|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:9666 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 23_5936 en 23_5941 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Luchtvaartwet. Verordening (EG) nr. 1008/2008. Exploitatievergunning voor luchtvervoer. | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/5936 en 23/5941
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaken tussen
Noordzee Helikopters Vlaanderen N.V., uit Oostende, België, (SGR 23/5936)
en Noordzee Helikopters Nederland B.V., uit Europoort Rotterdam, (SGR 23/5941), tezamen te noemen eiseressen
(gemachtigden: mr. G.J.H. de Vos en mr. E. Dirksen)
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Bal).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Bristow Netherlands B.V., uit Den Helder
(gemachtigde: mr. M. van Wanroij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen de verlening van een exploitatievergunning aan de derde partij.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 28 oktober 2022 een exploitatievergunning verleend aan de derde-partij. Met het bestreden besluit van 26 juli 2023 op het bezwaar van eiseressen is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseressen hebben ieder beroep ingesteld tegen dit besluit. Die beroepen zijn gelijkluidend en worden hierna geduid als ‘het beroep’. Eiseressen hebben de gronden van het beroep aangevuld, aanvullende stukken ingebracht en gereageerd op de uitkomsten van nader onderzoek door verweerder.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Door verweerder is informatie gegeven over de uitkomsten van nader onderzoek hangende de beroepsprocedure, en verweerder heeft het verweerschrift aangevuld.
1.4.
De derde-partij heeft ook schriftelijk op het beroep gereageerd en deze reactie aangevuld.
1.5.
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en voor een aantal documenten verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het verzoek om beperkte kennisneming toegewezen. Eiseressen en de derde-partij hebben toestemming gegeven om mede op grond van die documenten uitspraak te doen.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep van eiseressen op 10 maart 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseressen, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 3], en de gemachtigde van de derde-partij, vergezeld door [naam 4].
1.7.
Gelet op de verwevenheid tussen beide zaken doet de rechtbank één uitspraak. Partijen hebben op de zitting desgevraagd medegedeeld daar geen bezwaar tegen te hebben.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Na een aanbestedingsprocedure sloot de Staat een overeenkomst met Bristow Helikopters Limited uit het Verenigd Koninkrijk voor het gebruik van helikopters voor Search and rescue (SAR) voor Kustwacht Nederland.
2.1.
Bristow Netherlands B.V. (BNBV), de derde-partij, heeft om deze SAR-helikoptertaak uit te kunnen voeren op 1 november 2021 bij verweerder een exploitatievergunning aangevraagd voor luchtvervoer. BNBV is een dochter van de Nederlandse vennootschap Bristow EU Holdco B.V. (BEUH). Oorspronkelijk hield de Amerikaanse vennootschap Bristow Group Inc. (BGI) 100% van de aandelen in BEUH. Hangende de aanvraag van de vergunning is de structuur gewijzigd in die zin dat een natuurlijke persoon met de Noorse nationaliteit 51% van de aandelen in BEUH in eigendom verkreeg. De overige 49% bleef in eigendom van BGI.
2.2.
Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft verweerder de exploitatievergunning verleend. Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat op grond van de door de derde-partij verstrekte informatie is vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1008/2008 (de Verordening) voor het verlenen van de vergunning. In het bestreden besluit van 26 juli 2023 op het bezwaar van eiseressen is verweerder daarbij gebleven. Eiseressen, concurrenten van de derde-partij, zijn het hier niet mee eens.
2.3.
Deze zaak gaat kort gezegd over de vraag of verweerder heeft mogen concluderen dat de derde-partij voldoet aan de criteria uit de Verordening over eigendom en zeggenschap.
Wat zijn de regels?
3. Op grond van artikel 16 en 16a van de Luchtvaartwet in verbinding met de Verordening moet een luchtvaartmaatschappij beschikken over een exploitatievergunning. Verweerder is de bevoegde autoriteit voor het verlenen van de exploitatievergunning in Nederland. De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) beoordeelt de aanvragen aan de hand van de eisen die zijn gesteld in de Verordening.
3.1.
