|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:6428 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/786713 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding, ontruiming woning en betaling huur(achterstand) tot aan ontruiming toegewezen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/786713 / KG ZA 26-313 MK/KH
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
STICHTING PERMENS,
te Amsterdam,
eisende partij bij dagvaarding van 29 april 2026,
hierna te noemen: perMens,
advocaat: mr. L.L.M.M. Smeets,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Sprakel.
1De procedure
1.1.
Ter zitting van 11 mei 2026 heeft perMens de vorderingen in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en een pleitnota voorgedragen. Vonnis is bepaald op vandaag.
1.2.
Ter zitting waren aanwezig, voor zover relevant:
- namens perMens: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Smeets,
- [gedaagde] met mr. Sprakel.
2De feiten
2.1.
PerMens is een zorginstelling die cliënten begeleidt om stapsgewijs op een duurzame wijze zelfstandig te kunnen wonen en leven.
2.2.
[gedaagde] was sinds 1 januari 2019 cliënt bij perMens en heeft daarvoor een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Hij ontvangt begeleiding die zich toespitst op zelfredzaamheid, financiën, dagbesteding, huisvesting en instrumentele ADL.
2.3.
Sinds 30 april 2020 huurde hij een omslagwoning aan de [adres] in [plaats] van perMens, die de woning op haar beurt huurt van woningbouwvereniging Stadgenoot. Een omslagwoning is bedoeld als laatste stap in het proces van zelfstandig wonen. Het doel is dat de cliënten, meestal na maximaal twee jaar in de omslagwoning, volledig zelfstandig kunnen wonen en de woning op eigen naam van de cliënt komt te staan.
2.4.
PerMens (toen nog Stichting Volksbond Streetcornerwork en afgekort VBSCW geheten) en [gedaagde] hebben een zorg- en dienstverleningsovereenkomst gesloten op 28 april 2020 (hierna: zorgovereenkomst) en een onderhuurovereenkomst zelfstandige woonruimte als onderdeel van de zorg- en dienstverlening op 30 april 2020 (hierna: onderhuurovereenkomst).
2.5.
In de zorgovereenkomst staat, voor zover relevant:
“1. (…) Uitsluitend ten behoeve van haar dienstverlening aan cliënten, biedt VBSCW huisvesting aan, waarbij het zorgelement te alle tijde voorop staat, hetgeen door cliënt [ [gedaagde] , vzr.] ondubbelzinnig wordt onderkend.”
2.6.
In de onderhuurovereenkomst staat, voor zover relevant:
“- Alleen in het kader van deze zorg- en dienstverlening stelt verhuurder [perMens, vzr.] woonruimte ter beschikking, waarbij het zorgelement te allen tijde voorop staat, hetgeen door huurder [ [gedaagde] , vzr.] ondubbelzinnig wordt onderkend.
(…)
- Huurder is zich ervan bewust dat de huisvesting en de zorg- en dienstverlening qua omvang, financiering en organisatie alleen mogelijk zijn indien de zorg- en dienstverlening afgenomen wordt via verhuurder. Huurder verplicht zich derhalve gedurende de duur van deze onderhuurovereenkomst de zorg- en dienstverlening uitsluitend van verhuurder af te nemen.
- In de relatie tussen huurder en verhuurder zal het zorgelement overheersend zijn. De zorg- en dienstverlening door verhuurder en het in huur geven van de woonruimte zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. De onderhuurovereenkomst zal derhalve worden beëindigd wanneer de overeenkomst zorg- en dienstverlening eindigt.
(…)
Artikel 3 De huurperiode
De onderhuurovereenkomst gaat in op 30-04-2020 en wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
Te weten voor de duur van de zorg- en dienstverlening.”
2.7.
Op 20 augustus 2020 heeft perMens een brief geschreven aan [gedaagde] met daarin een officiële waarschuwing. In de brief staat onder meer:
“Wij hebben u voor een gesprek over omgangsnormen uitgenodigd op 20-08-2020 om 11.00 uur (…). U bent niet op de afspraak gekomen en u heeft geen contact opgenomen met de zorg coördinator om zich af te melden. Hierbij ontvangt u een officiële waarschuwing voor uw gedrag. De ambulant begeleider meldde dat u de begeleiding voor onbepaalde tijd heeft stopgezet. De consequentie van het stopzetten van de zorgleveringsovereenkomst is dat de onderhuurovereenkomst wordt ontbonden. (…) Bent u van mening veranderd en wilt u de samenwerking met ons voortzetten dan is voorwaardelijk dat u via onderstaand telefoonnummer een afspraak maakt voor het gesprek over omgangsnormen en dat u zich houdt aan de reeds geplande afspraken met de ambulant begeleider. Wij gaan ervan uit dat u binnen onze organisatie geldende regels nakomt en dat u dergelijk gedrag niet meer vertoont.”
