|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2016:10478 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-12-2016 | | Datum gepubliceerd | : | 29-05-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.191.472 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | - | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | levensonderhoud | | | tarieven | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.191.472
(zaaknummer rechtbank Gelderland 4920946)
arrest van 27 december 2016
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. A.J. Verweij,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. N.W.L. Nijkamp.
1Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 april 2016 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton- en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem ) heeft gewezen.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 mei 2016,
- de memorie van grieven (met producties) en - de memorie van antwoord (met producties).
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
[appellant] vordert in het hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest alsnog, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn vordering alsnog zal toewijzen en hem zal ontheffen van de veroordeling in de proceskosten in dat vonnis, althans een door het hof in goede justitie te bepalen andere voorziening zal treffen en daarbij [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.
3De vaststaande feiten
3.1
In hoger beroep staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, dan wel op grond van de - in zoverre niet bestreden - inhoud van de overgelegde producties, de volgende feiten vast.
3.2
[geïntimeerde] is een landelijke koffiebrander, die vanaf [jaartal] bestaat en die zich volgens het
uittreksel van de Kamer van Koophandel richt op de verwerking van koffie en thee, inkoop,
bewerking en verkoop van ruwe en gebrande koffie en koffieproducten, waaronder het
fabriceren van cafeïnevrije koffie en vloeibare en droge koffie-extracten, het deelnemen in,
het financieel interesseren bij en het voeren van het bestuur over ondernemingen met een
gelijk of aanverwant doel.
3.3
[appellant] , geboren [in] 1979, is per 7 april 2014 bij [geïntimeerde] in dienst in de functie
van accountmanager op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de duur
van een jaar. Deze arbeidsovereenkomst is voor de duur van een jaar verlengd. Het
laatstverdiende salaris van [appellant] bedraagt € 3.618,- bruto per maand exclusief
emolumenten, waaronder 8% vakantietoeslag, een netto eindejaarsuitkering van € 250,- per
jaar en een gemiddelde jaarbonus van € 3.000,- bruto.
3.4
In artikel 8 van de tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand gekomen arbeidsovereenkomst
van 12 maart 2014 is onder meer het volgende opgenomen:
“(...) Geheimhoudingsplicht
8.1.
Zowel gedurende als na afloop van het dienstverband zal werknemer, anders dan in het kader van de uitoefening van zijn functie bij werkgever, geen enkele mededeling doen aan derden, direct of indirect, met betrekking tot zaken, personen, en/of belangen van (het bedrijf van) werkgever, alles in de ruimste zin van het woord.
8.2.
In geval van schorsing en, bij beëindiging van het dienstverband, ongeacht de wijze waarop en de reden waarom een dienstverband tot een eind komt, zal werknemer op het eerste daartoe strekkend verzoek van werkgever alle zich onder hem bevindende eigendommen van werkgever alsmede alle bescheiden, die in enigerlei verband staan met werkgever en/of met de aan haar gelieerde vennootschappen, met haar cliënten en andere relaties, een en ander in de ruimste zin van het woord, alsmede alle kopieën en dergelijke bescheiden en eigendommen ter beschikking stellen van werkgever.
Concurrentiebeding
8.3.
Het is werknemer verboden om binnen een tijdvak van één jaar na het einde van het
dienstverband binnen Nederland - ongeacht de wijze waarop en de redenen waarom het
dienstverband tot een einde is gekomen -, direct en/of indirect, een zaak te drijven gelijk(soortig) en/of aanverwant aan die van werkgever, en/of door een aan werkgever gelieerde onderneming, en/of een zodanige zaak mede te drijven of te doen drijven en/of daarbij financieel en/of anderszins belang te hebben en/of daarvoor op enigerlei wijze in dienstbetrekking en/of anderszins tegen vergoeding en/of om niet, werkzaam te zijn, tenzij met voorafgaande uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van werkgever.
Relatiebeding
8.4.
Het is werknemer verboden om op enigerlei wijze, direct of indirect zakelijke contacten te onderhouden met (rechts-)personen en/of aan werkgever gelieerde ondernemingen, waarmee de werkgever gedurende de laatste twee jaar voorafgaand aan het einde van het dienstverband op enigerlei wijze zakelijk contact heeft gehad, tenzij met voorafgaande uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van werkgever. (...)
Boetebeding
8.6.