Artikel 4 van de Verordening bevat de voorwaarden voor het verlenen van een exploitatievergunning. Eén van de voorwaarden is dat lidstaten en/of ingezetenen van lidstaten voor meer dan 50% eigenaar zijn van de onderneming en er daadwerkelijk controle over uitoefenen, hetzij direct, hetzij via een of meer tussenbedrijven, tenzij anders is bepaald in een overeenkomst met een derde land waarbij de Gemeenschap partij is. Daadwerkelijke zeggenschap is volgens artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening een relatie gebaseerd op rechten, overeenkomsten of andere middelen die, afzonderlijk of tezamen en gelet op de desbetreffende feitelijke of juridische omstandigheden, de mogelijkheid bieden om rechtstreeks of onrechtstreeks een beslissende invloed uit te oefenen op een onderneming, meer bepaald via a) het recht om alle of een gedeelte van de passiva van de onderneming te gebruiken, b) rechten of overeenkomsten waardoor een beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de organen van een onderneming of waardoor anderszins een beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering van de onderneming.
3.2.
De Europese Commissie (EC) heeft interpretatierichtsnoeren opgesteld (de Richtsnoeren), die bedoeld zijn als leidraad om te beoordelen of de aanvrager voldoet aan de criteria inzake eigendom en zeggenschap. De verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de vraag of een luchtvaartmaatschappij voldoet aan de vereisten inzake eigendom en zeggenschap, berust volgens de Richtsnoeren in de eerste plaats bij de bevoegde vergunningverlenende autoriteit. Bij het opstellen van de Richtsnoeren is rekening gehouden met de analyse in de beschikking van de EC in de zaak Swissair/Sabenaen met de beste praktijken die zijn ontwikkeld door de bevoegde vergunningverlenende autoriteiten van de lidstaten. Uit de Richtsnoeren blijkt dat het niet de bedoeling is om hiermee nieuwe wettelijke verplichtingen op te leggen.
3.3.
Uit de Richtsnoeren volgt dat het een beoordeling van de positie van de ingezetene van de lidstaat vergt om na te gaan of deze per saldo een beslissende invloed heeft op het bestuur van de onderneming en of diens zeggenschap verder reikt dan de invloed van aandeelhouders van derde landen. Bij de analyse wordt gekeken naar de mogelijkheden waarover de EU-aandeelhouders beschikken om de strategische bedrijfsbeslissingen van de onderneming te beïnvloeden. Dit vergt een analyse van hoe het bestuur van de onderneming (corporate governance) is vormgegeven. Daarnaast moet worden nagegaan welke andere elementen de besluitvorming over belangrijke strategische beslissingen kunnen beïnvloeden. Het gaat onder meer om de rechten van aandeelhouders, financiële banden en commerciële samenwerking tussen de onderneming en aandeelhouders van derde landen. Er moet rekening worden gehouden met alle feitelijke of juridische omstandigheden van het geval.
3.4.
Uit de Richtsnoeren blijkt verder dat ondernemingen van derde landen middels een participatie in een EU-luchtvaartmaatschappij mogen profiteren van de interne markt, maar alleen indien ze de in de Verordening vastgestelde grenzen inzake eigendom en zeggenschap in acht nemen. Met de bepaling wordt niet beoogd te voorkomen dat luchtvaartmaatschappijen uit derde landen op basis van een langetermijnstrategie samenwerken. De naleving door de luchtvaartmaatschappij van het vereiste van daadwerkelijke zeggenschap zal slechts in de knel komen wanneer de luchtvaartmaatschappij uit een derde land uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst de bevoegdheid heeft om in aanzienlijke mate haar besluiten in de plaats te stellen van die van de bevoegde ondernemingsorganen van haar partner uit de Europese Unie.
4. Uit de Verordening en de Richtsnoeren blijkt dat het aan de aanvrager is om aan te tonen dat zij aan alle voorwaarden voldoet. De belanghebbende onderneming dient ervoor te zorgen dat de vergunningverlenende autoriteit over toereikende bewijsstukken beschikt.
Wat vinden eiseressen in beroep?
4.1.
