|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:2842 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 12137534 VV EXPL 26-29 ( 12137534 VV EXPL 26-29 ( | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding: X huurt een bedrijfsruimte van gedaagde waarin zij een autoschadeherstelbedrijf exploiteerde. X is failliet verklaard. De curator heeft een kandidaat gevonden voor een doorstart, zijnde Y. In verband met de doorstart wenst Y de huur voort te zetten. Gedaagde heeft de huurovereenkomst voor de betreffende bedrijfsruimte echter opgezegd met een beroep op 39 Fw. Zij heeft de voorkeur de bedrijfsruimte te verkopen en heeft ook een geïnteresseerde koper gevonden. De curator is voornemens een indeplaatsstellingsprocedure op te starten als gedaagde niet alsnog overgaat tot het sluiten van een huurovereenkomst met Y. De curator stelt dat de opzegging op grond van artikel 39 Fw misbruik van recht oplevert, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gedaagde betwist dit. Volgens haar is de huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. De kantonrechter toetst allereerst de aannemelijkheid van toewijzing van een vordering tot indeplaatsstelling in een eventueel te voeren bodemprocedure. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de toewijzing van de vordering tot indeplaatsstelling in een bodemprocedure niet aannemelijk is. De vorderingen van de curator worden daarom afgewezen en het gehuurde moet na het verstrijken van de opzegtermijn ontruimd worden. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | huurovereenkomst | | | huurovereenkomsten | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12137534 \ VV EXPL 26-29
Vonnis in kort geding van 10 april 2026
in de zaak van
MR. [curator] Q.Q. IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN CURATOR IN HET FAILLISSEMENT VAN AUTOSCHADE CENTER TILBURG ACT B.V.,
te Breda,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
gemachtigde: mr. M. Littooij,
en
AUTOSCHADEHUIS B.V.,
te Gouda,
eisende partij in het incident tot voeging,
hierna te noemen: Autoschadehuis,
gemachtigde: mr. M. Littooij,
tegen
[B.V.] .,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
verwerende partij in het incident tot voeging,
hierna te noemen: [B.V.] , ook wel de erven van [B.V.] ,
gemachtigde: mr. J.J.L. Paijmans.
1De zaak in het kort
1.1.
Autoschade Center Tilburg ACT B.V. (hierna: ACT) huurt een bedrijfsruimte van [B.V.] , waarin zij een autoschadeherstelbedrijf exploiteerde. ACT is failliet verklaard. De curator heeft een kandidaat gevonden voor een doorstart, zijnde Autoschadehuis. In verband met de doorstart wenst Autoschadehuis de huur voort te zetten. [B.V.] heeft de huurovereenkomst voor de betreffende bedrijfsruimte echter opgezegd met een beroep op 39 Fw. Zij heeft de voorkeur de bedrijfsruimte te verkopen en heeft ook een geïnteresseerde koper gevonden. De curator is voornemens een indeplaatsstellingsprocedure op te starten als [B.V.] niet alsnog overgaat tot het sluiten van een huurovereenkomst met Autoschadehuis. De curator stelt dat de opzegging op grond van artikel 39 Fw misbruik van recht oplevert, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [B.V.] betwist dit. Volgens haar is de huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. De kantonrechter toetst allereerst de aannemelijkheid van toewijzing van een vordering tot indeplaatsstelling in een eventueel te voeren bodemprocedure. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de toewijzing van de vordering tot indeplaatsstelling in een bodemprocedure niet aannemelijk is. De vorderingen van de curator worden daarom afgewezen en het gehuurde moet na het verstrijken van de opzegtermijn ontruimd worden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;
- de incidentele vordering tot voeging van Autoschadehuis;- de mondelinge behandeling van 27 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van de curator.
3De feiten
in conventie en reconventie
3.1.
[B.V.] verhuurt met ingang van 1 februari 2017 de bedrijfsruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) aan ACT. ACT exploiteerde in het gehuurde een autoschadeherstelbedrijf.
3.2.
