Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:6975 
 
Datum uitspraak:22-04-2026
Datum gepubliceerd:03-07-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:C/15/363642
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
hoogheemraadschap
koopovereenkomst
taxatie
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/363642 / HA ZA 25-176


Vonnis van 22 april 2026


in de zaak van



[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. H.I. Park,

tegen



[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. V. Goudriaan.


De zaak in het kort

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;
- de akte vermeerdering eis tevens overlegging van producties van de man;
- het bezwaar van de vrouw tegen de akte vermeerdering eis;
- de reactie daarop van de man;
- de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2026 over het toelaten van de vermeerdering van eis;
- de aanvullende productie 10 van de vrouw;
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd en de vrouw heeft haar eis vermeerderd.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
De man en de vrouw hebben vanaf april 2020 een affectieve relatie gehad. Zij woonden samen in een woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.



2.2.
De relatie van de man en de vrouw is in juli 2024 beëindigd.



2.3.
In november 2024 is de man een kortgedingprocedure gestart, waarin hij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Naar aanleiding van de zitting in kort geding hebben partijen afgesproken opdracht te geven voor een taxatie van de waarde van de woning. De woning is getaxeerd op € 405.000,-.



2.4.
Op 20 januari 2025 heeft de man aan de vrouw bericht dat hij de woning kan herfinancieren en gevraagd of zij ook de wens heeft en in staat is de woning over te nemen. De vrouw heeft laten weten dat dit het geval is. Dit heeft niet tot (verdere onderhandelingen over) de overname van de woning door een van partijen geleid.



2.5.
Bij kortgedingvonnis van 24 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om hem het exclusieve gebruik van de woning toe te kennen, afgewezen.



2.6.
Partijen zijn er ook daarna niet in geslaagd om onderling afspraken te maken over verdeling van de woning.





3Het geschil


in conventie



3.1.
De man vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


Primair

I. bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 405.000,-, of een nog te taxeren waarde, aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;
II. de vrouw veroordeelt om binnen acht weken nadat de man een bindend hypotheekadvies heeft ontvangen haar medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke levering van de woning;
III. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder II. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;


Subsidiair

IV. de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning door onder meer een verkoopopdracht te geven aan Luca Makelaardij, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. bepaalt dat, indien de door de rechtbank aangewezen makelaar zich terugtrekt, de man gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de vrouw ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het onder IV. gevorderde;
VI. bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop benodigde machtiging en handelingen van de vrouw;
VII. de vrouw veroordeelt om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst van de woning, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VIII. de vrouw veroordeelt om te verschijnen bij de door de kopers gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IX. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder VI. tot en met VIII. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;
X. de vrouw veroordeelt de helft van de makelaarskosten en de helft van de notariskosten te betalen, alsmede de helft van eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning;
XI. bepaalt dat de vrouw de notaris opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte te delen, met dien verstande dat de man gerechtigd is om zijn vorderingen zoals omschreven onder XII en XIII op de vrouw met het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst te verrekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;


Zowel primair als subsidiair

XII. bepaalt dat de vrouw de helft van € 88.056,58, derhalve een bedrag van € 44.028,29 aan de man dient te voldoen uit hoofde van door de man gedane investeringen in de woning, waarbij de man gerechtigd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;
XIII. bepaalt dat de vrouw gehouden is om over de periode van 1 juni 2025 tot aan het moment dat de man het exclusief gebruik krijgt over de woning, bij te dragen in de helft van de aan de woning verbonden lasten, te weten € 688,57, waarbij de man gerechtigd is om al hetgeen de vrouw te weinig heeft betaald te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;
XIV. bepaalt dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verrekening van de onder XII en XIII genoemde vorderingen met de door de man aan haar te betalen uitkoopsom, dan wel het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst, door de notaris opdracht te geven om de onder XII en XIII genoemde vorderingen in mindering te brengen op c.q. te verrekenen met de aan de vrouw toekomende uitkoopsom, dan wel aan de man te voldoen vanuit de aan de vrouw toekomende verkoopopbrengst;
XV. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder XII, XIII en XIV gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;
XVI. bepaalt dat de goederen aan de man worden toebedeeld conform de door de man als productie 31 overgelegde inboedellijst;
XVII. bepaalt dat de man het exclusieve woongenot van de woning zal hebben vanaf de datum van afgifte van dit vonnis, waarbij de man de volledige eigenaarslasten en gebruikerslasten voor zijn rekening neemt als gebruiksvergoeding en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man betreedt.



