Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4727 
 
Datum uitspraak:16-06-2026
Datum gepubliceerd:19-06-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB_24-4112
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Het beroep van eiseres tegen de weigering van het UWV om aan haar ziekengeld op grond van de ZW toe te kennen, is ongegrond. Laattijdige aanvraag. Eiseres is per de datum in geding geschikt voor haar eigen werk
Trefwoorden:vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/4112
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J. Bel),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om aan eiseres per 20 mei 2023 ziekengeld toe te kennen op grond van de Ziektewet (ZW), omdat eiseres volgens het UWV per die datum geschikt is voor haar eigen werk. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van het ziekengeld door het UWV.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 21 maart 2024 heeft het UWV geweigerd om aan eiseres ziekengeld toe te kennen per 20 mei 2023, omdat zij geschikt is voor haar eigen werk. Met het bestreden besluit van 13 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de weigering van ziekengeld gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de haptotherapeut van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.






Beoordeling door de rechtbank


De totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is vanaf 1 januari 2023 in dienstverband werkzaam geweest in de functie ‘training en consultancy’ voor gemiddeld 28 uur per week. Het werk bestond uit het vervaardigen van lesmateriaal. Eiseres en haar werkgever hebben een vaststellingsovereenkomst getekend op basis waarvan zij per 1 juli 2023 uit dienst is gegaan.


3.1.
Op 23 januari 2024 heeft eiseres zich ziekgemeld per 20 mei 2023 (de datum in geding) wegens psychische klachten (burn-outklachten). Het UWV heeft met het besluit van 13 februari 2024 vanaf 3 juli 2023 aan eiseres ziekengeld toegekend op voorschotbasis.



3.2.
Vervolgens is het UWV overgegaan tot de bestreden besluitvorming, zoals beschreven onder 2. Hieraan liggen onder meer een rapport van een verzekeringsarts van
20 maart 2024 (hierna: de primaire verzekeringsarts) en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 10 mei 2024 ten grondslag.


Het toetsingskader

4. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) wordt onder “zijn arbeid” in een geval als dat van eiseres de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid verstaan.



4.1.
In deze zaak is sprake van een zogenoemde laattijdige aanvraag. Eiseres heeft zich namelijk op 23 januari 2024 met ingang van een daarvoor gelegen datum, te weten 20 mei 2023, ziekgemeld. Volgens vaste rechtspraak ligt de bewijslast van een laattijdige aanvraag bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Dit betekent dat eiseres feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit op een onjuiste motivering berust.


Is eiseres per de datum in geding geschikt voor haar eigen werk?

5. De rechtbank stelt voorop dat uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 20 maart 2024 blijkt dat deze het dossier heeft bestudeerd, inclusief de vragenlijst die eiseres bij haar ziekmelding heeft ingevuld. Eiseres heeft het spreekuur van deze arts bezocht en door deze arts is een uitgebreide anamnese afgenomen. Daarbij is ook de medische voorgeschiedenis van eiseres aan de orde geweest. De verzekeringsarts heeft genoteerd dat eiseres vanaf eind mei/begin juni 2023 haptotherapie krijgt (bij de haptotherapeut bij wie zij eerder in behandeling is geweest) en dat ze zich in februari 2024 tot haar huisarts heeft gewend met slaapproblemen. De verzekeringsarts b&b heeft dossierstudie verricht en aan de hand van de bezwaren van eiseres het standpunt van de primaire verzekeringsarts heroverwogen.



5.1.
De primaire verzekeringsarts heeft in het rapport van 20 maart 2024 overwogen dat uit het relaas van eiseres blijkt dat zij al langer last had van haar klachten. Ze heeft met deze klachten tijdens haar laatste dienstverband doorgewerkt, maar leverde onvoldoende output, waardoor – in overleg met haar werkgever – is besloten om uit dienst te treden per 1 juli 2023, na het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst. In de periode hierna, heeft eiseres zich eerst gericht op rust en ontspanning, waarna ze vervolgens zelfstandig weer aan de slag is gegaan met werkgerelateerde activiteiten, totdat veranderingen optraden in haar woonsituatie. Haar huisbaas kondigde in november 2023 een grootschalige verbouwing aan, waardoor eiseres psychische klachten ervoer. Om deze reden is zij in februari 2024 naar de huisarts gegaan, die haar slaapmedicatie heeft voorgeschreven. De verzekeringsarts concludeert dat op dat moment een verslechtering is ontstaan in de gezondheidssituatie van eiseres, en dat het aannemelijk is dat zij op dat moment beperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek, waardoor zij niet naar behoren haar eigen werk zou kunnen uitvoeren. De verzekeringsarts b&b stelt in het rapport van 10 mei 2024 geen aanleiding te zien om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Er zijn geen medische objectiveerbare feiten en omstandigheden vastgesteld, waarmee kan worden onderbouwd dat eiseres al per 20 mei 2023 arbeidsongeschikt zou zijn voor haar eigen werk.