Bij vonnis van 20 januari 2025 is ACT in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [curator] (hierna: de curator) tot faillissementscurator. Op diezelfde dag zijn ook de faillissementen uitgesproken van drie andere besloten vennootschappen die op andere locaties autoschadeherstelbedrijven exploiteerden. De curator is daarbij ook benoemd als faillissementscurator.
3.3.
Na het faillissement heeft (een kantoorgenoot van) de curator contact gehad met [B.V.] , waarbij is gesproken over het voortzetten van de onderneming en daarmee ook de huurovereenkomst.
3.4.
Op 25 januari 2026 is de directeur groot aandeelhouder van [B.V.] overleden. Per e-mail van 26 januari 2026 nemen de erven van [B.V.] contact op met de curator. Daarbij geven de erven aan dat zij inmiddels ook telefonisch zijn benaderd door twee partijen die willen spreken over de voortzetting van het huurcontract. Zij geven aan in gesprek te willen, maar dat dit gezien de omstandigheden erg lastig is voor hen. In de ochtend van 27 januari 2026 zijn zij aanwezig in het gehuurde om het personeel in te lichten. Dan kan ook gesproken worden over de situatie.
3.5.
Op 27 januari 2025 heeft de curator gesproken met de erven van [B.V.] en aangegeven dat de intentie is om een doorstart te maken. Op dat moment is de curator ook in gesprek met een beoogde overnamekandidaat, Autoschadehuis B.V. (hierna: Autoschadehuis). De erven van [B.V.] hebben daarop aangegeven dat zij alle mogelijkheden nog moeten bekijken.
3.6.
Kort daarna meldt de eigenaar van het naburige perceel (hierna: Van Mossel) zich bij [B.V.] als geïnteresseerde koper van het gehuurde.
3.7.
Per e-mail van 9 februari 2026 laten de erven van [B.V.] aan de curator weten dat er tot heden nog geen overeenkomst tot stand is gekomen met Autoschadehuis. Volgens hen is de oorspronkelijke huurovereenkomst met ACT als gevolg van het faillissement van rechtswege geëindigd. Ook wordt aangegeven dat betreding en gebruik van het pand zonder voorafgaande toestemming niet (langer) is toegestaan. De erven van [B.V.] beraden zich op de meest passende toekomstige aanwending van het pand. Zij geven aan in dat kader gesprekken te voeren met meerdere partijen, waaronder – maar niet uitsluitend – Autoschadehuis.
3.8.
Op diezelfde dag wordt tussen de curator en Autoschadehuis overeenstemming bereikt over de verkoop van activa, goodwill en activiteiten van alle vier de vennootschappen waarbij de curator als faillissementscurator is aangesteld, waaronder ook ACT. In de activa overeenkomst is – voor zover hier relevant – over de huurovereenkomsten het volgende opgenomen:
“
Artikel 12: Huurovereenkomsten locaties
12.1
Koper heeft aangegeven de huidige door de Vennootschappen gehuurde bedrijfsruimten te willen gaan huren van de betreffende verhuurders. Koper zal zich inspannen om gelijktijdig met de ondertekening van deze Overeenkomst, nieuwe huurovereenkomsten af te sluiten, althans deze afsluiten zo spoedig mogelijk na ondertekening van deze Overeenkomst.
12.2
De Curator geeft geen garantie dat de desbetreffende verhuurders zullen instemmen met een nieuwe huurovereenkomst of indeplaatsstelling van de Koper als huurder.
(..)
12.4
Het komt voor rekening en risico van Koper indien één of meer verhuurders niet bereid is/zijn om met Koper een nieuwe huurovereenkomst te sluiten.
12.5
In het geval dat het voor één of meer vestigingen voor Koper niet mogelijk blijkt een nieuwe huurovereenkomst te sluiten, geldt de volgende regeling. De curator zal maandag 9 februari 2026, dan wel zo spoedig mogelijk, alle vier de huurovereenkomsten opzeggen (…). In beginsel geldt vervolgens een opzegtermijn van drie maanden zoals bedoeld in artikel 39 Faillissementswet, waarbij Koper gedurende deze opzegtermijn gebruik mag blijven maken van het gehuurde waarvoor geen nieuwe huurovereenkomst tot stand kan komen, tegen betaling van onder de desbetreffende huurovereenkomst geldende huurpenningen aan de desbetreffende boedel. Koper dient uiterlijk drie werkdagen voor de laatste dag van de opzegtermijn de door haar van de Curator gekochte Activa uit het gehuurde te hebben verwijderd. Eventuele door de Koper toegebrachte schade bij de ontruiming van het gehuurde komt voor rekening van Koper.
(..).”
3.9.
Per 10 februari 2026 zijn de erven van [B.V.] als directeuren (bestuurders) van [B.V.] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
3.10.
Na het sluiten van de activa-overeenkomst heeft Autoschadehuis geprobeerd om met [B.V.] overeenstemming te bereiken over het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst. Ook is gesproken over de aankoop van het gehuurde. Voor [B.V.] was het wenselijk om over te gaan tot verkoop. Het is partijen uiteindelijk niet gelukt om tot overeenstemming te komen over de voorwaarden van een nieuwe huurovereenkomst of de aankoopsom van het gehuurde.
3.11.
Op 23 februari 2026 stuurt de curator een brief aan [B.V.] . Indien niet op korte termijn een bevestiging volgt dat [B.V.] bereid is om met Autoschadehuis een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan of het gehuurde te verkopen, is de curator genoodzaakt een formele indeplaatsstellingsprocedure te starten. De curator geeft daarbij aan dat zowel hij als Autoschadehuis een zwaarwichtig belang heeft bij de indeplaatsstelling.
3.12.
Per e-mail van 27 februari 2025 reageert [B.V.] op het bericht van de curator. Onder verwijzing naar artikel 39 Faillissementswet (hierna: Fw) wordt de huurovereenkomst opgezegd. [B.V.] geeft daarbij aan dat in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van de voormalig en enig aandeelhouder en bestuurder het zowel nodig als gewenst is tot verkoop van het gehuurde over te gaan, vrij van huur. Inmiddels is daarover met Van Mossel overeenstemming bereikt.
4Het geschil in incident tot voeging
4.1.
Autoschadehuis vordert zich op grond van artikel 217 Rechtsvordering (hierna: Rv) te mogen voegen aan de zijde van de curator in deze procedure. Autoschadehuis stelt dat iedereen die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Het belang van Autoschadeherstel is er volgens haar in gelegen dat de hoofdzaak ziet op de vraag of een indeplaatsstelling moet worden afgewacht, en zij de beoogd in de plaatst te treden partij is. Zij wordt dus direct geraakt door de beslissing in de hoofdzaak.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [B.V.] geen verweer voert tegen de vordering tot voeging van Autoschadehuis aan de zijde van curator in deze procedure. Omdat niet is gebleken dat Autoschadehuis geen belang heeft bij de voeging of de voeging in strijd is met de goede procesorde, wordt zij toegelaten als gevoegde partij.
5Het geschil in de hoofdzaak
in conventie
5.1.
De curator vordert – samengevat – [B.V.] veroordelen om, uitvoerbaar bij voorraad, voor zo lang niet in de zaak ten principale is beslist:
I. na te laten feitelijke of juridische uitvoering te geven aan de betwiste opzegging;
II. al haar verplichtingen onder de Huurovereenkomst na te komen als ware deze niet opgezegd;
III. te gedogen dat Autoschadehuis in haar rol als opvolger van ACT gebruik maakt van het gehuurde voor exploitatie van een autoschadeherstelbedrijf;
IV. na te laten met enige andere partij dan ACT, Autoschadehuis of een aan hen gelieerde entiteit, een huurovereenkomst aan te gaan ten aanzien van een deel of het geheel van het gehuurde;
V. na te laten enige feitelijke of juridische uitvoering te geven aan een reeds gesloten huurovereenkomst of huurovereenkomsten of anderszins gemaakte afspraken ten aanzien van (een deel van) het gehuurde;
VI. een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
VII. aan de curator te voldoen de kosten van dit geding binnen 7 dagen na het wijzen van het vonnis, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen de genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de 8e dag wettelijke rente verschuldigd is alsmede de nakosten.