3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


in reconventie




3.4.
De vrouw vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


ter zake van de geldlening


a. de man veroordeelt aan de vrouw de lening van € 6.500,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020 dan wel 24 juli 2025 tot aan de dag van algehele betaling en de wettelijke incassokosten van € 700,-;


ter zake van de gebruiksvergoeding



primair

de man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op vijf procent van de helft van de overwaarde per jaar, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;


subsidiair

de man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op de helft van de eigenaarslasten en gebruikerslasten van de woning, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;


meer subsidiair

de man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank redelijk acht;





ter zake van de verdeling van de woning



primair

- bepaalt dat de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de man binnen één week na afgifte van het vonnis drie erkende verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van de woning;
- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtbevestiging erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;
- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen of één van hen aan de makelaar kunnen/kan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;
- bepaalt dat, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);
- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen;
- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;
- bepaald dat de man een dwangsom dient te betalen van € 300,- voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning;
- bepaalt dat wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het onder f. gevorderde, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen;


subsidiair

de woning toedeelt aan de vrouw voor de waarde van € 420.000,- waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, onder verplichting van de vrouw de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en onder voorwaarde dat partijen ter zake van de woning schriftelijk verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben;


ter zake van de vergoedingsrechten van de vrouw


bepaalt dat de man aan de vrouw op grond van vergoedingsrechten een bedrag aan haar dient te betalen van € 17.830,44, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente;


ter zake de proceskosten

de man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.



3.5.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


in conventie en reconventie



4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.


Uitgangspunten




4.2.
Partijen twisten over een groot aantal zaken. Deels gaat de discussie over de wijze waarop de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden, waarbij de vraag voorop staat of de man of de vrouw nog de gelegenheid moet krijgen om te proberen het aandeel van de ander in de woning over te nemen en zo ja, tegen welke waarde. Deels gaat de discussie over het exclusief gebruik van de woning en de vraag wie van partijen (welk deel van) de kosten van de woning moet betalen. Ook zijn er vorderingen ingesteld die zien op goederen op een inboedellijst en een geldlening. Ten slotte gaat het over vorderingen uit hoofde van vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Bij de beoordeling van al die geschilpunten gelden de volgende uitgangspunten.



4.3.
In beginsel vindt verdeling van gemeenschappelijke goederen plaats op basis van de waarde van het betreffende goed ten tijde van de verdeling. Dat is slechts anders indien, kort gezegd, partijen iets anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.



4.4.
Waar het gaat om de diverse vorderingen/vergoedingsrechten die partijen op elkaar menen te hebben, is van belang dat partijen niet gehuwd waren en hun samenleving ook niet geregeld hadden in een samenlevingsovereenkomst. Daarmee zijn partijen zogenaamde informele samenlevers. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van de diverse vorderingen van partijen zal de rechtbank aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moeten beoordelen of een partij ter zake van zijn/haar uitgaven ten behoeve van de ander, zo deze vast komen te staan, een vergoedingsrecht jegens de ander geldend kan maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die stelt een vorderingsrecht te hebben te stellen en zo nodig te bewijzen dat partijen daarover uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.



4.5.
Verder bestaat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.


4.6.
De rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis ingaan op de volgende geschilpunten:
- de verdeling van de woning;
- het exclusief gebruik van de woning;
- de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten;
- de vergoedingsrechten;
- de inboedellijst;
- de geldlening.


De verdeling van de woning




4.7.
Partijen zijn het erover eens dat de woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben, verdeeld moet worden. De man vordert dat de woning tegen een waarde van € 405.000,- aan hem wordt toebedeeld. De vrouw vordert primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, en subsidiair dat de woning tegen een waarde van € 420.000,- aan haar wordt toebedeeld.



4.8.
De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.



4.9.
Beide partijen hebben de wens het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de woning pas verkocht hoeft te worden, als blijkt dat geen van partijen in staat is de woning over te nemen. Vervolgens is het de vraag wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De man voert aan dat zijn belang bij behoud van de woning is dat zijn twee kinderen uit een eerdere relatie in hun vertrouwende omgeving kunnen blijven en een goede omgang met hun vader kunnen hebben. Het belang van de vrouw om het volledige eigendom van de woning te verkrijgen is dat zij op dit moment zwanger is en de woning waar zij nu verblijft te klein is voor haar gezin.