Bij overtreding van de hiervoor in artikel 8.1 tot en met 8.5 omschreven verboden verbeurt werknemer jegens werkgever een zonder rechterlijke tussenkomst en/of ingebrekestelling een direct opeisbare boete van € 4.540,- (...) voor iedere overtreding en van € 454,00 (...) voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat een overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever op vergoeding van werkelijk geleden en/of te lijden schade, rente en kosten en onverminderd het recht van werkgever om werknemer aan te spreken tot nakoming van zijn verplichtingen jegens werkgever.
De bepalingen in de leden 3 en 5 van artikel 7:640 BW worden uitgesloten. Betaling van juist genoemde boetes ontslaat werknemer niet van de in dit artikel genoemde verplichtingen.(…)”
3.5
In de tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand gekomen arbeidsovereenkomst van
16 februari 2015 is onder meer het volgende opgenomen:
“(...)
Geheimhoudingsplicht
8.1.
Zowel gedurende als na afloop van het dienstverband zal werknemer, anders dan in het kader van de uitoefening van zijn functie bij werkgever, geen enkele mededeling doen aan derden, direct of indirect, met betrekking tot zaken, personen, en/of belangen van (het bedrijf van) werkgever, alles in de ruimste zin van het woord.
8.2.
In geval van schorsing bij beëindiging van het dienstverband, ongeacht de wijze waarop en de reden waarom een dienstverband tot een einde komt, zal werknemer op het eerste daartoe strekkend verzoek van werkgever alle zich onder hem bevindende eigendommen van werkgever alsmede alle bescheiden, die in enigerlei verband staan met werkgever en/of met de aan haar gelieerde vennootschappen, met haar cliënten en andere relaties, een en ander in de ruimste zin van het woord, alsmede alle kopieën en dergelijke bescheiden en eigendommen ter beschikking stellen van werkgever.
Concurrentiebeding
8.3.
Het is werknemer verboden om binnen een tijdvak van één jaar na het einde van het
dienstverband binnen Nederland - ongeacht de wijze waarop en de redenen waarom het
dienstverband tot een einde is gekomen -, direct en/of indirect, een zaak te drijven gelijk(soortig) en/of aanverwant aan die van werkgever, en/of door een aan werkgever gelieerde onderneming, en/of een zodanige zaak mede te drijven of te doen drijven en/of daarbij financieel of anderszins belang te hebben en/of daarvoor op enigerlei wijze in dienstbetrekking en/of anderszins tegen vergoeding en/of om niet, werkzaam te zijn, tenzij met voorafgaande uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van werkgever. Aangezien werknemer vanuit zijn functie als Accountmanager in aanmerking komt met
zeer vertrouwelijke informatie over werkgever en contact heeft met relaties van het bedrijf en kennis neemt van cijfers, marges, strategieën, prijsafspraken etc., heeft werkgever een zwaarwichtig belang bij het overeenkomen van het hiervoor genoemde concurrentiebeding.
Relatiebeding
8.4.
Het is werknemer verboden om op enigerlei wijze, direct of indirect zakelijke contacten te onderhouden met (rechts-)personen en/of aan werkgever gelieerde ondernemingen, waarmee de werkgever gedurende de laatste twee jaar voorafgaand aan het einde van het dienstverband op enigerlei wijze zakelijk contact heeft gehad, tenzij met voorafgaande uitdrukkelijke en schriftelijk toestemming van werkgever. Aangezien werknemer vanuit zijn functie als Accountmanager in aanmerking komt met zeer vertrouwelijke informatie over werkgever en contact heeft met relaties van het bedrijf en kennis neemt van cijfers, marges, strategieën, prijsafspraken etc., heeft werkgever een zwaarwichtig belang bij het overeenkomen van het hiervoor genoemde concurrentiebeding. (...)
Boetebeding
8.6. Indien werknemer in strijd handelt met het verbod van nevenwerk, het geheimhoudingsbeding, het concurrentiebeding en/of, het relatiebeding, verbeurt hij ten behoeve van werkgever een boete van € 5.000,- (…) voor iedere overtreding en van € 500,- (…) voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de overtreding voortduurt. Voorafgaande ingebrekestelling en/of rechterlijke tussenkomst is niet vereist voor de opeisbaarheid van de boete. Van de leden 3 en 5 van artikel 7:650 BW wordt voor zover nodig afgeweken.