5.2.
De curator legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel misbruik van recht oplevert. Hiertoe stelt de curator dat artikel 39 Fw en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden de uitkomst zijn van een belangenafweging door de wetgever van het belang van de boedel enerzijds om het oplopen van boedelschulden te kunnen beperken en het belang van de verhuurder anderzijds om betaling van de huurprijs te ontvangen. In deze situatie is de betaling van de huurprijs niet in het gedrang, terwijl daar tegenover staat dat het belang van Autoschadehuis en de boedel bij het in stand blijven van de huurovereenkomst en indeplaatsstelling erg groot is. Ook is de wens het gehuurde te verkopen geen legitieme reden om de huurovereenkomst op grond van artikel 39 Fw op te zeggen.
5.3.
Verder kan de beoogde indeplaatsstelling enkel doorgang vinden als de huurovereenkomst in stand blijft. De curator stelt bij de indeplaatsstelling een zwaarwichtig belang te hebben, nu de boedel daarbij gebaat is. Ook wordt het werknemersbelang hiermee gewaarborgd.
5.4.
[B.V.] voert verweer. Zij stelt dat het haar geheel vrij stond om de huur op te zeggen. Voor de opzegging hoeft zij geen reden te hebben. De opzegging levert ook geen misbruik van recht op. [B.V.] zag zich geconfronteerd met een failliete huurder en achterstallige huurbetalingen. Daarbij heeft Autoschadehuis een periode onduidelijkheid laten ontstaan over of zij überhaupt bereid was de huurovereenkomst aan te gaan onder de bestaande voorwaarden. Zij heeft herhaaldelijk aanspraak gemaakt op huurkortingen, waarmee Autoschadehuis haar recht op een eventuele indeplaatsstelling heeft verwerkt. Verder is de opzegging volgens [B.V.] ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het is niet zo dat Autoschadehuis een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt voor die boedel of dat het gehuurde van groot belang is voor de doorstart.
5.5.
Tot slot wordt verweer gevoerd tegen de indeplaatsstelling. De pogingen om huurkorting te bewerkstelligen hebben [B.V.] er niet van overtuigd dat Autoschadehuis een solvabele partij is. Ook kan de beoogde doorstart gewoon plaatsvinden zonder de indeplaatsstelling en de bedrijfsruimte van [B.V.] . Op basis van de activaovereenkomst kan ook niet worden geconcludeerd dat het niet doorgaan van de indeplaatsstelling tot minder actief van de faillissementsboedel leidt. De curator heeft daarin juist geen garantie gegeven dat de betreffende verhuurders zullen instemmen met een nieuwe huurovereenkomst of indeplaatsstelling van Autoschadehuis als huurder. Gelet daarop kan er niet vanuit worden gegaan dat met het niet doorgaan van de indeplaatsstelling geen optimale opbrengst voor de faillissementsboedel kan worden gerealiseerd en ontbreekt het aan zwaarwegend belang van de curator en/of de boedel bij de indeplaatsstelling.
5.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
5.7.
[B.V.] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de curator veroordeelt:
de bedrijfsruimte aan [adres] uiterlijk 27 mei 2026, te ontruimen met alle personen en goederen welke zich in de bedrijfsruimte bevinden, met afgifte van de sleutels;
binnen acht dagen na het in deze te wijzen vonnis te betalen (een bedrag gelijk aan) de vanaf 1 februari 2026 maandelijks verschuldigde huur als boedelschuld ad. € 15.522,35, te vermeerderen met de maandelijks verschuldigde contractuele boete van (tenminste) € 300,00 per maand dat de huur niet tijdig en/of volledig betaald is eveneens als boedelschuld;
tot betaling van de (buitengerechtelijke) kosten van dit geding als boedelschuld en deze conform art. 28.1 van de algemene bepalingen (in redelijkheid) te begroten op 15% van de hoofdsom, betreffende een bedrag ad. € 9.313,41, te vermeerderen met de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten als voldoening binnen de gestelde termijn uitblijft.