4.10.
De rechtbank zal de man als eerste de mogelijkheid geven om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zijn belang bij overname van de woning voldoende onderbouwd en de vrouw is eind februari 2025 uit de woning vertrokken. Mocht de man er niet in slagen de woning over te nemen, dan mag de vrouw een poging doen. Als beiden er niet in slagen de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde.



4.11.
De volgende vraag is tegen welk bedrag eerst de man en eventueel daarna de vrouw de woning mag proberen over te nemen. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat als peildatum voor de waardering van de woning als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan afgeweken moet worden.



4.12.
De rechtbank stelt vast dat van een afspraak tussen partijen over de (peildatum van de) waarde niets is gebleken. Dan rest de vraag of er op basis van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan. De man legt aan zijn vordering een taxatierapport ten grondslag waarin de marktwaarde op 19 december 2024 is vastgesteld op € 405.000,-. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert als primair standpunt aan dat – overeenkomstig de hoofdregel – moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling en dat het door de man voorgestelde bedrag door de ontwikkelingen op de woningmarkt geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning op de datum van feitelijke verdeling. Subsidiair voert zij aan dat – voor het geval dat de rechtbank reden ziet af te wijken van de hoofdregel – de woning voor een waarde van € 420.000,- aan haar moet worden toebedeeld. Dit bedrag is gebaseerd op de recente verkoopprijs van een vergelijkbare woning in de buurt.



4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan dan de hoofdregel voorschrijft. Het bestaan van een taxatierapport uit december 2024 en de verwijzing naar een verkoopprijs van een mogelijk vergelijkbare woning in oktober 2025 zijn daarvoor onvoldoende.



4.14.
Dit betekent dat de actuele marktwaarde van de woning getaxeerd moet worden. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken en afgesproken op welke wijze dit (praktisch) zal plaatsvinden. De man mag drie taxateurs voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken na de datum van dit vonnis. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde taxateurs uitkiezen. Zij krijgt daarvoor ook een termijn van twee weken, vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen. Partijen dienen vervolgens binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur voor de taxatie van de actuele marktwaarde van de woning. Partijen dragen ieder de helft van de kosten daarvan.



4.15.
Ter zitting hebben partijen verklaard dat de uitkomst van de taxatie voor partijen bindend zal zijn.



4.16.
Uiterlijk twee weken na ontvangst van het taxatierapport, dient de man aan de vrouw schriftelijk mee te delen of hij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de man de woning wenst over te nemen, zal de woning aan hem worden toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee weken plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.



4.17.
Mocht de man de woning niet willen of niet (onder de hiervoor genoemde voorwaarden) kunnen overnemen, dan mag de vrouw proberen de woning over te nemen. In dat geval dient zij binnen twee weken na het bericht van de man dat hij de woning niet wenst over te nemen of na het verstrijken van de termijn van drie maanden, aan de man schriftelijk mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de vrouw de woning wenst over te nemen, zal de woning aan haar worden toegedeeld onder dezelfde (opschortende) voorwaarden die in de vorige overweging zijn genoemd.



4.18.
In het geval de woning aan de man of de vrouw wordt toegedeeld, dienen zij mee te werken aan de notariële overdracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de partij aan wie de woning wordt toegedeeld.



4.19.
Op het moment dat duidelijk is dat beide partijen niet in staat zijn de woning over te nemen, moet de woning in de verkoop gezet worden. De rechtbank zal beschrijven hoe dit proces zal moeten verlopen.



4.20.
De man mag drie makelaars voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet kan overnemen. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde makelaars uitkiezen. Zij krijgt hiervoor een termijn van twee weken vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen.



4.21.
Partijen verlenen in dat geval binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan de makelaar. Partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen. Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen.



4.22.
Partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen. Zij moeten hun volledige medewerking verlenen aan het verkoopproces, waaronder het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar voor het (laten) maken van foto’s van de woning en bezichtigingen door potentiële kopers. Partijen mogen zelf niet aanwezig zijn bij die bezichtigingen.



4.23.
Indien een bod op de woning wordt gedaan, dienen partijen dit te accepteren als de makelaar dit adviseert. Partijen dienen na het tot stand komen van een koopovereenkomst mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst. Partijen dienen ook mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken. De kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning dragen partijen ieder voor de helft.