6. Eiseres voert aan dat zij per de datum in geding niet geschikt was voor haar eigen werk. Zij verwijst daarbij naar verklaringen van haar haptotherapeut van 7 en 24 mei 2024 waarin staat dat eiseres op 26 mei 2023 burn-outklachten had en hiervoor onder behandeling is. Zij kon zich namelijk niet meer concentreren op het werk, was erg moe, sliep slecht, was snel overprikkeld, piekerde veel en was enorm gespannen. Na een aanvankelijk herstel, viel eiseres door stress rondom haar woonsituatie terug. Daarnaast verwijst eiseres naar informatie van haar huisarts, waarin staat dat eiseres in het verleden kortduren temazepam heeft gebruikt, en dat dit op 20 februari 2024 opnieuw is voorgeschreven. Deze verklaringen en deze informatie gevoegd bij wat al bekend was over de medische situatie van eiseres, maken dat er (wel) medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat eiseres haar eigen werk (al) op 20 mei 2023 niet naar behoren kon verrichten.
In reactie op het verweerschrift van het UWV is door eiseres nog aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte stelt dat eiseres al klachten had sinds 2018, na het overlijden van haar moeder, die zijn verergerd in de coronaperiode. Eiseres betwist dit. Haar klachten zijn ontstaan door veranderende en verzwaarde werkomstandigheden. Zij heeft geen Covid gehad, maar heeft wel veel last gehad van de veranderde werkomstandigheden (in een eerdere dienstbetrekking) tijdens de coronaperiode. Vanwege collegialiteit, verantwoordelijkheidsgevoel en het stellen van hoge eisen aan zichzelf is eiseres blijven werken en heeft zij zich niet ziekgemeld. Eiseres heeft ter onderbouwing nog een stuk overgelegd, waarin zij in haar eigen bewoordingen beschrijft hoe haar klachten zijn ontstaan.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende gemotiveerd dat eiseres op de datum in geding niet ten gevolge van rechtstreeks op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen ongeschikt was voor haar eigen werk. De rechtbank merkt daarbij op dat – zoals in 4.1 overwogen – sprake is van een laattijdige aanvraag, wat betekent dat het aan eiseres is om feiten en omstandigheden aan te dragen, die kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd is en daardoor onjuist is. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het UWV dat eiseres hierin niet is geslaagd. Het UWV stelt terecht dat de stelling van eiseres dat zij al ziek zou zijn geweest tijdens haar voorlaatste en haar laatste dienstverband, niet kan worden gevolgd. Ze heeft zich immers niet ziekgemeld bij haar werkgevers en is daarom nooit gezien door een bedrijfsarts. Daardoor is onvoldoende aannemelijk geworden dat zij vanwege ziekte (gedurende langere tijd en ook nog) op de datum in geding buiten staat was om haar eigen werk te verrichten. Eiseres is kennelijk in deze periode slechts eenmaal bij haar huisarts geweest vanwege haar klachten en heeft blijkbaar evenmin een andere behandelaar geraadpleegd dan de haptotherapeut bij wie zij sinds mei/juni 2023 weer onder behandeling was. De door eiseres overgelegde verklaringen van deze haptotherapeut over de klachten van eiseres, missen een medisch objectieve onderbouwing en leggen daarom onvoldoende gewicht in de schaal. Een haptotherapeut is immers geen medicus en daarom niet gekwalificeerd om vast te stellen of er bij eiseres objectief medisch gezien sprake was van ziekte of gebreken, althans van beperkingen die haar geheel of gedeeltelijk ongeschikt maakten voor haar eigen werk. De rechtbank wijst er nog op, dat de eigen en daarom subjectieve beleving van eiseres omtrent de aard en de ernst van haar klachten in dit verband ook geen rol speelt. De beroepsgronden slagen daarom niet.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:908.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:272.
Link naar deze uitspraak