grief over de bekendmakingsvereisten.



6.2.
Belanghebbende heeft onder andere gesteld dat de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting door het college van Burgemeester en Wethouders (het college) niet op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden met de berichtgeving in 2022 op de website “Blik op Noordwijkerhout” (zie 2.6). Zij wijst daartoe op de eisen die de artikelen 6 en 9 van de Bekendmakingswet stellen aan de bekendmaking van een besluit dat de inwerkingtreding van de Verordening bepaalt. Tevens wijst zij op de eisen die artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt aan de bekendmaking van een besluit. Tenslotte wijst zij erop dat ook indien geen sprake is van een besluit de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting gelet op het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel niet op de website “Blik op Noordwijkerhout” mocht plaatsvinden.



6.3.
Deze beroepsgrond slaagt op de volgende gronden.


6.3.1.
In artikel 17 van de Verordening heeft de gemeenteraad bepaald dat de verordening in werking treedt met ingang van de eerste dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun is gebleken. Hiermee heeft de gemeenteraad (zelf) bepaald op welk moment de Verordening in werking treedt. De formulering van deze bepaling brengt naar het oordeel van het Hof niet mee dat de gemeenteraad de bevoegdheid tot het bepalen van de inwerkingtredingsdatum heeft gedelegeerd aan het college. De artikelen 6 en 9 van de Bekendmakingswet zijn daarom niet van toepassing.



6.3.2.
Wel heeft de gemeenteraad de inwerkingtreding afhankelijk gesteld van een bepaalde gebeurtenis, namelijk de bekendmaking van de (positieve) uitslag van de draagvlakmeting door het college. Het Hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld wat is bedoeld met het woord ‘bekendgemaakt’ in artikel 17 van de Verordening.

6.3.2.1. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat het bericht dat van voldoende steun voor de BI-zone is gebleken geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb en dat de voorschriften voor bekendmaking in de Awb en de Bekendmakingswet daarop niet van toepassing zijn. Gelet hierop brengt het woord ‘bekendgemaakt’ in artikel 17 van de Verordening niet mee dat hieronder slechts kan worden verstaan de publicatie in het Gemeenteblad als vereist in de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.

6.3.2.2. Wel acht het Hof vereist dat de uitslag van de draagvlakmeting op zodanige wijze wordt gecommuniceerd, dat dit kenbaar is voor degenen die op grond van de Verordening als bijdrageplichtigen worden aangemerkt en als zodanig door die bekendmaking worden geraakt (vgl. HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:868). Voor de kenbaarheid acht het Hof vereist dat het bericht voor een ieder toegankelijk is, zowel op het moment van plaatsing als in de jaren erna waarin de Verordening van toepassing is, en de authenticiteit van het bericht buiten twijfel is. Het bericht op de website “Blik op Noordwijkerhout” voldoet naar het oordeel van het Hof niet aan deze vereisten. In de Verordening zelf is niet verwezen naar de plaats waar de uitslag van de draagvlakmeting zal worden bekendgemaakt. Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat de genoemde nieuwswebsite, die niet is gelieerd aan de gemeente, geen bekend of gebruikelijk publicatiekanaal is voor berichten van de gemeente en dat de toekomstige bijdrageplichtigen niet bedacht hoeven te zijn op berichten van het college die op deze website verschijnen. Ook is de authenticiteit van het bericht naar het oordeel van het Hof niet gewaarborgd, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het bericht daadwerkelijk van het college afkomstig is. Gelet hierop is de uitslag van de draagvlakmeting met het bericht op de website “Blik op Noordwijkerhout” onvoldoende kenbaar gemaakt, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde voor inwerkingtreding van de Verordening als bedoeld in artikel 17 van de Verordening.

6.3.2.3. De publicatie van het bericht op 8 september 2023 in het Gemeenteblad (zie 2.7) voldoet naar het oordeel van het Hof wel aan de eisen van kenbaarheid. Het Gemeenteblad is het officiële publicatieblad van de gemeente, waarin de organen van de gemeente hun wettelijk verplichte mededelingen en kennisgevingen doen. Het Gemeenteblad is voor eenieder toegankelijk en de authenticiteit van de daarin geplaatste berichten is gewaarborgd. Met de publicatie in het Gemeenteblad is naar het oordeel van het Hof voldaan aan de voorwaarde voor inwerkingtreding van de Verordening als bedoeld in artikel 17 van de Verordening, zodat de Verordening verbindt vanaf 9 september 2023.



