|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:3389 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | C/05/448351 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/448351 / HZ ZA 25-53
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[naam curator]
, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. P.F.M. Langenhof,
tegen
1 [gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.S. Staijen,
hierna te noemen: [gedaagde] ,2. B.V. GEWOON DOEN !,
te Baak,
niet verschenen,
hierna te noemen: Gewoon Doen !.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 23 juli 2025
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 12 maart 2024 is [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) door deze rechtbank failliet verklaard. Daarbij is [naam curator] aangesteld als curator. Gewoon Doen ! is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] . [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Gewoon Doen !.
2.2.
Voordat [bedrijf] werd opgericht, was [gedaagde] al actief als aannemer via zijn vennootschap BrederdanbouW B.V. (hierna: BdB). BdB is gefailleerd op 12 april 2021.
2.3.
Aanvankelijk was KAB de accountant van de vennootschappen van [gedaagde] . Een geschil tussen KAB en [gedaagde] heeft geleid tot een procedure, welke is beëindigd nadat KAB en [gedaagde] op 16 mei 2022 een schikking hebben getroffen.
2.4.
Vanwege het geschil met KAB is [gedaagde] overgestapt naar Adfizi. Adfizi heeft haar werkzaamheden tijdelijk opgeschort vanwege onbetaalde facturen.
2.5.
Op 16 december 2024 is ten laste van [gedaagde] conservatoir (derden)beslag gelegd onder de banken Rabobank, KNAB en ABN-AMRO en op [gedaagde] aandeel in zijn woning.
3Het geschil
3.1.
De curator vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW, althans artikel 6:162 BW, althans artikel 2:9 BW voor het bedrag van de schulden van de gefailleerde vennootschap [bedrijf] , voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, althans voor een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag;
II. Gewoon Doen ! te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag gelijk aan de vordering van [bedrijf] op Gewoon Doen ! uit hoofde van de rekening-courantverhouding, ten bedrage van € 581.815,90, althans een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het toe te wijzen bedrag vanaf 31 mei 2023, althans vanaf 12 maart 2024 (datum faillissement), althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk te veroordelen om aan de curator te betalen, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd:
a. in geval van een veroordeling ex artikel 2:248 BW, het gehele faillissementstekort van de gefailleerde vennootschap [bedrijf] , zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf] , te vermeerderen met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten;
b. in geval van een veroordeling ex artikel 6:162 BW:
primair het gehele faillissementstekort van de gefailleerde vennootschap [bedrijf] , zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf] , te vermeerderen met de boedelschulden waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten, dan wel
subsidiair een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
c. in geval van een veroordeling ex artikel 2:9 BW, een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
IV. [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk, des dat de ene betalende, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan de curator van een voorschot op het tekort in het faillissement van [bedrijf] , althans de schade waartoe [gedaagde] en Gewoon Doen ! worden veroordeeld, van € 500.000,- (zegge: vijfhonderdduizend euro), althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag;
V. de vorderingen als voornoemd – voor zover mogelijk – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 10 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. [gedaagde] ex artikel 106a FW een bestuursverbod op te leggen voor de duur van 5 jaar;
VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de kosten van de conservatoire beslagen, te voldoen binnen zeven dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis;
VIII. [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk te veroordelen, des dat de ene betalende, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten, te voldoen binnen zeven dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis, aan de curator alsmede van de nakosten ten bedrage van € 163,00 (zonder betekening), althans € 248,00 (in geval van betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf de achtste dag na de dag waarop het vonnis is gewezen tot en met de dag der algehele voldoening.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid de curator dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator de kosten van deze procedure.
3.3.
Gewoon Doen ! is niet verschenen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verstek Gewoon Doen !
4.1.
Gewoon Doen ! is niet verschenen. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen. Tegen Gewoon Doen ! wordt daarom verstek verleend. Nu [gedaagde] wel in de procedure is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering één vonnis gewezen, dat voor alle partijen als vonnis op tegenspraak geldt.
De vordering van [bedrijf] op Gewoon Doen !
4.2.
De curator vordert dat Gewoon Doen ! wordt veroordeeld tot betaling van € 581.815,90 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is volgens de curator de vordering uit hoofde van de rekening-courant verhouding tussen Gewoon Doen ! en [bedrijf] per 31 mei 2023. De curator stelt na 3 mei 2023 geen deugdelijk bijgehouden administratie te hebben ontvangen zodat hij ervan uitgaat dat de vordering sindsdien onveranderd is gebleven. Deze vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is derhalve bij verstek toewijsbaar. Dat [gedaagde] dit saldo betwist en ook (alsnog) administratie heeft overgelegd, maakt dit niet anders. De advocaat van [gedaagde] heeft verklaard dat hij niet voor Gewoon Doen ! optreedt en deze vordering richt zich niet tegen [gedaagde] . Bovendien komt de rechtbank op basis van het standpunt van [gedaagde] niet tot een ander oordeel. De administratie die [gedaagde] alsnog heeft overgelegd, bestaat voornamelijk uit facturen van [bedrijf] aan BdB. Volgens [gedaagde] is de hele vordering van [bedrijf] op Gewoon Doen ! met die facturen verrekend maar dat maakt [gedaagde] niet inzichtelijk. De overige vorderingen zijn tegen beide gedaagden of tegen alleen [gedaagde] gericht zodat die hierna worden behandeld.
Aansprakelijkheid [gedaagde] en Gewoon Doen ! voor faillissementstekort
4.3.
De curator houdt gedaagden primair verantwoordelijk voor het gehele faillissementstekort. Artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van faillissement van een vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden, voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW (boekhoudplicht) of artikel 2:394 BW (tijdige publicatie van jaarrekening), dan wordt (onweerlegbaar) vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt (weerlegbaar) vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn of haar kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (Hoge Raad 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773).
4.4.
Alleen Gewoon Doen ! is bestuurder van [bedrijf] . [gedaagde] kan worden aangesproken als indirect bestuurder van [bedrijf] (via Gewoon Doen !) omdat artikel 2:11 BW de aansprakelijkheid van rechtspersoon-bestuurders doorschakelt naar de bestuurders van die rechtspersoon.
4.5.
[gedaagde] erkent dat de jaarrekeningen vanaf 2022 niet meer tijdig zijn gedeponeerd. Volgens [gedaagde] komt dat doordat Adfizi haar werkzaamheden had opgeschort. Ook als een accountant is ingeschakeld, blijft het tijdig deponeren van de jaarrekening de verantwoordelijkheid van de vennootschap. [bedrijf] heeft dus niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 2:394 BW.
4.6.
[gedaagde] erkent ook dat de jaarrekening over 2021 onjuist was en dat de administratie van [bedrijf] niet (steeds) op orde was. Vast staat dat de curator na het faillissement in de administratie geen overzicht heeft aangetroffen van de rekening-courantverhoudingen tussen [bedrijf] en Gewoon Doen ! en [bedrijf] en (de bankrekening op naam van) [gedaagde] . Op deze laatste bankrekening heeft [gedaagde] gelden van [bedrijf] geparkeerd, naar eigen zeggen om de verhaalsmogelijkheden van onterechte schuldeisers te beperken. Verder heeft [gedaagde] ter zitting erkend dat hij contante betalingen in ontvangst heeft genomen en contante betalingen heeft gedaan zonder dit in de administratie te verwerken. Ook is de door Adfizi opgestelde winst- en verliesrekening en balans van 2022/2023 (productie 33 van de curator) volgens [gedaagde] niet juist. [gedaagde] heeft gelet op al het voorgaande niet voldaan aan artikel 2:10 BW. Op grond van dat artikel is het bestuur verplicht om – kort gezegd – een zodanige administratie bij te houden dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend (Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994). Of [gedaagde] zelf steeds actueel inzicht heeft gehad in de financiële situatie van [bedrijf] , is hierbij niet relevant. Een ieder moet de rechten en verplichtingen van de vennootschap op basis van de administratie kunnen nagaan.
4.7.
Nu de verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW zijn geschonden, is sprake van een onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde] en Gewoon Doen ! Het is aan [gedaagde] en Gewoon Doen ! om voldoende onderbouwd te stellen dat andere feiten en omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling hebben geleid tot het faillissement van [bedrijf] . Volgens [gedaagde] is het faillissement veroorzaakt door een elkaar opvolgende combinatie van problemen met opdrachtgevers, niet kunnen werken door de coronapandemie en leegloop van gekwalificeerd personeel. Ook betwist [gedaagde] dat de onbehoorlijke taakvervulling, zoals hiervoor vastgesteld, de oorzaak is geweest van het faillissement. Hij stelt namelijk zelf steeds op detailniveau op de hoogte te zijn geweest van de rechten en plichten van [bedrijf] , ondanks problemen met accountants KAB en Adfizi.
4.8.
De rechtbank wil aannemen dat er problemen met opdrachtgevers waren en dat deze problemen veel geld hebben gekost. De problemen speelden echter deels bij de andere vennootschap van [gedaagde] , BdB, en niet bij [bedrijf] . BdB is vervolgens gefailleerd. [gedaagde] stelt dat de problemen die tot het faillissement van BdB hebben geleid, ook een valse start binnen [bedrijf] hebben veroorzaakt. Voor zover [gedaagde] daarmee heeft willen betogen dat diezelfde problemen het faillissement van [bedrijf] hebben veroorzaakt, geldt dat [gedaagde] door het faillissement van BdB een gewaarschuwd mens was. Juist daarom had hij binnen [bedrijf] beter voorbereid moeten zijn op de mogelijke risico’s van problemen met opdrachtgevers.
4.9.
Verder heeft [gedaagde] onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke effecten de door hem genoemde factoren hadden op (de omzet van) [bedrijf] en het uiteindelijke faillissement. [gedaagde] stelt wel dat er door de coronapandemie ‘maanden en maanden’ ‘vrijwel’ niet kon worden gewerkt terwijl de kosten doorliepen, maar maakt niet duidelijk hoe lang dat precies was, welke kosten doorliepen en wat er dan nog wel gedaan kon worden. Daarnaast waren de extra kosten van het project bij opdrachtgever [naam opdrachtgever] volgens [gedaagde] ‘bijna’ € 200.000,00. Dit is niet onderbouwd en wordt door de curator, die aanvoert dat hij dit bedrag niet uit de administratie kan herleiden, betwist. Verder is voorstelbaar dat factoren zoals onvoldoende personeel de financiële situatie bij [bedrijf] verslechterd hebben, maar [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het faillissement veroorzaakt heeft. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft het faillissement aangevraagd vanwege sinds halverwege 2021 niet betaalde pensioenpremies. Dat de vordering van het pensioenfonds heeft kunnen oplopen, ondersteunt het standpunt van de curator dat [gedaagde] geen inzicht had in de lopende verplichtingen van [bedrijf] en dat dit de oorzaak is van het faillissement. Dat [gedaagde] steeds actueel inzicht had in de rechten en plichten van [bedrijf] blijkt ook niet uit de feiten. De curator heeft gewezen op de brief [gedaagde] aan de Belastingdienst van 21 september 2025 (productie 34 van de curator) waarin [gedaagde] de Belastingdienst verzoekt om de door de Belastingdienst vastgestelde belastingschuld te corrigeren van € 535.000,00 naar € 144.000,00. Deze belastingschuld bestaat uit ambtshalve aanslagen die zijn opgelegd in de periode voor faillissement. [bedrijf] heeft toen geen (correcte) aangifte gedaan. [gedaagde] heeft niet meteen nadat de - volgens hem - onjuiste aanslagen werden opgelegd bezwaar gemaakt, hetgeen wel verwacht mag worden van een bestuurder. Daarbij komt dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord het standpunt heeft ingenomen dat hij een volledig overzicht heeft van de contante betalingen die zijn gedaan, in welk kader hij productie 11 heeft overgelegd. Ter zitting heeft hij echter moeten erkennen dat een bedrag van € 5.000,00 gestort door een derde ( [naam] ) ontbreekt terwijl door [gedaagde] erkend was dat die storting heeft plaatsgevonden. Ook ter zitting had [gedaagde] dus nog niet een volledig overzicht van de financiële situatie. Op basis van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] (evenals Gewoon Doen !) niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.
4.10.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] en Gewoon Doen ! jegens de boedel aansprakelijk zijn voor het totale bedrag van de schulden, voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, conform artikel 2:248 BW. De vordering van de curator onder I en de vordering onder III sub a zijn toewijsbaar. Na toewijzing van laatstgenoemde vordering heeft de curator geen belang meer bij zijn vorderingen onder III sub b en sub c.
Voorschot
4.11.
De curator vordert betaling door [gedaagde] en Gewoon Doen ! van een voorschot van € 500.000,00. Het is daarom aan de curator om aannemelijk te maken dat het boedeltekort meer dan € 500.000,00 zal zijn. Bij dagvaarding heeft de curator gesteld dat het boedeltekort op dat moment € 917.342,09 was. Hij verwijst daarbij naar een overzicht van alle crediteuren (productie 24 van de curator). De vordering van de boedelcrediteur (UWV) bedraagt volgens de curator € 20.525,69, van de preferente crediteuren (grotendeels de Belastingdienst) € 556.664,22 en van de concurrente crediteuren (met name leveranciers) € 340.152,18. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat het boedeltekort totaal veel lager is, desgevraagd door de rechtbank € 401.000,00 en daarbij verwezen naar producties waarin hij de schulden betwist (producties 12, 13 en 14 van [gedaagde] ). De Belastingdienst heeft zijn verzoek om herziening van de belastingschuld (naar € 144.000,00) nog niet inhoudelijk behandeld. [gedaagde] heeft daarnaast gesteld dat hij de vorderingen van de concurrente crediteuren op de verificatievergadering zal betwisten en dat hij het desnoods op een renvooi aan zal laten komen. [gedaagde] brengt naar voren dat betaling van een voorschot, vooruitlopend op de beslissing van de Belastingdienst en de verificatievergadering, desastreuze gevolgen voor hem en zijn echtgenote zou hebben. Als voorbeeld noemt hij dat zij dan hun woning zullen moeten verkopen. Ook bestaat er volgens [gedaagde] geen noodzaak voor betaling van een voorschot.
4.12.
Als de Belastingdienst de belastingschuld zou aanpassen zoals gevraagd door [gedaagde] , dan is het voorlopig boedeltekort nog steeds € 504.677,87 (€ 20.525,69 + € 144.000,00 + € 340.152,18). Wat betreft de concurrente crediteuren heeft [gedaagde] niet inzichtelijk gemaakt welke vorderingen hij zal betwisten en op welke gronden. Daarnaast is [gedaagde] geen partij in een eventuele renvooiprocedure. Als [gedaagde] , namens [bedrijf] , een vordering betwist dan wordt de betwisting aangetekend in het proces-verbaal van de verificatievergadering maar dat heeft geen gevolgen in het faillissement (art. 126 Faillisementswet (Fw)). Het bedrag van € 500.000,00 als voorschot komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet vreemd voor. Noodzaak is daarnaast geen vereiste voor de toewijzing van een voorschot. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] geldt dat onvoldoende is gebleken dat deze omstandigheden toewijzing van het voorschot in de weg staan. Dat betaling van het voorschot tot gevolg zou hebben dat [gedaagde] zijn woning moet verkopen is niet aangetoond. Ook als hij wel zijn woning zal moeten verkopen, is niet gebleken dat [gedaagde] geen andere woning kan vinden, mede gezien zijn inkomen. De rechtbank wijst het gevorderde voorschot toe. De gevorderde wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf de dagvaarding, omdat [gedaagde] toen reeds in verzuim was.
Bestuursverbod
4.13.
Ingevolge artikel 106a Fw kan de rechtbank op vordering van de curator of op verzoek van het Openbaar Ministerie een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een rechtspersoon, de gewezen bestuurder daaronder begrepen, als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in artikel 2:248 BW. Conform het bepaalde in artikel 106a lid 2 Fw kan een bestuursverbod mede worden uitgesproken jegens de bestuurder van een of meer rechtspersonen die bestuurder is of zijn als bedoeld in het eerste lid.
4.14.
Hiervoor is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat [gedaagde] aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 BW. Een bestuursverbod is daarom passend. Als verweer tegen het bestuursverbod voert [gedaagde] aan dat hij zich niet kan voorstellen dat hij weer een vennootschap zou oprichten en dat geen sprake was van een patroon of een vooropgesteld frauduleus plan. Deze opmerkingen doen echter niets af aan de betrokkenheid van [gedaagde] bij de situatie die tot het faillissement van [bedrijf] heeft geleid. Het bestuursverbod wordt toegewezen voor vijf jaar zoals gevorderd. Dit betekent dat [gedaagde] gedurende vijf jaar niet kan worden benoemd tot bestuurder, commissaris (art. 106b Fw) of feitelijk beleidsbepaler (art. 106d Fw) van een rechtspersoon.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.15.
[gedaagde] heeft zich ter zitting verweerd tegen de vordering van de curator om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarom moeten de belangen van [gedaagde] bij handhaving van het status quo in afwachting van een eventueel hoger beroep worden afgewogen tegen het belang van de curator om het vonnis van de rechtbank direct ten uitvoer te kunnen leggen. [gedaagde] stelt dat hij door de tenuitvoerlegging van dit vonnis schade zal lijden, die hij na een vernietiging van dit vonnis in hoger beroep vreest niet te kunnen verhalen op de boedel. [gedaagde] stelt dat als dit vonnis wordt geëxecuteerd hij zijn woning zal moeten verkopen, met een lagere verkoopopbrengst vanwege het executoriaal beslag. Ook zal dat leiden tot dakloosheid van [gedaagde] en zijn gezin. Zoals onder 4.12 overwogen, is niet vast te stellen dat executie van dit vonnis tot gevolg zou hebben dat [gedaagde] zijn woning zal moeten verkopen en geen andere woning zal kunnen vinden. Tegelijkertijd heeft de curator gelet op het verhaalsrisico belang bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Dit betekent dat de belangenafweging in het voordeel van de curator uitvalt. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt daarom (voor zover mogelijk) toegewezen.
Beslagkosten
4.16.
De curator vordert [gedaagde] en Gewoon Doen ! te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.376,22 verschotten (explootkosten € 1.056,22 + griffierecht € 320,00) en € 3.502,00 voor salaris advocaat (1 rekest × € 3.502,00), samen € 4.878,22. Het griffierecht voor het beslagrekest is verrekend met het griffierecht dat in deze zaak verschuldigd is.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] en Gewoon Doen ! zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 123,06
- griffierecht
€
2.403,00
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
9.708,06
4.18.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW voor het bedrag van de schulden van de gefailleerde vennootschap [bedrijf] , voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan,
5.2.
veroordeelt Gewoon Doen ! om aan de curator betalen een bedrag gelijk aan de vordering van [bedrijf] op Gewoon Doen ! uit hoofde van de rekening-courantverhouding, ten bedrage van € 581.815,90, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 31 mei 2023,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] en Gewoon doen ! hoofdelijk om aan de curator te betalen het gehele faillissementstekort van de gefailleerde vennootschap [bedrijf] , zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf] , te vermeerderen met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] en Gewoon doen ! hoofdelijk om aan de curator te betalen een voorschot op het tekort in het faillissement van [bedrijf] van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2025,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot een bestuursverbod zoals bedoeld in artikel 106a lid 1 Fw
voor de duur van vijf jaar vanaf het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, begroot op € 4.878,22 te voldoen binnen zeven dagen na dit vonnis,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] en Gewoon doen ! hoofdelijk in de proceskosten van € 9.708,06 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] en Gewoon doen ! niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Productie 12 van [gedaagde] is de brief van 21 september 2025, ook overgelegd door de curator als productie 34, genoemd in 4.9. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|