Eiseressen stellen zich op het standpunt dat verweerder de exploitatievergunning ten onrechte heeft verleend. Zij voeren aan dat verweerder op basis van de door de derde-partij verstrekte informatie niet had mogen oordelen dat de derde-partij heeft aangetoond dat aan de eisen van artikel 4 van Verordening wordt voldaan. De derde-partij voldoet volgens eiseressen in ieder geval niet aan de vereisten van eigendom en zeggenschap. Volgens eiseressen berust de daadwerkelijke zeggenschap niet bij de meerderheidsaandeelhouder van de moedermaatschappij van de derde-partij, een natuurlijke persoon en EU-ingezetene, maar bij BGI. Verweerder had volgens eiseressen moeten vaststellen dat sprake is van een schijnconstructie, die enkel is opgezet om een exploitatievergunning te krijgen en waarmee BGI toegang wil krijgen tot de interne markt van de Europese Unie. Het is meer aannemelijk dat BGI een beslissende invloed heeft over de derde-partij, dan dat die zeggenschap ligt bij de EU-aandeelhouder. De Verordening heeft juist tot doel om te voorkomen dat derde landen ten volle kunnen profiteren van alle vrijheden van de interne luchtvaartmarkt. Uit het beoordelingsrapport van verweerder blijkt dat verweerder zelf grote twijfels heeft geuit over de aard van de constructie. Die twijfels hadden aanleiding moeten zijn om de vergunning te weigeren, ofwel om nadere informatie op te vragen en kritische vragen te stellen. De door BGI gedeponeerde financiële stukken over het jaar 2023 bevestigen ook dat de daadwerkelijke zeggenschap bij BGI berust en dus niet bij de EU-aandeelhouder. Verweerder duidt de call-optie van BGI voor de aandelen van de EU-aandeelhouder uit de aandeelhoudersovereenkomst verkeerd. Dit is een ultiem machtsmiddel waarmee BGI zeker stelt dat de EU-aandeelhouder niet kan afwijken van de door BGI bepaalde koers van de Nederlandse Bristow-ondernemingen.
4.2.
Volgens eiseressen heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan. Het besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen en in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Omdat sprake is van een hoogst ongebruikelijke constructie, had verweerder actief onderzoek moeten doen naar de verhoudingen tussen de natuurlijke persoon en BGI en naar de inhoud van alle tussen hen gemaakte afspraken in het kader van de toetsing aan het criterium van daadwerkelijke zeggenschap. Het bestaan van aanvullende afspraken is volgens eiseressen aannemelijk. Eiseressen leiden uit het overzicht van de gedingstukken af dat verweerder in ieder geval niet de aandelentransactie tussen BGI en de meerderheidsaandeelhouder en de financiering van die transactie heeft onderzocht.
4.3.
Voor zover verweerder verwijst naar vergelijkbare constructies in andere landen, brengen eiseressen naar voren dat zij daarmee niet bekend zijn en dat deze constructies in deze procedure ook niet voorliggen. Uit de Richtsnoeren van de EC volgt ook dat ieder geval op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Er kan dan ook geen betekenis toekomen aan exploitatievergunningen die aan derden en/of door andere autoriteiten zijn verleend. Eiseressen hebben een brief van de EC overgelegd, waaruit volgens hen volgt dat verweerder er niet van uit kan gaan dat zijn beoordeling door de EC wordt onderschreven. In die brief staat dat de EC de kwestie niet heeft onderzocht en daaraan voorafgaand geen positie kiest.
4.4.
Volgens eiseressen volgt uit de Verordening dat de aanvrager moet aantonen dat aan alle eisen van de Verordening wordt voldaan. Verweerder heeft een zekere beoordelingsruimte, maar heeft niet de vrijheid om relevante feiten en omstandigheden buiten beschouwing te laten of om de aanvrager het voordeel van de twijfel te geven. Verweerder is er immers voor verantwoordelijk dat eiseressen effectieve bescherming ondervinden tegen concurrentie van buiten de EU gevestigde luchtvaartondernemingen.
4.5.
Eiseressen stellen zich op het standpunt dat een meer indringende toetsing door de rechter, ook ten aanzien van de kwalificatie van de feiten, hier is aangewezen. Dit is ook omdat eiseressen geen toegang hebben tot het grootste gedeelde van het procesdossier en beperkte mogelijkheden hebben om de verlening van de vergunning te controleren.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de Verordening en de Richtsnoeren blijkt dat verweerder een aanzienlijke beoordelingsruimte heeft bij het beoordelen van een aanvraag om een exploitatievergunning. Die beoordeling is een ingewikkelde exercitie. De rechter hoort dan ook niet verder te gaan dan een marginale toets of verweerder in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Verweerder heeft na uitgebreid en kritisch onderzoek, en veelvuldige correspondentie met de aanvrager, beslist tot afgifte van de vergunning. Er is ook navraag gedaan bij andere lidstaten hoe zij omgaan met onderdelen van de te maken beoordeling en er is gesproken met een onderdeel van de EC. Verweerder is dan ook niet over één nacht ijs gegaan.