4.24.
In het geval een van partijen het aandeel van de ander in de woning overneemt, geldt dat de overnemende partij de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening) aan de andere partij dient te betalen. In het geval de woning moet worden verkocht, is het uitgangspunt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de overwaarde.



4.25.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, zoals in de beslissing is bepaald.



4.26.
Partijen hebben beide gevorderd dat de rechtbank de andere partij veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en dat de rechtbank aan die medewerking een dwangsom verbindt. Waar het gaat om rechtshandelingen die partijen jegens elkaar verplicht zijn te verrichten, zal de rechtbank op grond van artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van partijen in het geval een partij zijn of haar medewerking weigert. Nu beide partijen daarnaast ter zitting hebben verklaard dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de woning, ziet de rechtbank geen aanleiding om over en weer dwangsommen aan partijen op te leggen.


Het exclusief gebruik van de woning




4.27.
De man vordert het exclusief gebruik van de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen, in die zin dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt vanaf 1 mei 2026. Dit betekent dat de man vanaf 1 mei 2026 de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen.


Gebruiksvergoeding en eigenaarslasten




4.28.
De vrouw vordert dat de man een gebruiksvergoeding aan haar betaalt vanaf 27 februari 2025 tot het moment dat zij niet meer hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening van de woning. De man vordert dat de vrouw gehouden is de helft van de vaste lasten die zijn verbonden aan de woning te dragen over de periode vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat hij exclusieve gebruik krijgt.



4.29.
De rechtbank stelt vast dat partijen tot op heden geen afspraak hebben gemaakt over wie wanneer in de woning mag verblijven. Ook is er niets afgesproken over de verdeling van de eigenaars- en gebruikerslasten.



4.30.
Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in februari 2025 de woning heeft verlaten nadat de spanningen tussen partijen opliepen. Vanaf maart 2025 woonde zij niet meer in de woning, maar kwam zij eens in de twee dagen nog wel kort in de woning om post op te halen en haar katten te verzorgen. De man heeft dat niet betwist. Hij woonde vanaf maart 2025 dus alleen in de woning, met dien verstande dat de vrouw af en toe nog langs kwam voor de katten en de post. De man heeft ter zitting verklaard dat ook hij de woning heeft verlaten en in of omstreeks juni 2025 ”uit zelfbescherming” tijdelijk elders is gaan wonen. De vrouw betwist dat de man de woning heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de man niet meer in de woning verbleef, dit een eigen keus van de man was.



4.31.
De vrouw kan daarom ten laste van de man aanspraak maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. Daar staat het volgende tegenover.



4.32.
De man en de vrouw dienen als mede-eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning te dragen. Vanaf 27 februari 2025 heeft de man alleen in de woning gewoond, zodat de gebruikerslasten vanaf die datum voor zijn rekening komen. De rechtbank stelt de eigenaarslasten met betrekking tot de woning als volgt vast:










- Hypotheek





843,35







- Nationale Nederlanden





28,62







- Univé





76,12







- Hoogheemraadschap





41,70





















Totaal





989,79









Dit betekent dat de man en de vrouw in beginsel ieder een bedrag van € 494,89 per maand verschuldigd zijn voor de eigenaarslasten van de woning.



4.33.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eigenaarslasten aan de verschillende instanties heeft betaald. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw maandelijks een bedrag aan de man heeft betaald. In april 2025 was dit € 234,03, in mei 2025 € 678,00, in juni 2025 € 436,50 en vanaf juli 2025 € 270,95 per maand. Dit betekent dat de man in beginsel nog een vordering op de vrouw heeft voor de eigenaarslasten van de woning.



4.34.
De rechtbank vindt het echter praktisch en redelijk de gebruiksvergoeding waarop de vrouw nog aanspraak kan maken en de eigenaarslasten waarop de man nog aanspraak kan maken, tegen elkaar weg te strepen (met elkaar te verrekenen), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een hogere gebruiksvergoeding redelijk is, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.



4.35.
Voor de periode vanaf 1 mei 2026 geldt, zoals hiervoor in 4.27 is overwogen, dat de man de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet redelijk de man nog een (aanvullende) gebruiksvergoeding aan de man te laten betalen vanaf die datum.



