Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:9426 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:05-05-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:24_8590
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:WW. Geen verlenging van de duur van de WW-uitkering. Het WW-recht dat vanaf de toekenningsdatum is ontstaan heeft altijd doorgelopen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
wao
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
([gemachtigde]).




Inleiding

Bij besluit van 10 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 1 juli 2024 herleeft.

Bij besluit van 18 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank


1.1.
Bij besluit van 10 november 2023 is aan eiser voor de periode van 1 november 2023 tot en met 30 september 2024 een WW-uitkering toegekend. Op 15 februari 2024 heeft eiser via een wijzigingsformulier aan verweerder bericht dat hij met ingang van 4 maart 2024 gaat werken bij [bedrijfsnaam] als business consulent voor 40 uur per week.



1.2
Bij brief van 3 mei 2024 heeft verweerder eiser er aan herinnerd dat hij zijn inkomstenopgave over de periode van 1 maart 2024 tot en met 31 maart 2024 nog moet opsturen. Verweerder heeft eiser verzocht dit voor 15 mei 2024 te doen en daarbij vermeld dat als voor die datum geen inkomstenopgave wordt ontvangen, de WW-uitkering zal worden beëindigd.



1.3
Bij besluit van 16 mei 2024 heeft verweerder de WW-uitkering van eiser per 1 maart 2024 beëindigd, op de grond dat van eiser geen inkomstenopgave is ontvangen. Daarbij is vermeld dat als eiser toch zijn WW-uitkering wil behouden, hij contact met verweerder dient op te nemen.



1.4.
Eiser is op 1 juli 2024 werkloos geworden uit zijn dienstverband met [bedrijfsnaam].

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers WW-uitkering per 1 juli 2024 laten herleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de WW-uitkering niet verlengd kan worden voor de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024, zoals door eiser is verzocht, omdat over die periode geen inkomstenopgave is ontvangen. Verweerder heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd.



3.1.
Eiser voert aan dat artikel 42 van de WW (de rechtbank neemt aan dat eiser artikel 43 bedoelt) de mogelijkheid biedt om de uitkeringsduur te verlengen in periodes waarin geen uitkering wordt genoten. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:CRVB:2015:2887, is volgens eiser bevestigd dat periodes waarin geen recht op WW bestaat of geen WW wordt uitgekeerd wegens werk, kunnen worden toegevoegd aan de maximale uitkeringsduur. Dit is volgens eiser op hem van toepassing, nu hij in de periode maart tot en met juni 2024 geen WW heeft genoten omdat hij werkte. Deze maanden zouden daarom aan zijn maximale uitkeringsduur moeten worden toegevoegd.



3.2.
Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Verweerder heeft aan eiser verzocht zijn inkomsten uit zijn dienstverband met [bedrijfsnaam] per 1 maart 2024 via een inkomstenformulier op te geven. Die opgave is van belang omdat door verweerder vastgesteld dient te worden of bij eiser mogelijk nog recht op een gedeeltelijke WW-uitkering bestaat of dat de hoogte van zijn inkomsten aanleiding geeft de WW-uitkering te beëindigen. Nu eiser zijn inkomstenformulier niet heeft opgestuurd was dat niet vast te stellen en gaf dat reden om het recht op WW per 1 maart 2024 niet uit te betalen. Nu de WW-uitkering nooit is beëindigd met toepassing van artikel 20 van de WW betekent dit dat het WW-recht dat vanaf 1 november 2023 is ontstaan altijd heeft doorgelopen, inclusief de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024. Verweerder heeft dan ook terecht de WW-uitkering laten herleven tot 1 oktober 2024. De door eiser genoemde uitspraak geeft de rechtbank geen reden anders te oordelen, reeds omdat deze uitspraak ziet op een geschil in het kader van de aanvraag van een bijstandsuitkering en geen betrekking heeft op aanspraken op grond van de WW.



4.1.
Eiser stelt voorts dat er sprake is van schending van de rechtszekerheid. Hij heeft correct gemeld dat hij ging werken en kon er dan ook van uitgaan dat de WW-uitkering was stopgezet. Dat verweerder heeft besloten om de uitkering formeel niet stop te zetten, maar geen betaling te doen wegens het ontbreken van inkomensopgaven, is niet naar hem gecommuniceerd. Hij mocht er daarom op vertrouwen dat de periode maart tot en met juni 2024 niet zou worden afgetrokken van de totale WW-duur.



4.2.
Ook hier volgt de rechtbank eiser niet. In de brief van 3 mei 2024 staat vermeld dat eiser nog steeds een WW-uitkering ontvangt en dat hij, ook als hij geen inkomsten heeft of al aan het werk is, mogelijk recht heeft op een deel van zijn WW-uitkering. Daarmee kon eiser dus weten dat er nog altijd een WW-recht bestond. Voorts is in het besluit van 16 mei 2024 aan eiser bericht hoe hij zijn WW-uitkering kon behouden, zodat eiser ook daaruit kon afleiden dat er nog altijd een WW-recht bestond. In het geval eiser van mening was dat er geen WW-recht meer zou bestaan, had eiser bezwaar moeten maken tegen dat besluit van 16 mei 2024. Voorts is niet gebleken dat van de kant van verweerder aan eiser mededelingen zijn gedaan op grond waarvan eiser er op mocht vertrouwen dat er geen WW-recht meer zou bestaan.



5.1.
Eiser stelt dat het hem niet te verwijten valt dat hij de gevraagde inkomstenopgave niet heeft ingezonden. Hij verkeerde namelijk in de veronderstelling dat het indienen daarvan niet nodig was, omdat hij er van uitging dat de WW-uitkering was stopgezet. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:CRVB:2007:BA9153, waarin is geoordeeld dat verweerder niet zondermeer mag aannemen dat het niet aanleveren van gegevens verwijtbaar is.



5.2.
Deze stelling faalt. Dat eiser volgens hem niet verwijtbaar heeft gehandeld kan geen rol spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit. Eiser had dit standpunt aan de orde moeten stellen in een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 16 mei 2024. De door eiser genoemde uitspraak is niet van toepassing in deze zaak, nu het in die uitspraak gaat om WAO-aanspraken.



6.1.
Eiser stelt ten slotte dat het niet verlengen van de uitkeringsduur met de vier maanden waarin hij werkte leidt tot een disproportionele benadeling. Hij heeft in deze periode immers geen gebruik gemaakt van en hierdoor feitelijk bespaard op de publieke middelen. Ook is het niet verlengen van de WW-uitkering een disproportionele sanctie voor een administratieve omissie. Hij heeft te goeder trouw gehandeld door zijn werk en inkomsten te melden, in de veronderstelling dat de WW-uitkering was stopgezet.



6.2.
De rechtbank volgt eiser ook hier niet in. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt had eiser, indien hij zijn inkomensopgaven wel had opgestuurd, een aanvulling van de WW kunnen krijgen. Dat eiser ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat zijn WW-uitkering was stopgezet dient daarom voor zijn rekening te komen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.











griffier


rechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak