|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:15429 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 25/9231 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Het in het jaar 2021 aan eiser uitgekeerde levenslooptegoed is terecht in het jaar 2021 belast. Er is geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, een individuele en buitensporige last, een schending van het gelijkheidsbeginsel of een schending van het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | levensloopregeling | | | loonbelasting | | | uitkering | | | wet op de loonbelasting | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/9231
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (IB/PVV).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2025 de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2026.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiser nam via zijn werkgever deel aan een levensloopregeling en had tot en met oktober 2021 een levenslooprekening bij de ASN Bank.
2. Eiser diende in februari 2020 een verzoek bij zijn werkgever in voor het opnemen van onbetaald verlof in de periode van 1 juni 2020 tot 1 december 2021, en het financieren van dit verlof door opname van het door hem opgebouwde levenslooptegoed. Bij reactie van 2 maart 2020 heeft de werkgever dit verzoek goedgekeurd. In een brief van 27 maart 2020 heeft de werkgever eiser echter geïnformeerd dat verzoeken tot langdurig verlof in verband met de coronapandemie tijdelijk niet worden toegekend, dat deze maatregel voor alle vormen van langdurig verlof (waaronder onbetaald verlof) geldt en dat de maatregel van kracht is vanaf 1 april 2020 tot nader order.
3. Eiser had in oktober 2021 een levenslooptegoed van € 94.055,42 opgebouwd.
4. Op 28 oktober 2021 is het levenslooptegoed aan eiser uitgekeerd, waarbij € 46.557,43 aan loonheffing is ingehouden.
5. In de aanslag IB/PVV 2021 is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 159.031. Dit bedrag bestaat voor € 94.055,42 uit de uitkering op grond van de levensloopregeling.
Geschil
6. In geschil is of de aanslag IB/PVV tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het levenslooptegoed van € 94.055,42 terecht in het jaar 2021 is uitgekeerd en belast. Daarnaast is in geschil of sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), of sprake is van een individuele en buitensporige last en of sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling van het geschil
7. Met ingang van 1 januari 2012 is de fiscale levensloopregeling stopgezet. Voor werknemers die al een aanspraak hadden, is destijds overgangsrecht opgenomen. Het (gewijzigde) overgangsrecht was neergelegd in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Op grond van die bepaling bleef van 31 december 2011 tot en met 31 oktober 2021 de tot dan toe geldende wettelijke regeling van toepassing voor personen die op 31 december 2011 een levensloopaanspraak hadden waarvan de waarde in het economisch verkeer op die datum € 3.000 of meer bedroeg. Het overgangsrecht gold aanvankelijk tot en met 31 december 2021. Naar aanleiding van de Wet overige fiscale maatregelen 2021 is deze termijn met twee maanden verkort.
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat het levenslooptegoed ten onrechte in het jaar 2021 is uitgekeerd en belast. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van artikel 39d, vierde lid, van de Wet LB, zoals deze bepaling in 2021 luidde, is een fictief genietingsmoment gecreëerd op 1 november 2021 ten aanzien van personen die op deze datum een levensloopaanspraak hadden. Nu eiser vlak daarvóór aanspraak had op een levenslooptegoed bij de ASN Bank van € 94.055,42, is dit tegoed terecht in 2021 in de heffing betrokken.
9. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM en dat het in 2021 in de heffing betrekken van het levenslooptegoed bij hem leidt tot een individuele en buitensporige last.
10. In de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 11 juni 2024 is geoordeeld dat de invoering van artikel 39d Wet LB en het daarin opgenomen overgangsrecht geen ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht oplevert en dat geen sprake is van strijd met artikel 1 EP EVRM. Volgens het gerechtshof is de beëindiging van de levensloopregeling en het overgangsrecht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar. Hierbij acht het gerechtshof onder meer van belang dat voor belastingplichtigen al in 2012 voorzienbaar was dat de levensloopregeling eind 2021 tot een einde zou komen. Aan belastingplichtigen is tien jaar de tijd gegeven om de aanspraken ingevolge de levensloopregeling over een langere periode op te nemen. Daarnaast is tweemaal de mogelijkheid geboden de aanspraken tegen fiscaal gunstige voorwaarden op te nemen, om eventueel progressienadeel te verzachten. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser verder niet aannemelijk gemaakt, dat – in vergelijking met andere belastingplichtigen die ook door deze heffing zijn geraakt – de last van de heffing zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen, gelet op zijn inkomens- en vermogenspositie. Van een individuele en buitensporige last acht de rechtbank dan ook geen sprake.