5.8.
De curator heeft de vorderingen bestreden.
5.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
6De beoordeling
in conventie en in reconventie
6.1.
Vanwege de onderlinge samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Er is een voldoende spoedeisend belang
6.2.
Het gaat hier om een voorlopige voorziening die in kort geding is gevraagd. De kantonrechter moet daarom eerst vaststellen of de curator bij deze voorziening een spoedeisend belang heeft.
6.3.
De curator heeft voldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen, nu de huurovereenkomst bij een rechtsgeldige opzegging op 27 mei 2026 eindigt en indeplaatsstelling dan niet meer mogelijk is. Nu de vorderingen van [B.V.] in reconventie daarmee samenhangen, geldt dit ook voor die vorderingen.
Is het waarschijnlijk dat de vorderingen in een bodemprocedure worden toegewezen?
6.4.
Naast de aanwezigheid van een spoedeisend belang, geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De vorderingen waarover de kantonrechter in dit geval een voorshands oordeel over moet geven, zien op de geldigheid van de huuropzegging door [B.V.] en slagingskansen van de indeplaatsstellingsprocedure van de curator.
6.5.
[B.V.] betoogt dat er in dit geval een volgordelijke wijze is waarop deze zaak inhoudelijk beoordeeld dient te worden, in die zin dat allereerst de opzegging beoordeeld moet worden. Pas nadat wordt vastgesteld dat de opzegging geen effect heeft, kan worden toegekomen aan de toetsing van de vereisten voor de indeplaatsstelling. De kantonrechter volgt deze stelling nadrukkelijk niet. Over het algemeen komt de (kanton)rechter grote vrijheid toe om de haar voorgelegde geschilpunten te beslissen in de volgorde die haar het meest aangewezen lijkt.
Is het voorshands aannemelijk dat indeplaatsstelling in dit geval mogelijk is?
6.6.
[B.V.] heeft de huurovereenkomst met ACT opgezegd op grond van artikel 39 Fw. In bepaalde gevallen kan een opzegging op grond van dit artikel misbruik van recht opleveren. Dat kan het geval zijn als deze wordt gebruikt met als enig doel een ander te benadelen of met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven. Ook kan daarvan sprake zijn als een grote ongelijkheid bestaat tussen het belang bij uitoefening en het daarmee geschade belang. Daarnaast kan de opzegging of het vasthouden daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Voor de vraag of de opzegging misbruik van recht oplevert of (het vasthouden daaraan) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is van belang of is voldaan aan de vereisten voor indeplaatsstelling.
De vereisten voor indeplaatsstelling
6.7.
De indeplaatsstelling is geregeld in artikel 7:307 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit dit artikel volgt dat de vordering tot indeplaatsstelling allen kan worden toegewezen als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
de gewenste overdracht moet het door de huurder in het gehuurde uitgeoefende bedrijf betreffen (lid 1);
de huurder, en in dit geval de curator, moet een zwaarwichtig belang hebben bij de overdracht. Ook moet de nieuwe huurder voldoende waarborgen bieden voor nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering (lid 2).
Is er sprake van een overdracht van het door huurder uitgeoefende bedrijf?
6.8.
Op grond van het eerste lid moet sprake zijn van een overdracht van het door de huurder in het gehuurde uitgeoefende bedrijf. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan. Autoschadehuis wil, net als ACT, een autoschadeherstelbedrijf gaan exploiteren in het gehuurde. Uit de gesloten activa-overeenkomst volgt ook dat Autoschadehuis onder andere de voorraden, inventaris en het klantenbestand heeft overgenomen. Ook heeft Autoschadehuis het grootste deel van het personeel van ACT aangeboden bij haar in dienst te treden. Gelet hierop is het voldoende waarschijnlijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van overdracht van het uitgeoefende bedrijf.
