Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:3310 
 
Datum uitspraak:23-04-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:26/1188 WMO15 VV en 24/56 26/1188 WMO15 VV en 24/56
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Beroep ongegrond en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek waardoor haar vervoers- en ondersteuningsbehoefte niet kunnen worden vastgesteld.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1188 WMO15 VV en 24/5697 WMO15

uitspraak van 23 april 2026 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.


de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat), verweerder in het verzoek om immateriële schadevergoeding.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verzoekster is het hiermee niet eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om wijziging van een voorlopige voorziening.


1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1
Verzoekster heeft op 17 december 2021 een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening: aanpassingen van de eigen auto of een aangepaste auto.

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 augustus 2022 afgewezen.

Met het besluit van 29 december 2022 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Op 8 mei 2024 heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 december 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.



2.2
Met het bestreden besluit van 5 juli 2024 heeft het college dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en hangende het beroep aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 28 augustus 2024 toegewezen en een voorlopige voorziening getroffen.



2.3
Het beroep is op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en namens het college [persoon 1] en [persoon 2] . Op de zitting is het onderzoek geschorst om het college in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de vervoersbehoefte van verzoekster en haar dochter en eiseres in de gelegenheid te stellen alsnog mee te werken aan dit nader onderzoek.



2.4
Verzoekster heeft op 12 februari 2026 verzocht om de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen en om behandeling op zitting.



2.5
Dit verzoek is behandeld op de zitting van 9 april 2026, gelijktijdig met de nadere zitting in het beroep. Verschenen zijn: verzoekster en namens het college [persoon 1] ,

[persoon 2] en mr. L.G.M. Geboers.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep daartegen. De artikel 8:86 en 8:87, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maken dat mogelijk.




Beoordeling door de voorzieningenrechter
Bestreden besluit en de getroffen voorlopige voorziening

3.1
Verzoekster heeft beperkingen in het bewegingsapparaat, waaronder in bekken, knieën, voeten en handen. Verzoekster is beperkt in staat om te lopen, kan niet lang staan en zitten alleen met goede ondersteuning. Verzoekster heeft twee kinderen: [kind 1] en [kind 2] . Verzoekster heeft onder meer op grond van de Wmo deeltaxivervoer en een scootmobiel met joystick. Voordat deze beroepsprocedure aanving was [kind 1] al uit huis geplaatst. [kind 2] is op 10 februari 2026 uit huis geplaatst.



3.2
Verzoekster heeft zich op 3 november 2021 bij het college gemeld voor een vervoersvoorziening. Op 17 december 2021 is de aanvraag gevolgd voor aanpassingen aan de eigen auto of een aangepaste auto.



3.3
Het college heeft bij Stichting SAP medisch advies gevraagd. Verzekeringsarts Van der Knaap heeft op 13 januari 2022 gerapporteerd.

Op 18 januari 2022 heeft een huisbezoek plaatsgevonden.



3.4
Met het primaire besluit van 4 augustus 2022 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen. Volgens het college is een autoaanpassing niet noodzakelijk. Er zijn meerdere andere oplossingen: een automaat, deeltaxi of een elektrische fiets met passend zadel.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


3.5
Met het besluit op bezwaar van 29 december 2022 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat een loopfiets of deeltaxi de goedkoopst compenserende oplossing is voor het vervoersprobleem van verzoekster.



3.6
In juli, augustus en november 2023 hebben meerdere huisbezoeken bij verzoekster plaatsgevonden. Verzoekster heeft daar meegedeeld haar auto te hebben verkocht en dat haar zoon uit huis is geplaatst.



3.7
Verzoekster heeft tegen het besluit op bezwaar van 29 december 2022 beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dat beroep met de uitspraak van 8 mei 2024 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het college meer onderzoek moet doen of verzoekster als alleenstaande ouder van kinderen met een zorgbehoefte in staat is om bij gebruik van de deeltaxi haar zorgtaken uit te voeren. Het college heeft de vervoersbewegingen en -behoefte van verzoekster en haar kinderen onvoldoende in kaart gebracht. Daardoor heeft het college de noodzakelijke ondersteuning niet kunnen vaststellen. Het college zal na onderzoek een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen waarbij het verzoek van verzoekster om schadevergoeding zal moeten worden betrokken.



