|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:1908 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | 12007539 AC EXPL 25-279 12007539 AC EXPL 25-279 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vordering tot betaling factuur. Factuur in eerste instantie niet betwist en gedaagde niet op zitting verschenen. Vordering tot betaling toegewezen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12007539 \ AC EXPL 25-2790 WMB/61313
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Stekelenburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar officemanager, de heer [gemachtigde] .
1De procedure
1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 20 november 2025 gedagvaard. Op 8 december 2025 heeft [gedaagde] een e-mail met bijlagen gestuurd, aan te merken als conclusie van antwoord. Op 23 maart 2026 heeft [gedaagde] verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen vanwege drukte aan haar kant. Op 26 maart 2026 heeft de kantonrechter dat verzoek afgewezen. Daarna heeft [gedaagde] op diezelfde datum een e-mail met aanvullende bijlagen toegestuurd. De mondelinge behandeling vond plaats op 31 maart 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Mr. Stekelenburg is namens [eiser] verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] is douane-expediteur en heeft in opdracht van [gedaagde] zes vorkheftrucks ingeklaard. Daarvoor heeft zij [gedaagde] op 2 juli 2025 een factuur gestuurd voor € 5.938,23. [eiser] wil dat [gedaagde] dat bedrag aan haar betaalt, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] erkent dat zij een bedrag aan [eiser] moet betalen, maar zegt dat er onterecht btw in rekening is gebracht op de factuur. Daarnaast zegt [gedaagde] dat zij op een betaling van een ander wacht, waardoor zij de factuur van [eiser] niet kan voldoen. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen.
3De beoordeling
[gedaagde] moet [eiser] € 5.938,23 betalen
3.1
[gedaagde] heeft erkend dat [eiser] werkzaamheden voor haar heeft uitgevoerd en dat zij daarvoor moet betalen. In eerste instantie heeft [gedaagde] de factuur zonder bezwaar in ontvangst genomen en toegezegd dat zij zal betalen. Na een aanmaning van [eiser] heeft zij aangevoerd dat er onterecht btw in rekening is gebracht. [eiser] heeft uitgelegd dat er geen btw is gerekend omdat de geleverde diensten daarvan zijn vrijgesteld. Tijdens de zitting heeft zij erop gewezen dat bij de kolom btw op de factuur telkens 0% staat. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarmee voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] het volledige factuurbedrag moet betalen. Dat wordt niet anders doordat [gedaagde] de factuur niet kan betalen omdat zij zelf nog wacht op een betaling van een ander. Het kan best zijn dat zij daardoor in betalingsproblemen is gekomen, maar dat maakt niet dat [eiser] geen recht heeft om haar vordering betaald te krijgen.
3.2
De kantonrechter zal de gevorderde hoofdsom van € 5.938,23 daarom toewijzen. De al verschenen wettelijke handelsrente van € 173,39 voor de periode 2 augustus tot en met 15 november 2025 en de wettelijke handelsrente vanaf 16 november 2025 zullen worden toegewezen zoals gevorderd.
[gedaagde] moet € 813,01 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.3
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Dat kan, omdat [eiser] een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht. Daarom zal een bedrag van € 813,01 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, zoals gevorderd.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.4
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.529,35
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.938,23, te vermeerderen met:
- € 173,39 € 173,39 aan al verschenen wettelijke handelsrente voor de periode 2 augustus tot en met 15 november 2025,
- de wettelijke handelsrente over € 5.938,23 vanaf 16 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 813,01 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.529,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Zoals bedoeld in artikel 6:119a BW.
Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|