4.36.
De vorderingen over de betaling van een gebruiksvergoeding en de eigenaars- en gebruikerslasten worden dan ook over en weer afgewezen.


Vergoedingsrechten man




4.37.
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, omdat hij met zijn privévermogen verschillende investeringen in de gezamenlijke woning heeft gedaan. Het gestelde vergoedingsrecht bestaat uit twee delen:


Een bedrag van € 33.803,- dat hij bij aankoop van de woning heeft ingelegd;


Een bedrag van € 54.235,58 aan investeringen die hij in de woning heeft gedaan.



In totaal gaat het daarmee om een vordering van € 88.056,58. Volgens de man is de vrouw hem de helft van dit bedrag – een bedrag van € 44.028,29 – verschuldigd.



4.38.
De man stelt primair dat partijen al bij de aankoop van de woning hebben afgesproken dat er een vergoedingsrecht zou zijn op het moment dat de relatie zou eindigen. Er is een “rondetafelgesprek” geweest bij de notaris waar is besproken hoe, en wat daarvoor schriftelijk zou moeten worden vastgelegd. Dat zag zowel op de inbreng van de man bij de aankoop van de woning als op toekomstige investeringen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zowel de heer C. Luca (makelaar) als mevrouw S. Hartog (hypotheekadviseur), waaruit de afspraak over de vergoedingsrechten zou blijken. Hoewel het klopt dat partijen vervolgens geen werk hebben gemaakt van het schriftelijk vastleggen van de afspraak, is overeengekomen dat de vrouw de helft van de door de man ingelegde bedragen moe terugbetalen, aldus de man.



4.39.
De vrouw betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Het klopt dat de man financieel heeft bijdragen bij de aankoop van de woning en dat er bij de aankoop van de woning een adviesgesprek is geweest over het maken van afspraken daarover. Partijen hebben er vervolgens echter voor gekozen om van het maken van afspraken en het schriftelijk vastleggen daarvan af te zien. Volgens de vrouw heeft zij zelf veel aan werk aan de woning gedaan en heeft de man toen op enig moment gezegd “ik werk hard, jij werkt hard, we doen het samen” en “laat maar zitten”.



4.40.
Niet in geschil is dat de man het door hem genoemde bedrag heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en dat hij na aankoop investeringen in de woning heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat partijen hebben gesproken over het maken en vastleggen van een afspraak over de vergoedingsrechten. Dat er over gesproken is volgt ook uit de verklaringen die door de man zijn overgelegd. Zowel de makelaar als de hypotheekadviseur hebben geadviseerd om een en ander schriftelijk te laten vastleggen. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat partijen onderling overeenstemming hadden over het bestaan dan wel het vastleggen van zo een afspraak. De hypotheekadviseur heeft partijen ook gewezen op het ontbreken van wederzijdse rechten bij gebreke van een samenlevingscontract. De rechtbank stelt vast dat het advies van de makelaar en de hypotheekadviseur uiteindelijk niet is uitgevoerd en dat er schriftelijk niets is vastgelegd. Dat partijen bij de notaris een adviesgesprek hebben gevoerd, is onvoldoende voor het aannemen van een tussen partijen geldende afspraak over de vergoedingsrechten. Het ligt op de weg van de man om te stellen en aannemelijk te maken dat er tussen partijen (stilzwijgende) bindende afspraken gemaakt zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat er afspraken tussen de man en de vrouw zijn gemaakt die inhouden dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens door zijn financiële inbreng bij aankoop van de woning of voor latere investeringen in de woning die de man uit privévermogen heeft betaald. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering.



4.41.
Dit betekent dat de man op de door hem primair aangevoerde grondslag geen vorderingsrecht op de vrouw heeft. De man heeft nog drie andere grondslagen aangevoerd op grond waarvan de vrouw hem een vergoeding verschuldigd zou zijn: onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. Deze grondslagen zal de rechtbank hierna bespreken.


Onverschuldigde betaling




4.42.
Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW is sprake, indien door een partij een geldsom is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat die de betaling rechtvaardigt.



4.43.
De man stelt dat hij uit privémiddelen heeft bijgedragen aan de gezamenlijke woning en dat deze investeringen niet gebaseerd zijn op een overeenkomst of een afspraak die hem verplichtte te betalen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling.
De vrouw voert aan dat het aan de man is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit moet worden afgeleid dat een rechtsgrond voor de investeringen ontbreekt. Dit heeft de man volgens de vrouw onvoldoende gedaan, zodat zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.



4.44.
De rechtbank wijst de vordering van de man op de vrouw op grond van onverschuldigde betaling af. De man heeft de betreffende betalingen niet aan de vrouw gedaan, zodat alleen al om die reden geen sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw en zij op deze grondslag dus niet gehouden is enig bedrag terug te betalen aan de man. Zelfs als zou komen vast te staan dat een rechtsgrond voor de door de man betaalde bedragen ontbreekt, geldt dus dat de man de ontvanger van de (onverschuldigd) betaalde gelden zou moeten aanspreken en niet de vrouw.


Ongerechtvaardigde verrijking




4.45.
De man stelt dat de gezamenlijke woning van partijen in waarde is gestegen door de investeringen die hij in de woning heeft gedaan. De man heeft de investeringen uit privémiddelen betaald, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft gekregen. De man is daardoor verarmd, terwijl de vrouw als gevolg van de waardestijging van de woning is verrijkt. Volgens de man is er daarom sprake van onrechtvaardige verrijking van de vrouw en moet zij de helft van de door hem gedane investeringen vergoeden.



4.46.
Ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is pas aan de orde indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een verrijking van de vrouw, (2) ten koste van de man en (3) deze verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.



4.47.
De rechtbank oordeelt als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning door de gedane investeringen in waarde is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat een eventuele waardestijging in ieder geval niet het gevolg is van de inleg van de man bij de aankoop van de woning. Dat de waarde van de woning als gevolg van de investeringen is gestegen wordt door de man wel gesteld, maar niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting van de man blijkt niet wat het effect van de verbouwing is geweest voor de waarde van de woning. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de vrouw door de verbouwing is verrijkt doordat de waarde van de woning is toegenomen.



4.48.
Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan ook in het geval een verbouwing niet heeft geleid tot een waardestijging van een woning toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, indien de kosten ten behoeve van de verbouwing voor rekening van één partij zijn gekomen en de andere partij zich die kosten heeft bespaard. Voor het oordeel dat de andere partij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat als de eerste partij die kosten niet voor zijn rekening had genomen, de andere partij de kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.



4.49.
Het is dus de vraag of de vrouw de kosten voor de gedane investeringen in de gezamenlijke woning zou hebben gedaan, als de man dat niet had gedaan. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij dat niet zou hebben gedaan, omdat zij daar financieel niet toe in staat geweest was. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de kosten voor de investeringen zou hebben gemaakt, zodat niet valt in te zien dat de betalingen door de man ongerechtvaardigd zijn gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking daarom af.


Redelijkheid en billijkheid




4.50.
Om een vergoedingsrecht aan te nemen uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid, dient de man bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht bestaat. De man heeft slechts gesteld dat het zijn geld was en dat het niet eerlijk is dat de vrouw daar nu van profiteert. Dit zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden, zeker niet nu uit de processtukken en wat is besproken op de zitting het beeld rijst dat de vrouw ook betalingen heeft verricht ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid af.


Vergoedingsrechten vrouw




4.51.
De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 17.830,44. Van een afspraak tussen partijen over het bestaan van dit vergoedingsrecht is niet gebleken. Ter zitting heeft de vrouw ook verteld dat er geen afspraken zijn geweest. Dat sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van onverschuldigde betaling of de redelijkheid en billijkheid is door de vrouw niet gesteld. De vrouw heeft wel gesteld dat er een vergoedingsrecht bestaat uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, maar zij heeft dit niet inhoudelijk toegelicht. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af.


Inboedellijst




4.52.
De man vordert dat de goederen op de inboedellijst zoals overgelegd in productie 31 bij de dagvaarding aan hem worden toebedeeld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij al haar spullen al uit de woning heeft meegenomen. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen.


Geldlening




4.53.
De vrouw stelt dat de man op 6 november 2020 een bedrag van € 6.500,- van haar heeft geleend. De man heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend van de vrouw, zodat de vordering van de vrouw tot terugbetaling van dit bedrag kan worden toegewezen.



4.54.
De vrouw vordert ook wettelijke rente over het geleende bedrag. Primair vordert zij de wettelijke rente vanaf 6 november 2020. De rechtbank stelt voorop dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man rente over de hoofdsom hoeft te betalen. De rechtbank overweegt dat de man daarom pas rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim verkeert. De man verkeerde op 6 november 2020 niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die dag verschuldigd kan zijn. Subsidiair vordert de vrouw de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. Het is juist dat een conclusie als ingebrekestelling kan dienen. Daarvoor is echter wel vereist dat die conclusie dan voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6:82 BW. In de conclusie wordt het bedrag van de geldlening voor het eerst opgevraagd en wordt door de vrouw niets gezegd over een termijn waartegen het bedrag moet zijn ontvangen. Dit betekent dat de conclusie niet voldoet aan de gestelde vereisten, zodat de man geen wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de geldlening.



4.55.
Ten slotte vordert de vrouw incassokosten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken van verrichte incassowerkzaamheden, zodat er geen incassokosten verschuldigd zijn.


Uitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling




4.56.
De vrouw heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de man om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzocht om te bepalen dat de man zekerheid stelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten dat dit verweer alleen geldt als de rechtbank de woning aan de man toedeelt tegen een waarde van € 405.000,-. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De rechtbank zal dit verweer daarom verder niet bespreken en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zonder zekerheidstelling) verklaren.


Proceskosten




4.57.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing

De rechtbank


in conventie en reconventie



5.1.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] en bepaalt:


dat de man binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning;


dat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt opdracht dienen te verstrekken aan de taxateur om de woning te taxeren tegen de actuele marktwaarde;


dat de uitkomst van de taxatie voor beide partijen bindend is en dat beide partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te betalen;


dat de man binnen twee weken nadat de getaxeerde waarde van de woning schriftelijk aan partijen kenbaar is gemaakt, aan de vrouw schriftelijk dient mee te delen of hij de woning tegen die getaxeerde waarde wenst over te nemen;


dat de man, indien hij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 4 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;


dat, indien de man slaagt in het bepaalde onder 5, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;


dat, indien de man niet binnen de 4 genoemde termijn aan de vrouw meedeelt dat hij de woning wenst over te nemen of meedeelt de woning niet willen overnemen of indien hij niet slaagt in het bepaalde onder 5, de vrouw binnen twee weken daarna aan de man schriftelijk dient mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarden wenst over te nemen;


dat de vrouw, indien zij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de vrouw de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) zij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 7 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;


dat, indien de vrouw slaagt in het bepaalde onder 8, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw en de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;


dat, indien geen van partijen de woning wenst over te nemen of er in slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde, de woning verkocht dient te worden;


dat de man dan binnen twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet wil of kan overnemen drie makelaars aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken één uitkiest;


dat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt, opdracht dienen te verstrekken aan de gekozen makelaar om de woning te verkopen;


dat partijen binnen twee weken na opdrachtverlening in onderling overleg en met de makelaar de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen, Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen. Ook moeten partijen alle verdere adviezen en aanwijzingen van de makelaar over het verkooptraject opvolgen;


dat partijen moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar of door hem ingeschakelde hulppersonen voor onder meer het maken van foto’s van de woning en aan de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen van de woning. Partijen zullen niet aanwezig zijn bij bezichtigingen;


dat partijen, indien een bod op de woning wordt gedaan, dit dienen te accepteren als de makelaar dit adviseert;


dat partijen dienen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst;


dat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken;


dat partijen ieder de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) dragen;


dat de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening dient te worden aangewend;


dat partijen een eventuele overwaarde of een eventuele restschuld bij helfte dienen te verdelen.





5.2.
bepaalt dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.1.,



5.3.
bepaalt dat indien één van partijen niet (tijdig) meewerkt aan het bepaalde onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door de betreffende partij ondertekende volmacht aan de andere partij om de in deze veroordeling omschreven rechtshandeling(en) te verrichten,



5.4.
bepaalt dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man mag betreden vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde,



5.5.
bepaalt dat vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde de volledige eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor rekening van de man komen,



5.6.
bepaalt dat de goederen die op de inboedellijst (productie 31 van de man) staan aan de man worden toebedeeld,



5.7.
veroordeelt de man een bedrag van € 6.500,- aan de vrouw te betalen,



5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.



De man heeft afgesproken de waterschapsbelasting in tien termijnen van € 50,04 te betalen. Dit komt neer op een last van € 41,70 per maand (€ 50,04 x 10 = € 500,40 : 12 maanden).


Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.


Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012
Link naar deze uitspraak