5.1.
Als het gaat om de constructie met de natuurlijke persoon, merkt verweerder op dat verweerder kwade trouw niet als uitgangspunt kan nemen bij de beoordeling van de aanvraag. Eiseressen laten na te onderbouwen dat sprake is van een hoogst ongebruikelijke constructie. Verweerder heeft gewezen op het internationale karakter van het luchtvaartdomein, waarbij uit de aard der zaak ook internationale relaties bestaan en commercieel kan worden samengewerkt.
5.2.
Het betrekken van de natuurlijke persoon door de aanvrager was een adequate remedie voor een eerder door verweerder gesignaleerde tekortkoming. Verweerder heeft de informatie die bij de aanvraag is aangeleverd zorgvuldig beoordeeld. Niet alle informatie kan gelet op het vertrouwelijke karakter daarvan (geheel) met eiseressen worden gedeeld. De beroepsgronden zijn veelal gebaseerd op aannames, die strijden met de feiten die volgen uit de documenten waarop verweerder de beoordeling van de daadwerkelijke zeggenschap heeft gebaseerd. Verweerder heeft op grond daarvan geconcludeerd dat de aanvrager voldeed aan de eisen van artikel 4, aanhef en onder f, van de Verordening. De Europese aandeelhouder bezit een meerderheid van de aandelen met het recht om de activa van de onderneming te gebruiken, en zij kan een beslissende invloed uitoefenen op de bedrijfsvoering. De aandelentransactie en een leenovereenkomst maken dat niet anders. De vergunning geldt zolang wordt voldaan aan de voorschriften van de Verordening. Tegenover het door eiseressen gestelde belang van daadwerkelijke zeggenschap door BGI kan dus evengoed gesteld worden dat BGI er belang bij heeft dat wordt voldaan aan de eisen voor de vergunning en om te voorkomen dat daarop wordt ingegrepen.
5.3.
Verweerder heeft eerder eenzelfde soort constructie geaccepteerd bij een met de derde-partij vergelijkbare organisatie met eenzelfde exploitatievergunning in de zin van de Verordening. Ook in Ierland en Noorwegen is dit het geval. De beoordeling van verweerder staat dan ook niet op zichzelf. DG-Move zag ook geen aanleiding te twijfelen aan de aanpak bij de beoordeling van verweerder. De EC, aan wie de vergunning ter kennis wordt gebracht, heeft geen procedure in de zin van artikel 15 van de Verordening opgestart. De EC heeft dus (vooralsnog) niet geoordeeld dat aan de juistheid van de beoordeling van verweerder moet worden getwijfeld. Het moet er voor gehouden worden dat de beoordeling van verweerder past binnen een homogene toepassing van de eisen van de Verordening.
5.4.
Verweerder heeft hangende de beroepsprocedure nader onderzoek gedaan naar de consolidatie op de jaarrekening van BGI van de deelname in de holding van de derde-partij. Dat heeft verweerder niet tot andere conclusies gebracht. Verweerder blijft bij de conclusie dat eigendom en daadwerkelijke zeggenschap over de derde-partij berust bij de EU-meerderheidsaandeelhouder.
Wat vindt de derde-partij in beroep?