Heeft de curator een zwaarwichtig belang bij de indeplaatsstelling?
6.9.
Op grond van het tweede lid moet de curator allereerst een zwaarwichtig belang hebben bij de overdracht. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat Autoschadehuis belang heeft bij de overdracht, merkt zij op dat de gestelde belangen van Autoschadehuis als doorstarter bij de beoordeling van het zwaarwichtig belang buiten beschouwing blijven. Het gaat hier uitsluitend om de belangen van de boedel.
6.10.
De curator heeft aangevoerd een zwaarwichtig belang te hebben. Door de indeplaatsstelling wordt het passief verkleind. Er is dan geen huurboedelvordering en (financiële) risico’s worden beperkt. De curator heeft daartoe, mede tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aangevoerd:
De huur tot aan het verstrijken van de opzegtermijn wordt bij het uitblijven van de doorstart een boedelschuld;
De schade die ontstaat doordat niet wordt opgeleverd conform de huurovereenkomst, zijnde in de staat waarin het gehuurde zich bevond ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, wordt bij het uitblijven van de doorstart een boedelschuld;
De schade die ontstaat aan het pand bij de ontruiming van het gehuurde, wordt een boedelschuld.
6.11.
Verder heeft de curator aangevoerd dat door de indeplaatsstelling de werkgelegenheid blijft gewaarborgd.
6.12.
Ter onderbouwing van het onder i) gestelde belang heeft de curator aangevoerd dat de huur een boedelschuld vormt als de huurovereenkomst niet wordt overgenomen. Daar staat tegenover dat de curator in dat geval op grond van artikel 12.5 van de activa overeenkomst een vordering heeft op Autoschadehuis. Als de huurovereenkomst wel wordt overgenomen, is er geen sprake van een boedelschuld. De overnemende partij zal dan rechtstreeks aan [B.V.] de huur betalen. De kantonrechter begrijpt dit belang zo dat de curator in het geval dat geen indeplaatsstelling plaatsvindt, een (incasso)risico heeft. De kantonrechter is echter voorshands van oordeel dat dit risico niet zodanig concreet is of de nadelen zodanig van omvang zijn dat de boedel daaraan een zwaarwichtig belang kan ontlenen.
6.13.
Het belang onder ii) is er volgens de curator in gelegen dat de kosten die gemaakt moeten worden in verband met het ‘in goede staat’ opleveren van het gehuurde bij het uitblijven van de indeplaatsstelling ten laste van de boedel komen. Dit zal niet het geval zijn als Autoschadehuis de huurovereenkomst voortzet. Of dit een zwaarwichtig belang oplevert, kan in het midden blijven nu [B.V.] tijdens de mondelinge behandeling afstand heeft gedaan van haar vordering opleverschade te vorderen, voor zover het gehuurde niet wordt opgeleverd in de staat zoals deze was bij aanvang van de huurovereenkomst.
6.14.
Ter onderbouwing van het onder iii) gestelde belang heeft de curator aangevoerd dat de schade die ontstaat aan het pand bij het leeghalen en ontruimen daarvan een boedelschuld kan opleveren. Dat zal niet het geval zijn als de indeplaatsstelling doorgaat. Bij de beoordeling van de vraag of dit een zwaarwichtig belang voor de boedel oplevert, neemt de kantonrechter mee dat deze vordering nog onzeker is. Het is mogelijk dat het gehuurde zonder schade zal worden ontruimd. Daarbij speelt ook een rol dat Van Mossel het gehuurde wil overnemen op basis van het ‘as is where is’ principe, wat de kans op een eventuele claim nog kleiner maakt. Hoewel het uitblijven van de indeplaatsstelling mogelijk extra kosten voor de boedel met zich brengt, valt vooralsnog niet te verwachten dat deze zo aanzienlijk zijn dat de boedel daaraan een zwaarwichtig belang kan ontlenen. Daarbij komt dat ook voor deze schade geldt dat de curator op grond van artikel 12.5 van de activa overeenkomst een vordering heeft op Autoschadehuis.