6.3.3.
Hetgeen belanghebbende heeft gesteld over de toerekenbaarheid van het bericht aan het college doet hieraan niet af. Belanghebbende betwist dat het bericht van 8 september 2023 in het Gemeenteblad een besluit of mededeling van het college is, gelet op de vermelding dat de wethouder de mededeling doet. Het Hof maakt echter uit de tekst van het gehele bericht, in samenhang gelezen, op dat het ervoor moet worden gehouden dat het bericht van het college afkomstig is. Het Hof wijst in dit verband in het bijzonder op de volgende zinsnedes: “Op 22 november 2022 heeft notaris […] te [woonplaats 2] de stemmen geteld. De notaris heeft hiervan een proces-verbaal opgemaakt. Het proces verbaal is door het college bevestigd, waarmee de uitkomst vaststaat” en “Hiermee is de BIZ voor Noordwijkerhout Centrum per 1 januari 2023 een feit en kan de Gemeente Noordwijk aan de slag met de vierde BIZ binnen de gemeente”.




6.4.
Dit brengt mee dat de aanslag voor het jaar 2023 ten tijde van de oplegging ervan op 31 maart 2023 niet steunt op een rechtsgeldige verordening. Deze aanslag moet dientengevolge worden vernietigd. Gelet op dit oordeel behoeft de beroepsgrond over de subsidieverstrekking in 2023 geen behandeling meer.


Verbindendheid van de Verordening



6.5.1.
Belanghebbende stelt voorts dat de Verordening onverbindend is, omdat er tussen 21 januari 2023 en 9 september 2023 geen geconsolideerde versie van de Verordening is te vinden. Belanghebbende verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:823, en de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1952. De Heffingsambtenaar verwijst ter bestrijding van deze stelling naar de beschikbaar gebleven versies van Gemeenteblad 2022, nr. 542425 op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR685336 en Gemeenteblad 2023, nr. 26277 op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR691308.



6.5.2.
Het Hof stelt vast dat tussen beide versies van de Verordening in de onder 6.5.1 genoemde publicaties geen tekstueel verschil bestaat. Het verschil tussen beide versies is gelegen in de wijziging van de bijgevoegde kaart van de BI-zone. Op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/ kan gezocht worden naar de geldende tekst op een bepaalde datum. Het Hof stelt vast dat daarbij de juiste, op die datum geldende tekst van de Verordening wordt weergegeven. Gelet hierop slaagt deze beroepsgrond niet bij het ontbreken van feitelijke grondslag.



6.5.3.
Ten overvloede merkt het Hof op, dat het niet voldoen aan de consolidatieverplichting, anders dan het niet voldoen aan de verplichting de publicatie in het Gemeenteblad beschikbaar te houden, niet kan leiden tot onverbindendheid van de Verordening. In de Memorie van Toelichting bij artikel 19 van de Bekendmakingswet is opgemerkt dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van de voordien geldende consolidatieverplichting in artikel 140 van de Gemeentewet (Kamerstukken II 2018-2019, 35 218, nr. 3, p. 49). In de toelichting op de (eerdere) invoering van de consolidatieverplichting heeft de regering opgemerkt dat bekendmaking een noodzakelijke voorwaarde is voor inwerkingtreding (en daarmee voor de rechtsgeldigheid van de regelgeving), maar dat de consolidatieverplichting daarvoor niet van belang is. De consolidatieverplichting is volgens de regering nodig voor de verspreiding en de toegankelijkheid van de betrokken teksten en dient vooral het gebruiksgemak van de lezer (Kamerstukken II 2006-2007, 31 084, nr. 3, p. 3-4).


