|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:6134 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 26/1972 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW).
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Naar voorlopig oordeel is de aanvraag op goede gronden afgewezen omdat verzoekster geen woonplaats heeft binnen de gemeente | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | levensonderhoud | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1972
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.E. Stam),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college
(gemachtigden: mr. P.H. Arnold en mr. S.J.A. Rood).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Inleiding
2.1.
Op 9 februari 2026 heeft verzoekster een briefadres bij het college aangevraagd. Bij besluit van 10 maart 2026 is verzoekster per 9 februari 2026 ingeschreven met een briefadres in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [adres] te [plaats 1] .
2.2.
Op 16 februari 2026 heeft verzoekster de onderhavige aanvraag voor een uitkering op grond van de PW ingediend. Zij heeft daarbij onder meer aangegeven in haar bus te wonen. Zij stelt vanwege gezondheidsproblemen geen inkomsten meer te hebben. Zij heeft haar werkzaamheden als zelfstandig masseur gestaakt en per 25 februari 2026 heeft verzoekster zich ziek gemeld bij [naam bedrijf] , waar zij een nulurencontract had. Zij ontvangt geen ziektewetuitkering.
2.3.
Het college heeft onderzoek verricht naar de aanvraag. Dit heeft bestaan uit bestudering van bankafschriften, het door verzoekster opgestelde verblijfoverzicht, informatie van de Kamer van Koophandel, de BRP-historie, onderzoek op het internet en een gesprek met verzoekster op 5 maart 2026. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 6 maart 2026. Samengevat is geconcludeerd dat verzoekster geen feitelijke en/of duurzame binding heeft met de gemeente Zaanstad (hierna de gemeente) en daar ook niet verblijft. Verzoekster verblijft in haar bus op wisselende locaties buiten de gemeente. Haar verblijf, netwerk en dagelijkse activiteiten liggen (vrijwel) volledig buiten de gemeente. De (eerdere) inschrijving op het adres van haar ex-partner in [plaats 2] vormt geen daadwerkelijke woonbasis. Zij verklaart daar zelf over deze woning per september 2025 te hebben verlaten. Omdat zij geen activiteiten, voorzieningen of bestaansbasis in de gemeente heeft, kan niet worden vastgesteld dat haar woon- en leefsituatie in de zin van artikel 40, van de PW zich in de gemeente plaatsvindt.
2.4.
Bij besluit van 6 maart 2026 is de aanvraag afgewezen.
2.5.
Verzoekster heeft op 27 maart 2026 tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
Het college heeft op 9 april 2026 desgevraagd een verweerschrift ingediend.
2.7.
Bij brief van 17 april 2026 heeft verzoekster nog een nadere aanvulling op haar verzoek om voorlopige voorziening gegeven.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
Standpunt van verzoekster
3.
3.1.
Verzoekster stelt zich in bezwaar op het standpunt dat zij wel voldoet aan het woonplaatsvereiste als bedoeld in artikel 40, van de PW, omdat zij per 9 februari 2026 als ingezetene staat ingeschreven in de gemeente. Daarnaast stelt zij wel een binding met de gemeente te hebben. Die is sterker dan de binding met andere gemeentes, zo blijkt ook uit het feit dat haar een briefadres is toegekend. Verzoekster voert nader aan dat zij als een nomade leeft en zich noodgedwongen tussen gemeenten verplaatst, omdat zij niet langdurig op een openbare locatie kan verblijven. Verzoekster stelt dat een situatie waarin geen enkele gemeente zich verantwoordelijk acht, onverenigbaar is met de doelstelling van de PW. Ter zitting heeft zij in aanvulling hierop gesteld dat indien er desondanks geen recht op bijstand zou bestaan sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, van de PW zodat alsnog tot bijstandsverlening moet worden overgegaan.
3.2.
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorziening, omdat zij geen inkomen heeft en niet in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij verkeert in een acute financiële noodsituatie. Daarnaast stelt verzoekster dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
3.3.
Zij verzoekt de voorzieningenrechter om het college te veroordelen tot het verstrekken van voorschotten op de uitkering op grond van de PW, met ingang van de datum van de aanvraag, dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift. Ter zitting heeft zij haar verzoek nader gespecificeerd en verzocht om de norm niet te verlagen op grond van artikel 27, PW nu zij wel ‘woonkosten’ heeft, namelijk voor verblijf op een camping.
Standpunt van het college
4.
4.1.
Het college blijft bij het besluit tot afwijzing van de aanvraag. Uit het onderzoek en het gesprek op 5 maart 2026 is niet aannemelijk geworden dat verzoekster in de te beoordelen periode (16 februari 2026 tot en met 6 maart 2026) haar hoofdverblijf had in de gemeente. Daarbij heeft het college inhoudelijk gewezen op de onderzoeksbevindingen als weergegeven in het rapport. Uit de bankafschriften volgt dat over de periode van 15 november 2025 tot en met 4 maart 2026 maar twee pintransacties in de gemeente zijn geconstateerd, waarvan maar 1 binnen de beoordelingsperiode. Uit het door verzoekster ingevulde 10-dagenformulier blijkt dat zij in de periode van 23 februari 2026 tot en met 4 maart 2026 maar 1 keer in de gemeente heeft verbleven (in haar bus op een parkeerplaats in Assendelft).
4.2.
Voorts wijst het college op de verklaringen van verzoekster. Zij heeft verklaard dat zij vanaf augustus/september 2025 buiten de gemeente heeft verbleven, waaronder in Zandvoort en in Leusden. Ook heeft zij verklaard dat haar familie, vrienden en sociaal netwerk allemaal in Den Bosch is. Haar tandarts zit in Schijndel en haar huisarts in Zandvoort. Daarnaast wijst het college op de verklaring van verzoekster dat zij buiten de gemeente bij een vriendin heeft gelogeerd en op een huis heeft gepast. Verzoekster heeft ook verklaard: “Nu leef ik gewoon her en der, maar wat u zegt, niet in Zaandam”.
4.3.
In het kader van de aanvraag voor een briefadres heeft verzoekster op 10 maart 2026 nog verklaard dat zij sinds september 2025 in haar bedrijfsbus verblijft en slaapt, daar waar zij zich comfortabel voelt, op parkeerplaatsen of opritten. Zij rouleert haar parkeerplek voor de bus. In die procedure, omdat sprake is van dak- of thuisloosheid, heeft het college geoordeeld dat verzoekster voldoet aan de uit de Regeling briefadres gemeente Zaanstad 2025 volgende eisen om in aanmerking te komen voor een briefadres in de gemeente. Bij een briefadres maakt het niet uit waar zij feitelijk verblijft. Bij de beoordeling van de vraag of er recht bestaat op bijstand geldt een ruimer begrip. In dat kader dient te worden beoordeeld of zij haar hoofdverblijf heeft binnen de gemeente waar de aanvraag is ingediend, of dat de plaats is waar zij haar zwaartepunt van haar persoonlijke leven heeft. Het college heeft geconstateerd aan de hand van de onderzoeksbevindingen en de verklaringen van verzoekster dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in de gemeente had/heeft.
4.4.
Het eerst ter zitting gedane beroep op artikel 16, PW acht het college onvoldoende onderbouwd. Er is volgens het college dan ook geen reden om op grond hiervan alsnog tot bijstandsverlening over te gaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek, nu niet is gebleken dat zij over (voldoende) inkomen kan beschikken terwijl er sprake is van schulden.
6.1.
De vraag die voorligt is of aan verzoekster bij wijze van voorlopige voorziening voorschotten moeten worden toegekend. Daarbij moet de vraag beantwoord worden of het bezwaar van verzoekster kans van slagen heeft.
6.2.
Voor een juiste toepassing van de artikelen 11 en 40 van de PW moet beoordeeld worden of het zwaartepunt van het leven van verzoekster zich in deze gemeente bevindt. Daarbij is van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. Ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn kan worden gevergd om controleerbare gegevens te vertrekken rondom de feitelijke verblijfplaats. Omdat het gaat om een aanvraag, is het aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij binnen de grenzen van de gemeente Zaanstad verblijft en om controleerbare gegevens te verschaffen over haar feitelijke verblijfsituatie.
6.3.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat verzoekster vooralsnog geen informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan kan worden geoordeeld dat haar feitelijke woon- en leefsituatie zich in de gemeente Zaanstad bevindt. Het college heeft naar aanleiding van de aanvraag onderzoek doen verrichten, waaronder het bestuderen van bankafschriften over de periode gelegen voor en na de aanvraagdatum, als ook het laten invullen van een zogenaamd ’10 dagen formulier’ waarop betrokkene aangeeft waar die dag is verbleven. Daarnaast heeft een gesprek met verzoekster plaatsgevonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college daarmee voldoende onderzoek verricht om een besluit te kunnen nemen. Uit de onderzoeksgegevens is niet gebleken dat verzoekster haar feitelijke verblijfplaats in de gemeente Zaanstad heeft. In het rapport is vermeld dat zij 1 maal heeft overnacht in de gemeente en 1x heeft gepind in de gemeente. Dit is verder onweersproken gebleven. Zij heeft verklaard geen netwerk of familie in de gemeente te hebben noch werkzaamheden.
6.4.
Het enkele feit dat verzoekster thans beschikt over een briefadres in de gemeente leidt niet tot een ander oordeel. Dat is onvoldoende om te oordelen dat het zwaartepunt van haar leven zich in deze gemeente bevindt. Verzoekster heeft ook verklaard dat haar familie en netwerk zich in Brabant bevindt, dat zij eigenlijk naar Den Bosch wil en niet in de gemeente Zaanstad leeft. Zij geeft aan ‘her en der’ te verblijven. Voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat zij geen keuze heeft, kan dit niet worden gevolgd. Het is niet gebleken dat zij noodgedwongen in een bus leeft en geen andere keuzes kan maken. Gezien de opgegeven maandelijkse uitgaven aan de bus (van € 809,16 per maand), kan zij ook andere keuzes maken zoals het huren van een kamer.
6.5.
Alle omstandigheden in aanmerking nemend, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het niet aannemelijk is te achten dat het bezwaar gegrond verklaard zal worden. Bij de huidige stand van zaken zal de afwijzing van het recht op bijstand vooralsnog stand kunnen houden.
6.6.
Het eerst ter zitting gedane beroep op artikel 16 van de PW acht de voorzieningenrechter bij gebrek aan concrete onderbouwing (nog) onvoldoende voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|