11. Eiser voert ook aan dat hij niet optimaal heeft kunnen genieten van de levensloopregeling door de tijdens de coronapandemie opgelegde reisverboden en omdat het niet mogelijk was om langdurig verlof te krijgen, terwijl hij wel van plan was het levenslooptegoed op te nemen en uit te laten keren voor één van de doelen van de regeling. Volgens eiser is daarom sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
12. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient eiser aannemelijk te maken dat verweerder anderen die in gelijke omstandigheden verkeren, gunstiger heeft behandeld, zonder dat daar een objectieve reden voor is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hieraan niet voldaan, en zijn er voorts ook geen aanwijzingen dat hiervan sprake is. Het gelijkheidsbeginsel is daarom niet geschonden. Dat eiser niet optimaal van de levensloopregeling heeft kunnen genieten en zijn eerdere plannen niet heeft kunnen waarmaken vloeit voort uit de omstandigheden tijdens de coronapandemie en de verhouding met zijn werkgever.
13. Ten aanzien van eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. De belastbaarheid van de uitkering van de levensloopregeling in 2021 vloeit voort uit de Wet LB. Dat is een wet in formele zin. In het Harmonisatiewetarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in artikel 120 van de Grondwet neergelegde toetsingsverbod met zich brengt dat de rechter wetten in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen en ander ongeschreven recht. Wel is de rechter bevoegd een bepaling in een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daartoe bestaat aanleiding wanneer die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden tot gevolg hebben dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven.
14. Ook hier geldt dat het feit dat eisers plannen met het levenslooptegoed geen doorgang konden vinden, zijn oorzaak vindt in de omstandigheden tijdens de coronapandemie en de verhouding met zijn werkgever. Dit wordt niet veroorzaakt door de fiscale wet- en regelgeving en is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat toepassing van artikel 39d Wet LB achterwege dient te blijven. Dat het overgangsrecht zoals neergelegd in voornoemd artikel aanvankelijk tot en met 31 december 2021 gold en later ingevolge de Wet overige fiscale maatregelen 2021 is verkort, maakt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De wetgever is zich ervan bewust geweest dat het verkorten van het overgangsrecht ertoe leidt dat voor personen die op 1 november 2021 nog een levensloopaanspraak hadden, de levensloopaanspraak op die datum in de heffing wordt betrokken. Dit gevolg heeft de wetgever dus bedoeld en voorzien. Daarnaast zou ook bij een looptijd tot en met 31 december 2021 de uitkering in het jaar 2021 in de heffing zijn betrokken. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
15. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat in dit geval ruimte is om van de fiscale behandeling zoals die wettelijk is voorgeschreven af te wijken. Het staat de rechtbank niet vrij om af te wijken van de wijze waarop de uitkering van de levensloopregeling in de heffing wordt betrokken. Ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, moet de rechter volgens de wet rechtspreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.
16. Op grond van artikel 63 van de AWR is de minister van Financiën bevoegd om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen. Indien eiser meent dat hiervan sprake is, dan kan hij bij de minister een verzoek indienen om toepassing van de hardheidsclausule. Of in dit geval de hardheidsclausule dient te worden toegepast, is niet ter beoordeling aan de bestuursrechter.
17. Gelet op het voorgaande, zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
18. Ter zitting heeft eiser opgemerkt dat het lang heeft geduurd voordat is beslist op zijn bezwaar. In deze opmerking ligt naar het oordeel van de rechtbank een verzoek om immateriële schade besloten wegens de lange duur van de (bezwaar)behandeling van de onderhavige zaak. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen is twee jaar. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag op 16 juni 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 29 mei 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, twee jaar. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 14 november 2025, is deze termijnoverschrijding geheel toerekenbaar aan de bezwaarfase. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 2.000.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
20. Conform het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 zal de rechtbank geen vergoeding van het griffierecht toekennen, aangezien het beroep zelf ongegrond dient te worden verklaard en uitsluitend een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend. Het overgangsrecht genoemd in het arrest geldt in dit geval niet, aangezien eiser niet voorafgaand aan 31 mei 2024 heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiser ten bedrage van € 2.000.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van
mr. Z.F. de Bruijne, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Kamerstukken II 2020/21, 35 573, nr. 3, p. 18.
ECLI:NL:GHDHA:2024:998, r.o. 5.9 en 5.10, en daaropvolgend Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:315.
Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, r.o. 3.3.3 en 3.3.4.
ECLI:NL:HR:2024:567. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|