Geldigheid van de Uitvoeringsovereenkomst




6.6.1.
Belanghebbende stelt dat de Uitvoeringsovereenkomst – als onmisbaar onderdeel van de Verordening – niet in werking is getreden, omdat de Verordening niet op 1 januari 2023 in werking is getreden. Artikel 11.1 van de Uitvoeringsovereenkomst vereist inwerkingtreding per ultimo die datum om zelf in werking te kunnen treden.



6.6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De partijen bij de Uitvoeringsovereenkomst zijn ervan uitgegaan dat de Verordening met de publicatie in Gemeenteblad 2022, nr. 542425 op 1 januari 2023 in werking is getreden. Zij hebben steeds uitvoering gegeven aan de Uitvoeringsovereenkomst en partijen hebben op geen enkel moment te kennen gegeven dat de overeenkomst niet (meer) geldig zou zijn. Een redelijke uitleg van de Uitvoeringsovereenkomst brengt daarom mee, dat deze in werking is getreden en geldend is. Dat, naar achteraf blijkt, de Verordening gelet op de publicatie van de uitslag van de draagvlakmeting in het Gemeenteblad 2023, nr. 387960, pas op 9 september 2023 in werking is getreden, doet naar het oordeel van het Hof aan de geldigheid van de Uitvoeringsovereenkomst niet af.


Overige klachten van belanghebbende over verbindendheid van de Verordening




6.7.1.
Belanghebbende stelt voorts dat de draagvlakmeting niet conform artikel 4 en 5 Wet BIZ heeft plaatsgevonden en dat de Verordening dientengevolge onverbindend is. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de bijdrageplichtigen niet zijn geïnformeerd over de strekking van de Verordening, doordat niet de gehele Verordening is verstrekt of althans belangrijke onderdelen van de Verordening niet zijn vermeld, zoals de vrijstellingsbepaling. Voorts voert belanghebbende aan dat de gestelde vraag op het stembiljet niet ziet op de Verordening, maar op het instellen van de BI-zone als zodanig. Dit is volgens belanghebbende in strijd met de Wet BIZ of althans in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eveneens in strijd met de Wet BIZ of het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens belanghebbende het ontbreken van een reglement of andere ‘checks and balances’ voor de uitvoering van de draagvlakmeting. Belanghebbende stelt in hoger beroep de folder en de brief van de gemeente als genoemd in 2.4.1 niet te hebben ontvangen, zodat zij onvoldoende is geïnformeerd en de Verordening in ieder geval jegens haar onverbindend moet worden geacht.


Strekking van de Verordening




6.7.2.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in overweging 23 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de beroepsgrond met betrekking tot het informeren over de strekking van de Verordening niet slaagt. De folder en brief bij het stembiljet bevatten, gelet op hetgeen in 2.4.1 tot en met 2.4.3 is vermeld, voldoende informatie over de BI-zone, de activiteiten en de bijdrageplicht. De strekking van de Verordening is hiermee duidelijk gecommuniceerd bij de stemming. Het verstrekken van meer informatie, bijvoorbeeld over de vrijstellingen, was niet nodig om te voldoen aan artikel 4, lid 3 Wet BIZ.


Ontvangst van folder en brief




6.7.3.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat zij de folder en de brief met uitleg niet heeft ontvangen tezamen met het stembiljet. Zij verbindt daaraan de conclusie dat de Verordening ten aanzien van haar onverbindend is of buiten toepassing gelaten moet worden. Met de Heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat deze stelling, die eerst in hoger beroep is ingenomen, ongeloofwaardig is. De Heffingsambtenaar heeft consistent verklaard dat bij alle stembiljetten in de enveloppe dezelfde stukken zaten: een brief met uitleg, een folder met uitleg en het stembiljet met retourenveloppe. De Heffingsambtenaar heeft onweersproken verklaard dat geen van de geadresseerden na de verzending heeft aangegeven alleen een stembiljet te hebben ontvangen. Belanghebbende heeft op geen enkel moment vóór het hoger beroep verklaard de folder en de brief niet te hebben ontvangen. Zij heeft dit ook niet laten weten op de momenten eerder in de procedure waarop aan de folder en de brief werd gerefereerd, zoals tijdens de hoorzitting in bezwaar en in beroep. In de folder is de mededeling opgenomen dat het activiteitenplan per e-mail kan worden opgevraagd. Belanghebbende heeft dit activiteitenplan inderdaad aangevraagd via het e-mailadres. Ook daarbij heeft zij niet gesteld de folder en de brief niet te hebben ontvangen. Aan belanghebbende is vervolgens het activiteitenplan verstrekt. Gelet op deze feiten en omstandigheden houdt het Hof het ervoor dat belanghebbende de folder en de brief wel heeft ontvangen, nog afgezien van de vraag of een dergelijk gebrek tot onverbindendheid van de Verordening zou kunnen leiden.