Werkgever is bevoegd om af te zien van het innen van de hiervoor genoemde boete en in plaats daarvan van werknemer te verlangen dat hij de volledige schadevergoeding betaalt. In alle gevallen is werkgever tevens bevoegd om nakoming van werknemer te verlangen.
(…)”
3.6
Bij brief van 18 januari 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] onder meer als volgt bericht:
“(…) Zoals vanmiddag besproken bevestigen wij je hierbij dat wij jouw arbeidsovereenkomst niet verlengen. Jouw arbeidsovereenkomst zal derhalve per 7 april 2016 van rechtswege worden beëindigd. Dit betekent dat 6 april 2016 officieel je laatste werkdag zal zijn. (...) Wij zullen je de komende periode de ruimte geven om te kunnen solliciteren en indien gewenst kan het arbeidscontract eerder worden beëindigd. (...)”3.7 Bij brief van 1 februari 2016 heeft [geïntimeerde] de gemachtigde van [appellant] onder meer als
volgt bericht:
“(…) Zoals we al eerder hebben laten weten, staat het hem vrij om als accountmanager een functie te accepteren (optie 1). Hij mag ook als accountmanager werkzaamheden gaan verrichten bij een horecabedrijf of bedrijf dat zich richt op (bijvoorbeeld) koffiemachines (...), want ons betreft is dat optie 2. Bij een keuze voor optie 2 is het overigens wel belangrijk dat we daar goede afspraken over maken vanwege het relatiebeding en geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst. Het enige wat wij niet willen, is dat hij in dienst treedt bij een concurrent als accountmanager en zich bezig gaat houden met (...) de handel in koffie en aanverwante producten (optie 3). Doet hij dat toch, dan overtreedt hij het concurrentiebeding en zal hij de gevolgen daarvan ondervinden. (...)”
3.8
Bij brief van 4 maart 2016 heeft Jacobs Douwe Egberts (hierna: JDE) [appellant] een aanbod gedaan tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar ingaande op 15 april 2016 in de functie van accountmanager bij JDE binnen de afdeling horeca.
3.9
Bij brief van 13 maart 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] onder meer als volgt bericht:
“Op 11 maart jl. heb ik je laten weten dat je geen toestemming krijgt om bij Douwe Egberts aan de slag te gaan. (...) Uit je e-mail aan het bedrijf en de toelichting die je mondeling hebt gegeven volgt dat je als accountmanager werkzaam blijft in de koffiebranche en dan ook nog gedeeltelijk in een gebied dat overlappend is aan het gebied waar je nu verantwoordelijk voor bent. Voordat we met je gingen samenwerken, hebben we duidelijke afspraken gemaakt over het concurrentie- en relatiebeding. Ook hebben we geheimhoudingsafspraken gemaakt omdat de koffiebranche nou eenmaal een vechtmarkt is. Je hebt met die afspraken ingestemd. Als je bij Douwe Egberts gaat werken, overtreed je het concurrentiebeding. Het maakt daarbij niet uit dat jij je daarbij enkel op het segment horeca gaat richten. Je gaat je bezighouden met relatiebeheer en acquisitie. Dat doe je bij [geïntimeerde] ook. (...)
We werken al jaren met een concurrentie- en relatiebeding. We zijn dat na de invoering van de nieuwe wetgeving blijven doen. We vinden nog steeds dat we daar een belang bij hebben. In het beding hebben we dat kort uitgewerkt door erop te wijzen met welke informatie je in aanmerking komt die vertrouwelijk van aard is en niet bij de concurrenten van [geïntimeerde] terecht mag komen.
Je kent onze prijzen, tarieven, marges, sterkte- en zwakteanalyse etc. Daar kun je bij Douwe Egberts je voordeel mee doen. Dat is niet in het belang van [geïntimeerde] , zodat we de overstap niet kunnen goedkeuren. (...)
Eerder heeft je jurist aan ons laten weten dat een concurrentiebeding onder nieuw recht niet meer mogelijk is in een tijdelijke arbeidsovereenkomst. We hebben destijds al laten weten dat we het daar niet mee eens zijn. Recent heeft de kantonrechter tot twee keer toe geoordeeld dat een concurrentiebeding ook in een tijdelijke arbeidsovereenkomst redelijk kan zijn. De rechter kwam tot dat oordeel omdat de werknemer kennisnam van klantenlijsten, prijslijsten, kostprijzen, leveranciersgegevens, de werkwijze van het bedrijf de know how etcetera. De rechter vond het verder aannemelijk dat directe concurrenten van de werkgever van die informatie zouden kunnen profiteren wanneer zij daar kennis van zouden nemen als de werknemer naar de concurrent zou overstappen. We voelen ons door deze uitspraken gesteund in het standpunt dat we hebben ingenomen dat het beding dat we met je zijn overeengekomen wel geldig is.
In het concurrentie- en relatiebeding hebben wij uiteengezet hoeveel waarde wij hechten aan het beschermen van ons bedrijf en de relaties waar we mee samenwerken. Die belangen zijn nog steeds van kracht, zodat we je niet naar Douwe Egberts kunnen laten overstappen.
Als accountmanager kun je in verschillende branches aan de slag. Het aantal vacatures als
accountmanager dat momenteel openstaat is riant. Een kleine zoektocht op internet wijst uit dat er honderden vacatures zijn. Als je specifiek binnen de horeca werkzaam zou willen blijven, zijn we bereid afspraken te maken over aanpassing van het relatiebeding, in die zin dat je wel relaties binnen de horeca mag benaderen die ook met [geïntimeerde] samenwerken, maar niet voor zover het gaat om het verkopen van koffie en koffiegerelateerde producten waar ook [geïntimeerde] in handelt. Op dit punt zijn we dus bereid je tegemoet te komen. (...)”
4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.1
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:primair:I. het concurrentiebeding zal schorsen geheel of gedeeltelijk in die zin dat het [appellant] is toegestaan zijn werkzaamheden voor JDE per 15 april 2016 of enige andere datum aan te vangen;II. het relatiebeding zal schorsen geheel of gedeeltelijk in die zin dat het [appellant] is toegestaan zijn werkzaamheden voor JDE per 15 april 2016 of enige andere datum aan te vangen;subsidiair:III. voor het geval het concurrentiebeding niet geheel of gedeeltelijk wordt geschorst zal bepalen dat [geïntimeerde] gehouden is aan [appellant] voor de duur van het concurrentiebeding
maandelijks een vergoeding te voldoen van € 3.596,40 bruto per maand (€ 3.030,- + 8% vakantietoeslag, het salaris dat [appellant] bij JDE zal verdienen) teneinde in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien;IV. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2
De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 12 april 2016 geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure tot vernietiging dan wel schorsing van het concurrentiebeding c.q. relatiebeding zal worden overgegaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] haar zwaarwegende bedrijfsbelangen voldoende gemotiveerd. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat het hanteren van het concurrentiebeding niet buiten proportie is ten opzichte van het doel dat [geïntimeerde] daarmee wil dienen, te weten bescherming van bedrijfsgevoelige informatie. Ten aanzien van het subsidiair gevorderde overweegt de kantonrechter dat [appellant] , gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door [geïntimeerde] , onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van de inkomsten bij JDE. De kantonrechter heeft het primair en subsidiair gevorderde afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
5De beoordeling van de grieven en de vordering
5.1
Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Het hof acht het, evenals de kantonrechter, gezien de aard van de door [appellant] gevorderde voorziening, voldoende aannemelijk dat hij (nog steeds) een spoedeisend belang bij die voorziening heeft.
5.2
Nu de meest recente arbeidsovereenkomst tussen partijen ná 1 januari 2015 tot stand is gekomen, moeten de vorderingen van [appellant] worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:653 BW zoals dat met ingang van 1 januari 2015 luidt (zie artikel XXIIc Wwz).
5.3
Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid is een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn bij tijdelijke contracten in principe verboden. De wetgever is van mening dat het belang van de werkgever bij een concurrentiebeding in een dergelijk geval in beginsel niet opweegt tegen het belang van de werknemer. In artikel 7:653 lid 2 BW is een uitzondering op de hoofdregel gecreëerd. Bepaald is dat een zodanig beding kan worden opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, indien uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Gemotiveerd moet worden welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die het beding vereisen. Dit noopt de werkgever tot een concrete afweging en voorkomt daarmee een lichtvaardig gebruik van het beding. Zonder motivering is het beding nietig (Kamerstukken II 2013/2014, 33 818 nr. 3, p. 16 en 17).
5.4
Tussen partijen is allereerst in geschil of aan voornoemde motiveringseis is voldaan.
5.5
In de meest recente arbeidsovereenkomst is onder het concurrentie- en relatiebeding opgenomen dat [geïntimeerde] bij de bedingen een zwaarwichtig belang heeft. Vermeld is: “Aangezien werknemer vanuit zijn functie als Accountmanager in aanmerking komt met zeer vertrouwelijke informatie over werkgever en contact heeft met relaties van het bedrijf en kennis neemt van cijfers, marges, strategieën, prijsafspraken, etc.”
Op basis van deze vermelding moet voor [appellant] redelijkerwijs kenbaar zijn geweest dat hij als accountmanager kennis zou nemen van gegevens waarvan het voor [geïntimeerde] - om te voorkomen dat zij (potentiële) klanten zou verliezen - van belang was dat de concurrent daarvan geen kennis zou nemen. In de vermelding zijn de vertrouwelijke gegevens waarop [geïntimeerde] doelt geconcretiseerd en is de vergaring daarvan gekoppeld aan de functie van accountmanager. Anders dan [appellant] aanvoert, is geen sprake van een standaardmotivering en van ‘containerbegrippen’ die voor verschillende functies kunnen worden gebruikt. Het hof is daarom vooralsnog van oordeel dat formeel gezien aan het motiveringsvereiste van artikel 7:653 lid 2 BW is voldaan. Grief I faalt daarmee.
5.6
Vervolgens moet worden beoordeeld of met voldoende mate van zekerheid te verwachten valt dat in een bodemprocedure het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 sub a BW geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd, omdat dit beding niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Het hof overweegt in het kader het volgende.
5.7
Als onvoldoende bestreden staat vast dat [appellant] als accountmanager bij [geïntimeerde] verantwoordelijk was voor het behouden en uitbouwen van accounts in de bedrijven- en horecamarkt binnen een bepaald rayon. [appellant] hield zich bezig met relatiebeheer en acquisitie. In de periode tot eind 2015 bediende hij ruim 700 relaties in Gelderland en Overijssel. Vanaf eind 2015 was hij werkzaam in de postcodegebieden 68, 69 en 70 ( Arnhem en omstreken) in welk gebied ruim 400 relaties gevestigd zijn. Circa 20% van het totale klantenbestand van [geïntimeerde] behoorde tot het werkgebied van [appellant] . Bij de uitoefening van zijn werkzaamheden had [appellant] inzicht in het klantenbestand van [geïntimeerde] en voerde hij gesprekken met bestaande en potentiële klanten. [appellant] had daarvoor toegang tot de F-schijf van de binnendienst en de marketingafdeling van [geïntimeerde] , waarop informatie over de klanten, de deals en de marketingaanpak te vinden is. Uit de als productie 22 overgelegde notulen volgt dat bij [geïntimeerde] in salesvergaderingen werd gesproken over cijfers, budgetten, marktontwikkelingen, marketingprojecten en de aanpak van belangrijke accounts. [appellant] werd voor deze vergaderingen uitgenodigd en ontving de notulen daarvan per mail. Het hof is, ook indien de stelling van [appellant] dat de inkoopprijzen en marges voor hem niet inzichtelijk waren juist is, op basis van deze feiten voorshands van oordeel dat [appellant] als accountmanager bij [geïntimeerde] de beschikking heeft gekregen over concurrentiegevoelige informatie.
5.8
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] en JDE opereren in de koffiebranche in de breedste zin van het woord. Beiden houden zich bezig met het branden van koffie en de verkoop daarvan, het onderhouden van koffiemachines en de verkoop van koffieapparatuur, thee en andere bijproducten zoals serviezen. Zowel [geïntimeerde] als JDE bieden hun diensten in heel Nederland aan voor thuis, op het werk of in de horeca. Het hof neemt op basis van deze feiten voorshands aan dat [geïntimeerde] en JDE directe concurrenten van elkaar zijn.
Dat [geïntimeerde] zich meer dan JDE richt op het aanbieden van duurzame en kwalitatief hoogwaardige koffie en thee aan horecabedrijven, betreft een accentverschil en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Bepalend is dat [geïntimeerde] en JDE zich met soortgelijke diensten en producten tot dezelfde groepen klanten richten. Als niet of onvoldoende bestreden is aannemelijk dat de koffiebranche een vechtmarkt is. Minder dan 30% van de klanten van [geïntimeerde] werkt op basis van een contract voor de duur van enkele jaren. Het merendeel van de klanten is gevoelig voor schommelingen in de markt en aanbiedingen van concurrerende ondernemingen. Inclusief JDE zijn ongeveer 15 concurrenten van [geïntimeerde] in de markt actief. Zowel [geïntimeerde] als JDE werken met een CRM-systeem.
In dat van JDE kunnen expiratiedata van contracten, prijzen en marges worden ingevoerd, waarna deze voor collega’s in de commerciële functies te raadplegen zijn.
5.9
Gelet op hetgeen onder 5.8 is overwogen (te weten dat [geïntimeerde] en JDE in een zogenaamde vechtmarkt directe concurrenten van elkaar zijn) acht het hof vooralsnog geenszins denkbeeldig dat de hiervoor onder 5.7 vermelde concurrentiegevoelige informatie, waarvan [appellant] uit hoofde van zijn functie als accountmanager bij [geïntimeerde] kennis heeft genomen, bij indiensttreding van [appellant] binnen JDE bekend zal worden en zal worden gebruikt om klanten van [geïntimeerde] tot een overstap naar JDE te bewegen. Dit brengt mee dat handhaving van het concurrentiebeding vanwege de zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van [geïntimeerde] noodzakelijk is.
5.10
Ook indien juist is dat [appellant] , zoals hij aanvoert, de concurrentiegevoelige informatie na afloop van een door hem gevoerd klantgesprek via het CRM-systeem uitzette naar collega’s en van zijn Ipad verwijderde, dan is het hof, evenals de kantonrechter, vooralsnog van oordeel dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de parate kennis van [appellant] met betrekking tot die gegevens marginaal is. Uit het feit dat [appellant] niet bij (de meest recente) salesvergaderingen aanwezig is geweest, vloeit dat evenmin voort, aangezien [appellant] door toezending van de notulen van hetgeen tijdens de vergaderingen is besproken op de hoogte is gebracht. De stelling van [appellant] dat het de vraag is in hoeverre de door hem bij [geïntimeerde] verworven kennis relevant is voor de functie die hij bij JDE zal gaan bekleden, omdat hij bij JDE in een ander marktsegment zal gaan werken, passeert het hof. Niet bestreden is dat de nieuwe collega’s van [appellant] bij JDE, waaronder de collega’s die zich richten op het marktsegment waarin [appellant] bij [geïntimeerde] werkzaam was, na de invoering in het CRM-systeem van JDE van de gegevens van [geïntimeerde] kunnen kennisnemen en profiteren. Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij het concurrentiebeding, omdat hij ondermaats zou presteren. Uit de wijze waarop [appellant] presteerde, vloeit niet voort dat hij in beperkte mate van de vertrouwelijke gegevens op de hoogte was. De voorlopige conclusie is dat voor vernietiging van het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 sub a BW geen grond bestaat. De grieven II tot en met IV falen.
5.11
Met de grieven V tot en met VIII komt [appellant] op tegen het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat het hanteren van het concurrentiebeding niet buiten proportie is ten opzichte van het doel dat [geïntimeerde] daarmee wil dienen, te weten bescherming van bedrijfsgevoelige informatie. [appellant] heeft zich daarbij beroepen op artikel 7:653 lid 3 sub b BW, waarin is bepaald dat de rechter een beding tussen de werkgever en werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn geheel of gedeeltelijk kan vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld.
5.12
Naar het voorlopig oordeel van het hof wordt [appellant] door de handhaving van het concurrentiebeding niet onbillijk benadeeld zoals in voornoemd artikel is bedoeld. Het hof overweegt daartoe het volgende.
5.13
[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij handhaving van het concurrentiebeding onvoldoende mogelijkheden heeft om een andere baan te vinden. Hij heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat er binnen een straal van 75 kilometer van zijn woonplaats honderden vacatures voor accountmanagers zijn waarvoor hij in aanmerking zou kunnen komen.