6. De derde-partij heeft verwezen naar het standpunt van verweerder. Door de derde-partij is toegelicht dat de exploitatievergunning terecht is verleend en dat verweerder zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Voor zover nodig zullen standpunten van de derde-partij hierna worden besproken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseressen ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De (indringendheid van de) rechterlijke toetsing
8. Eiseressen verschillen met verweerder en de derde-partij van mening hoe intensief de rechtbank het bestreden besluit moet toetsen. Tussen partijen is daarbij niet in geschil dat verweerder beoordelingsruimte heeft om vast te stellen of aan de voorwaarden van de Verordening is voldaan. De rechtbank ziet in het gegeven dat eiseressen slechts beperkt kennis hebben kunnen nemen van de tussen de derde-partij en verweerder gewisselde documenten geen aanleiding om het bestreden besluit indringend te toetsen. Dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, brengt op zichzelf niet met zich mee dat indringende toetsing aangewezen is. Eiseressen zijn ook bekend met de essentie van de beoordeling van verweerder, omdat verweerder het beoordelingsrapport slechts in beperkte mate heeft gelakt. Omdat het bestreden besluit een verleende vergunning betreft en geen belastend besluit is, en gelet op de beoordelingsruimte die aan verweerder toekomt, zal de rechtbank het besluit van verweerder terughoudend toetsen. Die toetsing is echter niet zo terughoudend dat daarbij met name de vraag centraal staat of verweerder kennelijk heeft gedwaald of haar bevoegdheid heeft misbruikt, dan wel de grenzen van haar beoordelingsruimte klaarblijkelijk heeft overschreden, zoals de derde-partij voorstaat. In de jurisprudentie waar de derde-partij naar heeft verwezen moest de beoordelingsautoriteit ter vervulling van haar taak een ingewikkelde beoordeling maken, die specialistisch en niet zozeer juridisch van aard was. Daar is in dit geval geen sprake van.
8.1.
De rechtbank zal, aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen, beoordelen of verweerder redelijkerwijs tot het oordeel mocht komen dat de derde-partij afdoende heeft aangetoond dat is voldaan aan de eigendoms- en zeggenschapseis van de Verordening. Daartoe beoordeelt de rechtbank of de feitelijke constateringen van verweerder juist zijn en of de gevolgtrekkingen van verweerder op basis daarvan navolgbaar zijn. De rechtbank heeft daartoe ook kennisgenomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde documenten (hierna: de vertrouwelijke documenten). De gewichtige redenen om in dit geval deze informatie niet ter kennis van eiseressen te laten komen, bestaat met name in het feit dat het gaat om bedrijfsgevoelige informatie die in vertrouwen is overgelegd aan verweerder om te kunnen beslissen op de vergunningaanvraag. Het delen van deze informatie met eiseressen kan de concurrentiepositie van de vergunninghouder aantasten. De rechtbank heeft deze informatie bij haar beoordeling van de beroepsgronden betrokken, maar kan deze vanzelfsprekend niet expliciet kenbaar maken in de onderstaande motivering van haar oordeel.
8.2.
De rechtbank kent in haar beoordeling geen betekenis toe aan vergunningen die verleend zijn aan andere luchtvaartmaatschappijen in Nederland of daarbuiten. Tussen partijen is niet in geschil dat voorop staat dat ieder geval op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Bovendien is de rechtbank niet bekend met de feiten en omstandigheden in andere zaken.
De beoordeling van de vergunningaanvraag door verweerder
9. De vergunning is door de derde-partij aangevraagd op 1 november 2021 en door verweerder verleend op 28 oktober 2022, dus bijna een jaar later. De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder gedurende de beoordelingsfase meermalen verzoeken heeft gedaan aan de derde-partij om informatie en uitleg. De rechtbank heeft gezien dat verweerder daarbij onder andere een focus heeft gehad op het eigendoms- en zeggenschapsvereiste. Uit de correspondentie blijkt dat verweerder verschillende keren aan de derde-partij heeft medegedeeld dat verweerder nog niet kon vaststellen dat aan het eigendoms- en zeggenschapsvereiste was voldaan. De derde-partij heeft meerdere keren aanpassingen doorgevoerd naar aanleiding van opmerkingen van verweerder.
9.1.
Verweerder heeft in het beoordelingsrapport van 26 oktober 2022, dat gebaseerd is op de door de derde-partij aangeleverde informatie, uiteengezet dat aan de eigendomseis is voldaan. Bij de beoordeling van de eigendomssituatie van de ondernemingen heeft verweerder geldleningen buiten beschouwing gelaten, omdat deze leningen geen recht geven om deel te nemen aan besluitvorming die het beheer van de onderneming raakt, of het recht geeft op een deel in de overblijvende winsten van de onderneming. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat voldaan is aan de eigendomseis, omdat een ingezetene van een lidstaat voor meer dan 50% eigenaar is van de onderneming. Uit het beoordelingsrapport volgt dat de derde-partij een 100% dochter is van BEUH. BEUH is in juli 2021 opgericht door BGI. Het geplaatst kapitaal van BEUH bestaat uit 100 aandelen. In mei 2022 zijn de aandelen omgezet in 51 aandelen A en 49 aandelen B. De 51 aandelen A zijn door BGI geleverd aan een ingezetene van Noorwegen. Noorwegen is gelijkgesteld met een EU-lidstaat voor de doeleinden van de Verordening. De 49 aandelen B zijn in eigendom gebleven van BGI. De EU-aandeelhouder bezit dus 51% van de aandelen in BEUH.
9.2.
Verweerder heeft verder beoordeeld of aan het vereiste van daadwerkelijke zeggenschap is voldaan. Daarbij heeft verweerder de corporate governancestructuur onderzocht. Verweerder heeft de statuten van BEUH en de derde-partij, en de aandeelhoudersovereenkomst tussen de EU-ingezetene en BGI ontvangen en beoordeeld. Verweerder heeft in het beoordelingsrapport, deels onder verwijzing naar vertrouwelijke documenten, uiteengezet dat ook aan dit vereiste is voldaan. Verweerder heeft daarbij onder andere gekeken naar de besluitvormingsorganen en de besluitvormingsprocessen en is tot de conclusie gekomen dat de EU-meerderheidsaandeelhouder dankzij zijn rechten de strategische beslissingen van de onderneming kan beïnvloeden. Verweerder heeft bij die beoordeling ook oog gehad voor de aanstelling van personen in belangrijke functies en naar de rechten van de aandeelhouders. Zo heeft verweerder over de ‘super majority’ rechten uit de aandeelhoudersovereenkomst gesteld dat deze moeten worden gezien als een normale bescherming van minderheidsaandeelhouders. Ook heeft verweerder de ‘call-optie’ in de aandeelhoudersovereenkomst in ogenschouw genomen. Daaruit vloeit volgens verweerder niet voort dat de daadwerkelijke zeggenschap bij BGI ligt. Verweerder heeft toegelicht dat de aandelen van de EU-aandeelhouder moeten worden overgedragen aan een andere in aanmerking komende EU-ingezetene om de exploitatievergunning te behouden, als BGI gebruik zou maken van deze call-optie. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat BGI bij uitoefening van de call-optie dus geen daadwerkelijke zeggenschap over BEUH kan krijgen.
9.3.
Verweerder heeft ter beoordeling van de vergunningaanvraag aan de derde-partij ook verzocht om inzicht in de financiering. Verweerder heeft de investeringen door BGI en de EU-aandeelhouder beoordeeld. Ook zijn onder andere de inhoud en voorwaarden van de leenovereenkomst tussen een Bristow-entiteit en de EU-aandeelhouder betrokken bij de beoordeling. Daarbij heeft verweerder gesignaleerd dat de lening aan de EU-aandeelhouder duidelijk bedoeld is om de derde-partij te laten voldoen aan de eisen van de Verordening en dat de voornaamste financieringsbronnen zijn terug te leiden naar BGI. Verweerder is na beoordeling van de lening tot de conclusie gekomen dat deze de verstrekker van de lening geen recht geeft om deel te nemen aan besluitvorming die het beheer van de derde-partij raakt, en ook niet op een deel van de winst. De overeenkomst kent naar beoordeling van verweerder marktconforme voorwaarden en rentebepalingen, en is overdraagbaar. Er zijn geen bijzondere voorwaarden opgenomen. Verweerder acht de overeenkomst voldoende onafhankelijk. De EU-aandeelhouder kan op grond van de aan de lening verbonden voorwaarden niet worden gedwongen om in te stemmen met strategische beslissingen.
9.4.
Verweerder heeft eveneens onderzocht in hoeverre de derde-partij afhankelijk is van (commerciële) samenwerking. Verweerder heeft onder andere de dry lease overeenkomst tussen een andere Bristow-entiteit, namelijk Bristow Helikopters Limited, en de derde-partij en de onderhoudsovereenkomst betrokken bij de beoordeling. Naar beoordeling van verweerder doet de commerciële samenwerking geen afbreuk aan zijn conclusies over de daadwerkelijke zeggenschap.
9.5.
De rechtbank heeft kennis genomen van voornoemde documenten en is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende onderzoek heeft verricht naar de relevante feiten. De daaraan verbonden conclusies van verweerder zijn, ook in het licht van de overige inhoud van die documenten en van de overige dossierstukken, navolgbaar. Verweerder heeft in de beoordeling groot gewicht mogen toekennen aan de wijze waarop het bestuur van de onderneming is vormgegeven. Daarbij heeft verweerder ook gekeken welke andere elementen de besluitvorming over belangrijke strategische beslissingen kunnen beïnvloeden. Verweerder kon op basis van de bevindingen naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot de conclusie komen dat de derde-partij heeft aangetoond dat is voldaan aan de eigendoms- en zeggenschapseis in de Verordening.
9.6.
Hetzelfde geldt voor het feit waarop eiseressen in beroep nog hebben gewezen, te weten dat uit de door BGI gedeponeerde financiële stukken over het jaar 2023 blijkt dat BGI BEUH aanmerkt als variable interest entity (VIE) en dat de resultaten van deze VIE zijn geconsolideerd in de jaarrekening van BGI. BGI heeft zichzelf in de gedeponeerde stukken als primary benificiary van de Nederlandse Bristow entiteiten aangemerkt. Als er sprake is van een controlling financial interest wordt een organisatie overeenkomstig de Amerikaanse generally accepted accounting principles als primary benificiary gekwalificeerd. Het bepalen van de primary benificiary en het beoordelen van de daadwerkelijke zeggenschap vergt volgens eiseressen eenzelfde soort onderzoek aan de hand van vergelijkbare criteria. Verweerder heeft hiernaar nader onderzoek gedaan. Nog daargelaten dat deze informatie niet bekend was bij verweerder ten tijde van het bestreden besluit, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat uit deze omstandigheid niet volgt dat de daadwerkelijke zeggenschap berust bij BGI. Verweerder heeft mogen overwegen dat de Amerikaanse accountingregels van andere aard zijn dan de regels onder de Verordening en een andere beoordeling vergen, waarbij de focus onder de Verordening ligt op de vraag of de EU-aandeelhouder beslissende invloed kan uitoefenen op de commerciële operatie. Het aanmerken van BGI als primary benificiary brengt op zichzelf niet met zich dat ook sprake is van daadwerkelijke zeggenschap als bedoeld in de Verordening. Zoals hiervoor al is overwogen heeft verweerder kunnen concluderen dat BGI als gevolg van uitoefening van de call-optie, die er vermoedelijk toe heeft geleid dat BGI BEUH als VIE heeft aangemerkt, geen operationele controle over BEUH kan krijgen.
9.7.
Alles overziend bestaat er dan ook geen aanleiding het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Het is zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder de inhoud van een groot deel van de onderliggende documenten vertrouwelijk moest houden, zodat de motivering noodgedwongen minder concreet is. Dat levert evenwel geen motiveringsgebrek op.
10. De betogen van eiseressen slagen gelet op het voorgaande niet.
Conclusie en gevolgen
11. De beroepen van eiseressen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft.
12. Eiseressen krijgen het griffierecht daarom niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock - Molendijk, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. C.W. Griffioen, leden, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het gaat om een aanvraag voor een exploitatievergunning voor vervoer door de lucht van passagiers, post en/of vracht tegen vergoeding en/of betaling.
Verordening (EG) Nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de gemeenschap.
Het gaat dan om een onderneming die passagiers, post en/of vracht tegen vergoeding en/of als chartervlucht door de lucht vervoert.
Interpretatieve richtsnoeren bij Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad – Regels inzake eigendom van en zeggenschap over EU-luchtvaartmaatschappijen (2017/C 191/01).
Beschikking 95/404/EG van de Commissie van 19 juli 1995 inzake een procedure op grond van Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad.
Paragraaf 45 en verder van de Richtsnoeren.
Paragraaf 11 van de Richtsnoeren.
Zie noot 5.
Artikel 8, eerste lid, van de Verordening.
Paragraaf 20 van de Richtsnoeren.
Paragraaf 21 van de Richtsnoeren.
Directorate-General for Mobility and Transport, een organisatie van de EC.
Uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25603. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|