Formulering van de vraag op het stembiljet




6.7.4.
Belanghebbende stelt dat de vraag op het stembiljet onvoldoende duidelijk is, nu de vraag niet ziet op de instemming met de Verordening, maar op de instemming met de BI-zone. Zij verbindt hieraan de conclusie dat de Verordening onverbindend is. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in overweging 23 van haar uitspraak op goede gronden geoordeeld dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Het Hof maakt de overwegingen dienaangaande van de Rechtbank tot de zijne.


Ontbreken van een reglement of ‘checks and balances’ voor de draagvlakmeting




6.7.5.
Belanghebbende stelt dat de gemeente in strijd met de Wet BIZ of het zorgvuldigheidsbeginsel geen reglement of andere ‘checks and balances’ heeft vastgesteld voor de uitvoering van de draagvlakmeting. Zij verbindt hieraan de conclusie dat de Verordening onverbindend is. Deze beroepsgrond slaagt evenmin, zoals de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld in overweging 26 van haar uitspraak. Het Hof maakt de overwegingen dienaangaande van de Rechtbank tot de zijne.


Basisvoorzieningenniveau en artikel 7 Wet BIZ




6.8.1.
Belanghebbende stelt dat ten onrechte een Service Level Agreement ontbreekt als vereist in artikel 7, lid 5, Wet BIZ. De verwijzing in artikel 7.1 van de Uitvoeringsovereenkomst naar de beheerplannen van de gemeente is hiertoe onvoldoende, zo voert belanghebbende aan. Voorts voert belanghebbende aan dat de beheerplannen door het college zijn vastgesteld, terwijl de gemeenteraad volgens de Wet BIZ hiervoor het bevoegde orgaan is.



6.8.2.
De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep de betreffende beheerplannen overgelegd. Het betreft de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte 2016 (LIOR 2016) en de Uitwerking Visie Openbare Ruimte (UVOR). In deze beheerplannen is vastgelegd voor welk basisniveau of welke basisvoorzieningen de gemeente zorgt in de openbare ruimte. De LIOR vermeldt in haar toelichting:

“In de LIOR zijn de technische inrichtingseisen voor de openbare ruimte volgens de huidige situatie en kwaliteitseisen (2014/2015) vastgelegd. Deze leidraad betreft een gedetailleerd technisch document waarin voor de gehele openbare ruimte de details t.a.v. het ontwerp en technische voorschriften zijn opgenomen die specifiek voor Noordwijk van toepassing zijn.”

In de diverse hoofdstukken worden deze eisen uitgewerkt voor onder meer de onderdelen weginfrastructuur, kunstwerken (bruggen, duikers en stuwen), nutsvoorzieningen, riolering, waterhuishouding, openbaar groen, speelvoorzieningen, hondenuitlaatplaatsen, straatmeubilair, openbare verlichting en afvalinzameling. Over de UVOR wordt opgemerkt:

“Op basis van gebiedsvisies is in de UVOR voor geheel Noordwijk per straat een ontwerpbeeld op hoofdlijnen vastgesteld. Het beeld bestaat uit de keuze voor een dwarsprofiel van de openbare ruimte waarin de ruimte voor voetgangers, parkeren en
de rijbaan is aangeven en een omschrijving van de toe te passen kleuren, verhardingsmaterialen en andere inrichtingselementen zoals banken groen e.d.”