Hij wordt daarom, anders dan hij heeft gesteld, door het concurrentiebeding niet op ernstige wijze in zijn recht op een vrije arbeidskeuze beperkt. Het hof is voorshands van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat het beschermingsniveau dat het concurrentiebeding biedt met minder vergaande maatregelen kan worden bereikt. [geïntimeerde] heeft terecht aangevoerd dat haar geen, althans onvoldoende middelen ter beschikking staan om te controleren of [appellant] na zijn indiensttreding bij JDE het geheimhoudings- en/of relatiebeding zal overtreden. Anders dan [appellant] heeft betoogd, is de overstap van een klant van [geïntimeerde] naar JDE onvoldoende om een zodanige overtreding te bewijzen. Een geografische beperking van het beding biedt onvoldoende soelaas, omdat zowel [geïntimeerde] als JDE onder andere via het internet haar diensten en producten in heel Nederland aanbieden en verkopen. Het hof ziet vooralsnog ook geen aanleiding het concurrentiebeding in duur te beperken, nu een dergelijke beperking in tijd niet uit voormelde belangenafweging voortvloeit. In dit kader wordt gewezen op het feit dat [geïntimeerde] en JDE intensieve concurrenten van elkaar zijn (zie hiervoor 5.8) en [appellant] bij [geïntimeerde] een bij uitstek commerciële functie had die was gericht op het behouden en uitbouwen van klanten (zie hiervoor 5.7). Dit betekent dat ook voor vernietiging van het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 sub b BW geen grond bestaat. De grieven V tot en met VIII falen.
5.14
Op grond van het voorgaande moet de beslissing van de kantonrechter om de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding af te wijzen, in stand blijven. Omdat hieruit volgt dat [appellant] vooralsnog niet eerder dan op 7 april 2017 bij JDE in dienst kan treden, ligt de hiervoor onder 4.1 sub II. vermelde vordering tot schorsing van het relatiebeding gezien de wijze waarop de vordering is geformuleerd (te weten: “(…) in die zin dat het [appellant] is toegestaan zijn werkzaamheden voor Jacobs Douwe Egberts per 15 april 2016 of enige andere datum, aan te vangen (…)”) tot die datum voor afwijzing gereed. Het hof ziet wel aanleiding de werking van het relatiebeding tot één jaar te beperken, zodat het relatiebeding met ingang van 7 april 2017 zal worden geschorst. Redengevend hiervoor is dat bij een andersluidend oordeel de werking van het relatiebeding na ommekomst van de looptijd van het concurrentiebeding de facto aan de indiensttreding van [appellant] bij JDE in de weg zou staan. Gesteld noch gebleken is dat de bedrijfs- of dienstbelangen van [geïntimeerde] dat noodzakelijk maken, waardoor [appellant] in verhouding tot het te beschermen belang van [geïntimeerde] alsdan onbillijk zou worden benadeeld. Grief IX slaagt daarmee gedeeltelijk.
5.15
De op artikel 7:653 lid 4 BW gegronde vordering van [appellant] is niet toewijsbaar, omdat vooralsnog tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Grief X faalt.
5.16
Nu, zoals uit hetgeen hiervoor onder 5.13 is overwogen volgt, onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit blijkt dat het concurrentiebeding [appellant] in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van JDE werkzaam te zijn - waarbij het hof er voorshands van uitgaat dat [appellant] ook in andere branches dan die van [geïntimeerde] en JDE als accountmanager kan werken - bestaat geen grond om de subsidiaire, op artikel 7:653 lid 5 BW gebaseerde vordering van [appellant] toe te wijzen. Ook grief XI faalt.
5.17
Als uitgangspunt geldt, gelet op de aard van het kort geding, dat in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. Er is niet voldoende gesteld of gebleken dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het bewijsaanbod van [appellant] voorbij.
6De slotsom
6.1
De grieven I tot en met VIII en X en XI falen. Grief IX slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens voor zover het de (volledige) afwijzing van de hiervoor in rechtsoverweging 4.1 vermelde primaire vordering van [appellant] onder II betreft.
6.2
Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Wat betreft de proceskosten in eerste aanleg blijft de door de kantonrechter gewezen proceskostenveroordeling in stand.
6.3
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 718,- voor griffierecht en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief II).
7De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Arnhem van 12 april 2016, behoudens voor zover het de afwijzing van de primaire vordering van [appellant] onder II betreft, vernietigt dat vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht:
schorst de werking van het tussen partijen overeengekomen relatiebeding met ingang van 7 april 2017;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 december 2016. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|