3.8
Met het bestreden besluit van 5 juli 2024 heeft het college het bezwaar van verzoekster wederom ongegrond verklaard. Het college stelt dat op 6 juni 2024 een huisbezoek is afgelegd. Daarbij waren klantmanager Hoogersteger, kwaliteitsmedewerker Wiegerink en jeugdbeschermer Beugelaar aanwezig. Voorafgaand aan het huisbezoek heeft het college aan verzoekster gevraagd in kaart te brengen welke afspraken zij de afgelopen
6 maanden heeft gehad en de komende 3 maanden nog heeft en die informatie voor 27 mei 2024 te overleggen. Met de brieven van 28 mei 2024 en 10 juni 2024 heeft het college nogmaals verzocht om een afsprakenkaart te overleggen. Die afsprakenkaart heeft verzoekster voor, tijdens of na het huisbezoek echter niet overgelegd en zij heeft herhaaldelijk geen antwoord gegeven op vragen. De tweede afspraak op 13 juni 2024 op het stadskantoor heeft verzoekster afgebeld met als reden: ‘de gemeente heeft voldoende informatie’. Met de brief van 13 juni 2024 heeft het college verzoekster nogmaals in de gelegenheid gesteld om naar een vervolgafspraak op het stadskantoor te komen. Met de brieven van 11 juni 2024 en 27 juni 2024 heeft het college aan verzoekster een toestemmingsverklaring (om informatie uit te wisselen met jeugdbeschermer Beugelaar en GGZ-behandelaar Nuijten) en het onderzoeksverslag naar verzoekster gestuurd. Omdat verzoekster beperkte, onvoldoende objectiveerbare en niet-relevante informatie heeft verstrekt, is volgens het college de hulpvraag niet vast te stellen.



3.9
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en hangende het beroep een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft dat verzoek, mede gelet op de toelichting die de jeugdbeschermer destijds ter zitting heeft gegeven, met de uitspraak van 28 augustus 2024 toegewezen en tot de uitspraak in beroep de voorlopige voorziening getroffen dat het college aan verzoekster een taxivoorziening verstrekt, in een personenauto en zonder medepassagiers, naar door de jeugdbeschermer ten behoeve van [kind 2] in te zetten activiteiten binnen de regio, te weten één keer per week therapie en één keer per week een sociale activiteit, als ook naar de tandartsafspraak in het [ziekenhuis] op
10 september 2024. Voor het treffen van een voorlopige voorziening voor het vervoer van [kind 2] naar een KNO-arts heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien. De reden daarvoor is dat op dat moment onvoldoende duidelijk was op welke termijn, hoe vaak en waar (welke regio/op welke afstand) behandeling plaats zal gaan vinden.



3.10
Hierna heeft verzoekster nogmaals een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dat verzoek is met de uitspraak van 22 april 2025 afgewezen, omdat de spoedeisendheid niet kon worden vastgesteld. Verzoekster heeft niet gereageerd op vragen van de griffier.



3.11
Op 12 februari 2026 heeft verzoekster verzocht om aanpassing van de getroffen voorlopige voorziening.


Beroep en verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening



4.1
Uit antwoorden op vragen en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster met het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening (nog steeds) een vervoers-voorziening in de vorm van een aangepaste auto beoogt.



4.2
Verzoekster heeft aangevoerd dat het college ten onrechte stelt dat zij gebruik kan maken van de deeltaxi. De problematiek van [kind 2] laat niet toe dat zij onverwachts wordt blootgesteld aan fysieke nabijheid van onbekenden.

Ongeacht de reden van de activiteit geldt dat de heenreis wel planbaar is maar de terugreis niet, omdat vooraf niet vaststaat hoelang de activiteit zal duren. Dat is afhankelijk van hoe lang [kind 2] het aankan en volhoudt. Daarom is een vaste chauffeur noodzakelijk. Dit is niet te realiseren bij ritten en deeltaxi die niet planbaar zijn. De enige optie is een eigen aangepaste auto. Alleen op die manier kan verzoekster voorzien in de zorgbehoefte van haar kind/kinderen.



4.3
Verder stelt verzoekster dat het college zich niet heeft gehouden aan de uitspraak van de rechtbank en dat hij ten onrechte het verzoek om schadevergoeding niet heeft beoordeeld.

Verzoekster verzoekt om een schadevergoeding vanwege onbehoorlijk bestuur/ handelen, gemaakte kosten en in verband met overschrijding van de redelijke termijn.



4.4
Verzoekster heeft in beroep onder meer informatie over [kind 2] overgelegd van GGZ Breburg van 5 april 2024 en van Koraal van juni 2024. Na de zitting op 8 oktober 2025 heeft verzoekster nog een groot aantal stukken overgelegd.

In het kader van het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening heeft verzoekster onder meer informatie van GGZ Breburg over [kind 1] en over haar eigen medische situatie overgelegd.


Verweer



5.1
Het college heeft in reactie op de beroepsgronden aanvullend gesteld dat hij zich de afgelopen periode heeft ingespannen om onderzoek te doen naar de ondersteuningsbehoefte van verzoekster. Er zijn verschillende pogingen gedaan om dat onderzoek zorgvuldig te doen. Verzoekster werkt hier echter niet voldoende aan mee. Verzoekster verklaart wisselend en heeft niet aangetoond welke reizen gemaakt moeten worden waarvoor deeltaxi of scootmobiel niet geschikt zijn. Hierdoor is het voor het college onmogelijk vast te stellen welke maatwerkvoorziening passend is. Verzoekster heeft deeltaxi en een scootmobiel waarmee zij volgens het college voldoende kan voorzien in haar vervoersbehoefte. Omdat het onderzoek niet kan worden uitgevoerd ziet het college geen reden voor een ander standpunt.



5.2
Ook na schorsing van het onderzoek op de zitting op 8 oktober 2025 heeft verzoekster volgens het college niet meegewerkt aan onderzoek naar haar vervoersbehoefte en die van haar dochter. Op 8 oktober 2025 heeft het college per brief en per SMS een voorstel gedaan voor twee data voor onderzoek. Hierbij is aangegeven dat verzoekster zich kan wenden tot cliëntondersteuning. Hierop is wel een reactie gekomen maar geen inhoudelijke. De toon van verzoekster was daarbij niet respectvol en niet meewerkend. Op 17 oktober 2025 heeft het college nogmaals aan verzoekster een SMS gezonden en op
24 oktober 2025 een brief gezonden om met haar in contact te komen. Ook hierop is niet gereageerd.

Op 8 oktober 2025 heeft het college ook contact opgenomen met de jeugdbeschermer. Die heeft aangegeven dat er op dat moment geen contact is met verzoekster en het dus ook niet mogelijk is vragen te beantwoorden.



5.3
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding stelt het college dat daarvoor geen aanleiding is. Verzoekster werkt niet mee aan onderzoek. Het is daarom aan haar te wijten dat het college niet meer compenseert dan al is gedaan. Het college betreurt de gang van zaken. Met hulp van een mediator is geprobeerd om in een aantal vertrouwelijke gesprekken te komen tot een effectieve, eerlijke en duurzame oplossing, maar mediation is niet gelukt.


Toetsingskader

6. De wet- en regelgeving die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Oordeel van de voorzieningenrechter


Aangepaste auto



7.1
De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of het college op goede gronden geweigerd heeft aan verzoekster een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste auto te verstrekken.

De te beoordelen periode betreft de periode van 17 december 2021 (datum aanvraag) tot en met 5 juli 2024 (datum bestreden besluit).



7.2
Het college heeft een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste auto geweigerd, omdat de vervoersbehoefte – en daarmee de aard en omvang van de ondersteuning – niet is vast te stellen. Verzoekster heeft volgens het college niet dan wel onvoldoende medewerking verleend om die behoefte vast te stellen.



7.3
De voorzieningenrechter maakt uit het dossier op dat het college, na de uitspraak van 8 mei 2024, verschillende keren geprobeerd heeft met verzoekster het gesprek aan te gaan om te beoordelen wat de vervoersbehoefte is. Verzoekster heeft aan dat onderzoek amper meegewerkt. Er is verschillende keren gevraagd naar afsprakenkaarten maar die heeft verzoekster niet overgelegd. Blijkens het verslag van het huisbezoek op 6 juni 2024, waarbij jeugdbeschermer Beugelaar, kwaliteitsmedewerker Wiegerink en klantmanager Hoogesteger aanwezig waren, heeft verzoekster tijdens dat huisbezoek bijna geen antwoord gegeven, ook niet als de jeugdbeschermer vraagt om antwoord te geven. Uit dat verslag blijkt verder dat JPH Consult verschillende keren heeft geprobeerd met verzoekster een afspraak te maken voor een deskundigenoordeel, dat op 26 juni 2024 gepland stond, maar ook daarop heeft verzoekster niet gereageerd.



7.4
Ook na schorsing van het onderzoek op de zitting van 8 oktober 2025, om het college nader onderzoek te (kunnen) laten verrichten, is gebleken dat verzoekster niet meewerkt aan onderzoek. Het college heeft geprobeerd met verzoekster een afspraak te maken, maar zij heeft dat afgehouden. Van verzoekster heeft het college dus geen informatie verkregen en het college heeft die informatie ook niet anderszins kunnen verkrijgen. De jeugdbeschermer heeft laten weten op dat moment geen contact te hebben met verzoekster, waardoor geen informatie verstrekt kon worden.