2.8.
Op 26 januari 2021 hebben perMens en [gedaagde] afspraken gemaakt die schriftelijk zijn vastgelegd en ondertekend. Met [gedaagde] is onder meer afgesproken dat hij telefonisch en schriftelijk bereikbaar is en dat hij zich begeleidbaar opstelt.
2.9.
Op 24 maart 2025 heeft perMens een brief aan [gedaagde] gestuurd. Daarin staat dat de mogelijkheid van een ‘mismatchprocedure’ besproken is, waardoor [gedaagde] mogelijk een andere woning toebedeeld zou kunnen krijgen. Daarvoor is echter toestemming nodig van Stadgenoot en die is niet gegeven vanwege de staat van de woning (het plafond was volledig beplakt met aluminiumfolie). Verder staat in de brief:
“Daarnaast zien wij dat het contact met u moeizamer wordt en dat uw gezondheidstoestand verslechterd. Uw Ambulant begeleider (…) heeft u derhalve ook geprobeerd toe te bewegen naar zorg, middels uw huisarts en POH. Zowel voor uw verslavingsproblematiek als voor uw mentale gesteldheid op dit moment. Dit is onvoldoende van de grond gekomen, maar onze zorgen blijven en groeien. De GGD is samen met Arkin inmiddels ook betrokken en heeft u een aantal keer proberen te
bezoeken, tot op heden zonder voldoende resultaat. Met deze brief willen wij u in kennis stellen dat wij u dringend adviseren om in gesprek te gaan met uw huisarts/de POH, de GGD en uiteindelijk het FACT-team, zodat u onder behandeling kan komen om weer stabiel te worden. Hierbij kunt u natuurlijk aanspraak doen op onze hulp en ons advies. Zolang u niet onder behandeling staat en niet stabiel bent, kunnen wij de mismatch niet inzetten.”
2.10.
Op 3 juni 2025 stuurt perMens nog een brief aan [gedaagde] met als onderwerp ‘laatste kans’. Daarin staat dat er zorgen zijn over de verslechtering van zijn mentale toestand, dat er geen contact tussen hem en zijn begeleider is en dat hij in de afgelopen vijf jaar al meerdere waarschuwingen heeft ontvangen voor het niet begeleidbaar opstellen, het niet nakomen van afspraken en het veroorzaken van overlast. Ook staat in de brief dat er opnieuw meerdere overlastmeldingen zijn geweest vanwege harde muziek en het verblijf van meerdere mensen in de woning en dat perMens [gedaagde] niet kan bereiken. [gedaagde] krijgt nog zes maanden de kans om begeleiding van perMens te accepteren en zich op te stellen als een goede buur en huur, waarbij hij geen overlast veroorzaakt en waarin hij financiën, gezondheid, middelengebruik, zelfstandigheid en dagbesteding op orde heeft. Als na zes maanden geconstateerd wordt dat het ‘omslagtraject’ niet succesvol afgerond kan worden zal er een trajectwijziging moeten plaatsvinden of zal perMens overgaan tot beëindiging van de zorgovereenkomst met [gedaagde] , wat automatisch ook beëindiging van de onderhuur betekent.
2.11.
Op 17 november 2025 stuurt perMens opnieuw een brief aan [gedaagde] . Daarin staat onder andere dat het opnieuw niet is gelukt om contact met hem te krijgen (via e-mail, telefoon of zijn contactpersoon). Ook is zijn huurschuld opgelopen. PerMens beschrijft graag met hem in contact te komen om te bespreken hoe de situatie opgelost kan worden en hem wordt verzocht binnen zeven dagen contact op te nemen, bij gebreke waarvan een officiële waarschuwing volgt. Deze (tweede) officiële waarschuwing volgt op 24 november 2025.
2.12.
Op 6 januari 2026 ontvangt [gedaagde] een (derde) officiële waarschuwing. PerMens beschrijft dat zij een voornemen heeft om de zorgovereenkomst (en daarmee de onderhuurovereenkomst) te beëindigen en dat zij dat voornemen op de “veldtafel” zal bespreken. Dat is een overleg van de gemeente, de GGD, woningbouwcorporaties en zorgorganisaties waarin casuïstiek wordt besproken. Via de veldtafel kan [gedaagde] mogelijk in aanmerking komen voor een ander zorgtraject en als [gedaagde] dakloos wordt zal perMens zich inspannen een tijdelijke locatie te vinden; nood- of nachtopvang is dan een mogelijkheid.
2.13.
Op 14 januari 2026 volgt per brief de beëindiging door perMens van de begeleiding en daaraan gekoppelde onderhuurovereenkomst per 2 maart 2026. PerMens zal zich inspannen om tijdelijke opvang te zoeken. Verder beschrijft zij dat [gedaagde] op de wachtlijst staat voor een herstartstudio en begeleiding bij het Leger des Heils locatie [locatie] . Tot slot verzoekt zij om betaling van de huurachterstand.
2.14.
Vervolgens is er contact tussen de advocaten van partijen, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. De advocaat van [gedaagde] heeft op 24 februari 2026 een bezwaarschrift ingediend bij het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Amsterdam tegen de beëindiging van de zorg- en onderhuurovereenkomst door perMens.
3Het geschil
3.1.
PerMens vordert, samengevat, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [gedaagde] te veroordelen om de woning (gelegen aan de [adres] in [plaats] ) binnen veertien dagen na betekening van het vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van perMens te stellen en vervolgens te verlaten en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom en met machtiging aan perMens om de ontruiming bij gebreke van volledige voldoening zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, op kosten van [gedaagde] ,
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van het op 21 april 2026 aanwezige bedrag aan huurschuld ad € 3.273,46,
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van het maandelijkse huurbedrag van € 679,89 tot en met de dag dat hij de woning verlaat of de woning wordt ontruimd,
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Volgens perMens verblijft [gedaagde] , na beëindiging van de zorgovereenkomst en daarmee ook de onderhuurovereenkomst, zonder recht of titel in de woning. PerMens heeft de overeenkomsten beëindigd omdat [gedaagde] zich structureel aan de begeleiding onttrekt en gemaakte afspraken niet nakomt. Ook is hij op verschillende momenten in de gelegenheid gesteld om zich te verbeteren waarbij de afspraak is gemaakt dat hij zich begeleidbaar opstelt, wat niet tot verbetering heeft geleid. [gedaagde] wil aanspraak maken op een nieuwe woning via een mismatchprocedure, maar daarvoor is de benodigde goedkeuring van Stadgenoot niet verkregen. PerMens kan [gedaagde] geen andere omslagwoning aanbieden. Zij vindt dat [gedaagde] niet in staat is gebleken om op behoorlijke wijze gebruik te maken van de vrijere woonomgeving en verantwoordelijkheid te dragen die passend is bij het wonen in een omslagwoning. Hij heeft zes jaar de tijd gehad om dat te laten zien. Een aangeboden alternatief via een herstartstudio heeft [gedaagde] geweigerd. Ook de 24-uurs opvanglocatie heeft hij geweigerd. PerMens zal zich wel blijven inspannen om [gedaagde] te helpen in zijn zoektocht naar een alternatieve plek.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Volgens hem is de voorzieningenrechter niet bevoegd, maar de kantonrechter. Daarnaast is beëindiging van de zorg volgens hem een bestuursrechtelijk besluit waartegen nog bezwaar loopt, waardoor de voorzieningenrechter evenmin bevoegd zou zijn. Ook is de zaak niet geschikt voor kort geding omdat de vorderingen van perMens feitelijk neerkomen op een vordering tot een verklaring voor recht. Verder is geen sprake van spoedeisendheid. Volgens [gedaagde] is het verhaal van perMens erg eenzijdig opgeschreven. Zo heeft perMens niets gezegd over de bedreigingen van de buren waar [gedaagde] last van heeft gehad en waardoor hij in eerste instantie wel in aanmerking kwam voor een mismatchprocedure. Daarnaast valt perMens ook de nodige verwijten te maken voor wat betreft de geleverde begeleiding. [gedaagde] heeft om overleg verzocht met perMens om tot een goede oplossing te komen, maar dat was niet mogelijk.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
[gedaagde] meent dat de voorzieningenrechter onbevoegd is om van voorliggend geschil kennis te nemen, omdat de kantonrechter daartoe exclusief bevoegd zou zijn op grond van artikel 93 onder c en artikel 99 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin wordt hij niet gevolgd. In al de zaken waarin de kantonrechter bevoegd is, verklaart de wet (artikel 254 lid 5 Rv) de kantonrechter náást de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd als kortgedingrechter.
4.2.
Verder voert [gedaagde] aan dat de zorgbeëindiging een bestuursrechtelijk besluit is op grond van de Wmo waartegen nog een bezwaarprocedure loopt, waardoor de civiele rechter niet bevoegd zou zijn. Ook daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. De beëindiging van de zorgovereenkomst door perMens is geen bestuursrechtelijk besluit waartegen bezwaar open staat. Het gaat om de beëindiging van een zorgovereenkomst tussen een stichting en een privépersoon. De beëindiging van de zorgovereenkomst heeft geen invloed op de door de gemeente afgegeven Wmo-indicatie.
4.3.
Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van spoed. Hoewel begrijpelijk is dat [gedaagde] dat punt maakt, nu de situatie al enige jaren voortduurt, heeft perMens voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen vanwege de overlastmeldingen die zij krijgt en het feit dat de woning nu niet aan een hulpzoekende op haar wachtlijst onderverhuurd kan worden.
4.4.
De kernvragen die moeten worden beantwoord is of voldoende aannemelijk is (i) dat perMens mocht overgaan tot beëindiging van de zorgovereenkomst en (ii) of deze mede heeft geleid tot beëindiging van de onderhuurovereenkomst.
4.5.
De eerste kernvraag wordt bevestigend beantwoord. Uit de door perMens overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] structureel niet meewerkt aan begeleiding en dat hij vaak onbereikbaar is. Hij is in de afgelopen zes jaar voldoende in de gelegenheid gesteld om het tij te keren en zich te laten begeleiden, maar dat is helaas niet gelukt. Het lijkt erop dat [gedaagde] slechts in de woning wil blijven wonen maar niet bereid is om met de daarbij behorende begeleiding aan de slag te gaan en zorg af te nemen van perMens. Dat is niet wat partijen bij de aanvang hebben afgesproken: een omslagwoning is bedoeld als laatste stap in het proces van zelfstandig wonen en de zorg- en dienstverlening door verhuurder is onverbrekelijk met de onderhuurrelatie verbonden (zie 2.6).
4.6.
De voorzieningenrechter acht daarmee een gewichtige reden aanwezig die opzegging van de zorgovereenkomst rechtvaardigt. Dat geldt als uitgangspunt in dit kort geding. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het dossier van perMens eenzijdig is en maar uit één bron volgt, onder meer een logboek en brieven van perMens zelf. Dat op zichzelf is geen reden om de ingebrachte stukken van perMens terzijde te schuiven. Het overgelegde logboek bevat bovendien een gedetailleerd verslag over meerdere jaren. Dat het verslag of de brieven onjuist zouden zijn is niet gebleken of onderbouwd. [gedaagde] heeft ook geen stukken ingebracht waaruit een ander beeld blijkt.
4.7.
De vervolgvraag, of voldoende aannemelijk is dat door beëindiging van de zorgovereenkomst ook de onderhuurovereenkomst beëindigd is (of mocht worden), wordt ook bevestigend beantwoord. Zoals al overwogen zijn de zorg- en onderhuurovereenkomst aan elkaar gekoppeld. Die koppeling blijkt onder meer uit het feit dat is overeengekomen dat de woning uitsluitend wordt onderverhuurd in het kader van de zorgverlening en dat de onderhuurovereenkomst eindigt zodra de zorgovereenkomst eindigt. Dat betekent dat in dit kort geding ook als uitgangspunt geldt dat de onderhuurovereenkomst is beëindigd en dat [gedaagde] geen beroep kan doen op huurbeschermingsbepalingen.
4.8.
Vordering I wordt gelet op voorgaande toegewezen, waarbij [gedaagde] tot 1 juli 2026 de tijd krijgt om de woning te ontruimen. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat perMens medewerking zal blijven verlenen om een passend alternatief voor [gedaagde] te vinden, zoals zij ook heeft toegezegd. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie op kosten van [gedaagde] zal worden toegewezen. Nu dit alternatief voorhanden is, wordt de gevorderde dwangsom afgewezen.
4.9.
Vorderingen II en III zijn voldoende onderbouwd en daartegen is geen verweer gevoerd. Deze vorderingen worden toegewezen.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van perMens worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
3.083,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.600,94
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk 30 juni 2026 de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van perMens zijn, in behoorlijke staat en de sleutels af te geven aan perMens, welke ontruiming zo nodig na betekening van dit vonnis door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] , indien hij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling tot ontruiming voldoet en perMens de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, aan perMens de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de huurschuld tot en met april 2026 ter hoogte van € 3.273,46,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 679,89 aan huur per maand tot en met de dag dat hij de woning verlaat dan wel de woning wordt ontruimd,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.600,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
Coll: BB | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|