6.15.
Tot slot heeft de curator betoogd dat een indeplaatsstelling bijdraagt aan het behoud van werkgelegenheid, wat een belang is dat de curator aangaat. De kantonrechter overweegt dat dit een belang is dat de curator zich mag aantrekken, maar in dit geval acht zij het werkgelegenheidsbelang niet zwaarwichtig. De curator heeft geen informatie verstrekt over de aard en duur van de dienstverbanden, zoals de contractduur, de leeftijd van de werknemers en hun positie op de arbeidsmarkt. Zonder deze gegevens is het lastig om de impact van de ontslagen goed in te schatten. Daarbij is niet gesteld, noch gebleken dat het al dan niet in dienst treden van de werknemers bij Autoschadehuis een financieel voor- of nadeel oplevert voor de boedel. Ook is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat Van Mossel bereid is om werknemers over te nemen. Hoewel dit geen bindende toezegging betreft, levert het werkgelegenheidsargument onder deze omstandigheden geen zwaarwichtig belang op voor de boedel bij de indeplaatsstelling.
6.16.
Gezien het voorgaande komt de kantonrechter voorshands tot het oordeel dat de curator niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zwaarwichtig belang bij indeplaatsstelling, zodat het niet aannemelijk is dat de gevorderde indeplaatsstelling in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Omdat niet is voldaan aan het vereiste uit lid 2, kunnen de andere voorwaarden uit artikel 7:307 BW onbesproken blijven.
De vorderingen van de curator worden afgewezen
6.17.
Nu de kantonrechter voorshands van oordeel is dat de indeplaatsstelling niet toewijsbaar is, kan niet gezegd worden dat het beroep van [B.V.] op artikel 39 Fw misbruik van recht oplevert of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vorderingen in conventie worden dan ook afgewezen.
De vordering tot ontruiming wordt toegewezen
6.18.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de vordering tot ontruiming van het gehuurde in reconventie zal worden toegewezen.
6.19.
De gevorderde veroordeling in de kosten van de ontruiming voor het geval niet wordt voldaan aan de veroordeling tot ontruiming wordt afgewezen, omdat deze kosten niet vooraf begroot kunnen worden. Het is onduidelijk of de kosten gemaakt moeten worden, waaruit de kosten precies bestaan en hoe hoog die kosten zullen zijn.
De overige vorderingen in reconventie worden afgewezen
6.20.
[B.V.] vordert in reconventie de curator te veroordelen tot betaling van de maandelijks verschuldigde huur als boedelschuld, met vermeerdering van de contractuele boete. De curator heeft in het kader van deze vordering terecht gesteld dat de huur een boedelschuld is en dat hij pas zal overgaan tot het voldoen daarvan als duidelijk is dat daarvoor voldoende boedelactief aanwezig is. Dit is de gebruikelijke systematiek bij een faillissement en zorgt ervoor dat de gelijkheid en rangorde tussen de boedelschuldeisers blijven gewaarborgd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dat systeem af te wijken. De vordering wordt dan ook afgewezen.
6.21.
Het voorgaande heeft ook te gelden voor een vordering tot betaling van de (buitengerechtelijke) kosten van dit geding, als dit een boedelschuld zou opleveren. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.
De proceskosten in conventie
6.22.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [B.V.] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298,00
6.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten in reconventie
6.24.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
De kantonrechter
in conventie
7.1.
wijst de vorderingen van de curator af,
7.2.
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt de curator tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
7.4.
veroordeelt de curator de bedrijfsruimte aan [adres] uiterlijk op 27 mei 2026 te ontruimen met alle personen en goederen welke zich op of in voormelde bedrijfsruimte bevinden van harentwege, in goede staat en met overgave van de sleutels,
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in conventie en in reconventie
7.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
HR 7 april 1989, NJ 1989/552. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|