7.5
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college heeft kunnen stellen dat verzoekster geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015, en haar vervoers- en ondersteuningsbehoefte als gevolg daarvan niet kunnen worden vastgesteld.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het besluit van het college, waarbij aan verzoekster om die reden een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste auto is geweigerd, standhoudt. De voorzieningenrechter verklaart het beroep daarom ongegrond.


Wijziging van de getroffen voorlopige voorziening



7.6
Verzoekster is als voorlopige voorziening met ingang van 28 augustus 2024 tot aan de uitspraak in beroep taxivervoer in een personenauto en zonder medepassagiers verstrekt naar, door de jeugdbeschermer ten behoeve van [kind 2] in te zetten activiteiten binnen de regio, te weten één keer per week therapie en één keer per week een sociale activiteit.



7.7
Verzoekster heeft verzocht om wijziging van deze voorziening, omdat zij stelt dat er aan haar een aangepaste auto dient te worden verstrekt.



7.8
Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist en dat beroep ongegrond is, is er geen aanleiding de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen.


Schadevergoeding



7.9
Gelet op het bepaalde in artikel 8:88 van de Awb is er pas een grondslag voor materiële schadevergoeding als vaststaat dat de besluitvorming onrechtmatig is of als sprake is van een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.



7.10
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is en daarmee de rechtmatigheid van het bestreden besluit gegeven is, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor een toekenning van materiële schadevergoeding.



7.11
Voor wat betreft de uitbetaling van het taxivervoer op grond van de getroffen voorziening/ vergoeding van ‘taxibonnetjes’ is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat een feitelijke handeling is die is onderworpen aan civielrechtelijke rechtsbescherming en buiten de reikwijdte valt van het bestreden besluit en de bedoeling van het verzoek om wijziging van de getroffen voorlopige voorziening: (weigering van) een vervoers-voorziening in de vorm van een aangepaste auto.



7.12
Met betrekking tot het verzoek van verzoekster om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt de voorzieningenrechter als volgt.



7.13
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan een andere termijn dan twee jaar geldt.



7.14
Het bezwaarschrift is ingediend op 14 september 2022. Als de rechtbank het onderzoek op de zitting van 8 oktober 2025 niet had geschorst, om het college in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten en verzoekster om daaraan mee te werken, en verzoekster direct had meegewerkt, had het in de verwachting gelegen dat
6 weken nadien of niet veel later – voor of kort na 19 november 2025 – uitspraak was gedaan. In dat geval had de totale procedure (bezwaar, beroep, bezwaar, beroep) 3 jaar en circa 3 maanden geduurd en was de redelijke termijn met 1 jaar en 3 maanden overschreden.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van
€ 1.500,- voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening af. Als gevolg hiervan heeft verzoekster geen recht op vergoeding van het griffierecht.




Beslissing
De voorzieningenrechter:


verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening af;


wijst het verzoek om materiële schadevergoeding af;


veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1.500,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 23 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.





griffier voorzieningenrechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.





Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Wet maatschappelijke ondersteuning 2015


Artikel 1.1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- maatschappelijke ondersteuning:
1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,
2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,
3°. bieden van beschermd wonen en opvang;
- maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;
- participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
- zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 1.2.1
Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit:
a. door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie,

Artikel 2.3.1
Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.

Artikel 2.3.5
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Artikel 2.3.8
1. De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij regeling van Onze Minister aan te wijzen administraties.
3. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.



Verordening maatschappelijke ondersteuning Breda 2021


Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen
1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze:
a. noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;
b. als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken;
c. in overwegende mate op de cliënt is gericht.
3. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat als de cliënt:
a. een maatwerkvoorziening waar de aanvraag betrekking op heeft al in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij deze verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
b. in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid of participatie;
c. gelet op de noodzaak tot een maatwerkvoorziening aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.

Artikel 3.4 Beginsel van primaat
1. Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken als collectieve maatwerkvoorziening of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Een collectieve maatwerkvoorziening is een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt.

Artikel 5.5 Criteria financiële tegemoetkoming
1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken gericht op kosten die verband houden met:
a. het gebruik van een (eigen) auto voor de lokale vervoersbehoefte;
b. het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer voor de lokale vervoersbehoefte;
c. de toepassing van het primaat van verhuizen als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van de verordening;
d. andere maatregelen als geen maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt of kan worden verstrekt en er geen oordeel is vereist over de kwaliteit van de maatwerkvoorziening.


vindplaats: ECLI:NL:RBZWB2024:6052


ECLI:NL:RBZWB:2025:2357
Link naar deze uitspraak