6.8.3.
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de LIOR 2016 niet ziet op Noordwijkerhout. De Heffingsambtenaar heeft dit ter zitting erkend en heeft verklaard dat Noordwijkerhout in 2016 nog geen deel uitmaakte van de gemeente Noordwijk. De Heffingsambtenaar heeft vervolgens onweersproken verklaard dat het betreffende centrumgebied van Noordwijkerhout wel is opgenomen in de opvolger van de LIOR 2016, de LIOR 2022. De Heffingsambtenaar heeft voorts onweersproken gesteld dat de partijen bij de Uitvoeringsovereenkomst zijn uitgegaan van de LIOR 2022 als toepasselijk beheersplan. Deze verklaringen komen het Hof aannemelijk voor. Met de genoemde plannen en de door de Heffingsambtenaar gegeven uitleg is naar het oordeel van het Hof voldoende vastgelegd voor welk basisniveau de gemeente verantwoordelijk is bij de inrichting van de openbare ruimte. Hiermee wordt voldaan aan artikel 7, lid 5, Wet BIZ. Deze beroepsgrond van belanghebbende treft geen doel.


Staatssteun?




6.9.1.
Belanghebbende stelt dat de subsidieverlening op grond van de Verordening is aan te merken als verboden staatssteun als bedoeld in artikel 107, lid 1, VWEU. Dit brengt volgens belanghebbende mee dat de Verordening onverbindend moet worden geacht. Hiertoe voert belanghebbende aan dat uit de jurisprudentie (onder meer HvJ EU 30 september 2002, zaak C-345/02, ECLI:EU:C:2004:448, Pearle e.a.), de mededeling van de Europese Commissie over staatssteun (2016/C 262/01) en het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel Wet BIZ blijkt, dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 107, lid 1, VWEU wordt voldaan en dat de subsidie derhalve had moeten worden aangemeld als steunmaatregel op grond van artikel 108 VWEU. Belanghebbende voert meer in het bijzonder aan dat slechts dan niet van staatssteun kan worden gesproken indien het gaat om een sectorale maatregel, waarbij gelden van de sector zelf volgens de regels van de sector worden verdeeld, waarmee een zuiver commercieel doel wordt gediend. Ingeval van verdeling via een lokale heffing zou slechts geen sprake zijn van staatssteun, indien de lokale overheid alleen als ‘doorgeefluik’ fungeert en verder geen bemoeienis heeft met de regeling, de verdeling van de lasten en de besteding van de gelden.



6.9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel belanghebbende kan worden toegegeven dat al snel van staatssteun kan worden gesproken en niet uit te sluiten valt dat in dit geval in beginsel sprake is van staatssteun omdat de gemeente de perceptiekosten voor haar eigen rekening neemt, is het Hof van oordeel dat geen sprake is van verboden staatssteun, nu de zogenoemde ‘de-minimis’-drempel als bedoeld in Verordening (EU) nr. 2023/2831 niet wordt overschreden. Immers, het bedrag dat in drie jaar met de BIZ-heffing wordt opgehaald en als subsidie uitgekeerd aan de Stichting wordt door de Heffingsambtenaar onbetwist geschat op driemaal € 46.000, terwijl de ‘de-minimis’-grens € 300.000 per drie jaar bedraagt. Het eventuele voordeel verbonden aan het feit dat de gemeente de perceptiekosten voor haar rekening neemt, is nog eens aanzienlijk lager.


Slotsom





6.10.
Het hoger beroep is gegrond voor wat betreft de aanslag voor het jaar 2023, zaaknummer BK-24/1013 en ongegrond voor wat betreft de aanslag voor het jaar 2024, zaaknummer BK-24/1014.



Proceskosten en griffierecht




7.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in de zaak met nummer BK-24/1013,. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068.
Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.



7.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 50, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 279 te worden vergoed.



Beslissing


Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de aanslag BIZ-bijdrage 2023 (zaaknummer SGR-23/5070);
- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag BIZ-bijdrage 2023;
- vernietigt de aanslag BIZ-bijdrage 2023;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.068;
- gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 329 aan griffierecht te vergoeden;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.



De uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, W. de Wit en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh.

De griffier, de voorzitter,







Y. Postema-van der Koogh R.A. Bosman

De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl
).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak