|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:4693 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | C/03/351437 / KG ZA 26-13 C/03/351437 / KG ZA 26-13 | | Rechtsgebied | : | Burgerlijk procesrecht | | Indicatie | : | Lijfsdwang | | Trefwoorden | : | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/351437 / KG ZA 26-139
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
2 [eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ;
advocaat: mr. T.J. Wittendorp:
tegen:
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
geen advocaat gesteld hebbende.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1 t/m 10;- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Ter regeling van een geschil hebben [eisers] en – onder andere – [gedaagde] op 28 februari 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Nadat was gebleken dat nakoming van de afspraken uit hoofde van deze vaststellingsovereenkomst uitbleef, hebben [eisers] – onder andere – [gedaagde] in kort geding gedagvaard tot het verschaffen van inzicht in zijn vermogenspositie.
2.2.
Bij vonnis in kort geding van 26 januari 2026 van deze rechtbank (zaaknummer C/03/347487 / KG ZA 25-462, verder te noemen: het kortgedingvonnis) is – onder andere – [gedaagde] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis aan [eisers] , althans aan de deurwaarder die dat vonnis betekent, gedetailleerd en gesubstantieerd opgave te doen van al hun bronnen van inkomsten en vermogen uit binnen- en buitenland, waaronder begrepen, doch daartoe niet beperkt:
alle binnen- en buitenlandse banrekeningen en beleggingen (bankafschriften met saldigegevens);
de belastingaangifte(s) en (voorlopige) belasting aanslag(en) vanaf het jaar 2021;
een lijst van alle roerende zaken, waaronder auto’s, horloges, sieraden en andere kostbaarheden, en inboedel;
binnenlandse of buitenlandse onroerende zaken.
2.3.
Bij gebreke van voldoening aan die veroordeling is [gedaagde] veroordeeld om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 10.000,-- voor iedere dag, of gedeelte daarvan, dat hij niet aan de onder 2.2. bedoelde hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt.
2.4.
Het kortgedingvonnis is op 30 januari 2026 aan [gedaagde] betekend.
3Het geschil
3.1.
[eisers] stellen dat, nu niet is voldaan aan de veroordeling in het kortgedingvonnis, de daarin opgelegde dwangsommen tot het maximum zijn verbeurd. Omdat dwangsommen kennelijk onvoldoende afschrikkende werking blijken te hebben, vorderen [eisers] thans dat uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang van het kortgedingvonnis wordt uitgesproken.
3.2.
Op grond van artikel 5 van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst hebben [eisers] in geval van schending of tenuitvoerlegging van de vaststellingsovereenkomst recht op vergoeding door [gedaagde] van alle kosten gemaakt ter naleving of tenuitvoerlegging daarvan. [eisers] begroten die kosten op € 3.430,35.
3.3.
[eisers] vorderen op grond daarvan dat de voorzieningenrechter bij vonnis, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026, gewezen in de zaak met zaaknummer C/03/347487 / KG ZA 25-462 uitvoerbaar bij lijfsdwang is, waarbij de duur van de lijfsdwang per afzonderlijke overtreding wordt bepaald op een periode van dertig dagen, meteen maximumduur van één jaar;
II. [gedaagde] veroordeelt in de volledige proceskosten van deze procedure conform de
vaststellingsovereenkomst, althans de proceskosten conform het liquidatietarief en de verschotten, zulks te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, bij gebreke waarvan de wettelijke rente sedert de dag der verzuim tot de dag der algehele voldoening over deze kosten zal zijn verschuldigd.
3.4.
De stellingen en vorderingen van [eisers] worden door [gedaagde] weersproken. De verweren en betwistingen van [gedaagde] zullen, voor zover van belang, hieronder worden weergegeven en beoordeeld.
4De beoordeling
4.1.
[eisers] stellen dat [gedaagde] na het kortgedingvonnis maar zeer ten dele heeft voldaan aan de veroordeling daarin. Hij heeft enkel een rekeningoverzicht verstrekt van een rekening bij de Bunq-bank. Uit het rekeningoverzicht van die rekening blijkt een overboeking naar een rekening die [gedaagde] aanhoudt bij de ING-bank. Over die laatste rekening heeft [gedaagde] echter geen informatie verschaft. Ook overigens heeft [gedaagde] volgens [eisers] geen informatie verschaft.
4.2.
De voorzieningenrechter is met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de veroordeling in het kortgedingvonnis. Dat blijkt allereerst uit het feit dat [gedaagde] geen melding heeft gemaakt van de rekening bij de ING-bank. Ter mondelinge behandeling heeft [gedaagde] weliswaar verklaard dat die ING-rekening niet meer zou bestaan, maar bewijs daarvan heeft hij niet overgelegd. Juist is dat [gedaagde] geen informatie kan verschaffen over goederen die hij niet heeft, maar [gedaagde] heeft verder geen enkele informatie verschaft over zijn vermogenspositie en dus of hij bepaalde verhaalsobjecten al dan niet (meer) heeft.
4.3.
Pas ter mondelinge behandeling heeft hij verklaard nog te beschikken over een motor en een aanhangwagen, maar verdere informatie (merk, ouderdom, kenteken etc.) over deze zaken heeft hij ook daarbij niet verstrekt.
4.4.
Volgens [gedaagde] kan hij over het jaar 2021 geen fiscale gegevens aanreiken, omdat hij over dat jaar geen belastingaangifte heeft gedaan; wel is hij daarover nog in een dispuut verwikkeld met de Belastingdienst. Terecht voeren [eisers] daartegen aan dat [gedaagde] hen op zijn minst had kunnen informeren over de aard en inhoud van dat geschil, zodat [eisers] zich aan de hand daarvan een beeld had kunnen vormen over de vermogenspositie van [gedaagde] . Ook dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de hiervoor aangehaalde voorbeelden volgt dat aan de zijde van [gedaagde] geen sprake is van onvermogen om de gevorderde informatie te verstrekken, maar van onwil om dat te doen. Niet aannemelijk is dat hij ten aanzien van de door [eisers] gewenste informatie geen duidelijkheid kan verschaffen over de aan- of afwezigheid van mogelijke verhaalsobjecten.
4.6.
Nu [gedaagde] een mogelijkheid heeft gehad om de gevorderde informatie te verschaffen en deze niet heeft benut en op grond daarvan een bedrag van € 500.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd, zien [eisers] terecht geen heil meer in een volgende veroordeling op straffe van een nog hogere dwangsom.
4.7.
De voorzieningenrechter zal, als het laatste aan [eisers] ter beschikking staande middel om mogelijk de benodigde informatie te verkrijgen, het gevorderde derhalve toewijzen, met dien verstande dat hij [gedaagde] nog een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis zal gunnen waarbinnen hij alsnog de gevraagde informatie kan overleggen.
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat partijen in artikel 5 van de tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat in geval van schending of tenuitvoerlegging van de vaststellingsovereenkomst alle kosten gemaakt ter naleving of tenuitvoerlegging daarvan voor rekening van [gedaagde] komen, dienen de daadwerkelijk door [eisers] gemaakte kosten in deze procedure door [gedaagde] te worden vergoed.
4.9.
[eisers] hebben gesteld dat die daadwerkelijk door hen gemaakte kosten € 3.430,35 hebben bedragen. Omdat [gedaagde] die vordering niet heeft betwist, ligt deze voor toewijzing gereed.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026, gewezen in de zaak met zaaknummer C/03/347487 / KG ZA 25-462 uitvoerbaar bij lijfsdwang is, waarbij de duur van de lijfsdwang per afzonderlijke categorie te verstrekken informatie bedoeld in de letters a t/m d onder 3.1. van dat vonnis wordt bepaald op een periode van dertig dagen, met een maximumduur van telkens één jaar, met dien verstande dat [gedaagde] nog een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis wordt gegund om alsnog de benodigde informatie over te leggen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 3.430,35, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;
5.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|