|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:2349 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-25/795 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Art. 7:2, lid 1 Awb; art. 6.32, 6.33, lid 1, onderdelen a en b, 6.35, 6.38 Wet IB 2001. Geen schending hoorplicht en inzagerecht. Uitspraak op bezwaar niet prematuur. Geen aftrek specifieke zorgkosten. Geen giftenaftrek wegens intrekking ANBI-status en kwade trouw. Aanslag IB/PVV 2021 terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Geen toekenning vergoeding van immateriële schade. | | Trefwoorden | : | aftrekbare giften | | | anbi | | | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | belastingrecht | | | box 1 | | | inkomstenbelasting | | | persoonsgebonden aftrek | | | schenking | | | scholingsuitgaven | | | verzamelinkomen | | | zorgkosten | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/795
Uitspraak van 18 juni 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2025 (de Rechtbank), nummer SGR 24/9399.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.271 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 735 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 2 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een nader stuk overgelegd. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is in 2021 woonachtig in Nederland en gehuwd met [A] . Hij was blijkens een uittreksel uit de Kamer van Koophandel (KvK) met ingang van [datum] 2018 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam Collectief] (het Collectief), welk collectief staat ingeschreven op het woonadres van belanghebbende.
2.2.
Uit een uittreksel uit de KvK van 13 maart 2023 blijkt dat op 9 september 2022 met terugwerkende kracht tot [datum] 2018 [B] en [C] als bestuurders van het Collectief in de KvK zijn ingeschreven.
2.3.
De ANBI-status van het Collectief is op 24 oktober 2022 met terugwerkende kracht tot 23 maart 2018 door de Inspecteur ingetrokken. Het beroep hiertegen is bij onherroepelijke uitspraak van 22 december 2023 van rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2023:21971) ongegrond verklaard.
2.4.
Belanghebbende heeft per 1 januari 2016 een overeenkomst inzake periodieke giftenaftrek gesloten met het Collectief om voor onbepaalde tijd, echter voor ten minste 5 jaren, jaarlijks € 6.000 aan het Collectief te doneren.
2.5.
Belanghebbende is met ingangsdatum [datum] 2020 bestuurder van [naam Stichting] (de Stichting), waarvan de ANBI-status door de Inspecteur op 31 december 2022 met terugwerkende kracht tot 2 juli 2020 is ingetrokken. Het beroep hiertegen is bij onherroepelijke uitspraak van 22 december 2023 van rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2023:22037) ongegrond verklaard.
2.6.
Belanghebbende heeft op 6 april 2022 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 (de aangifte) ingediend naar een verzamelinkomen van € 7.015, bestaande uit:
Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking in box 1 € 4.780
Inkomen uit vroegere dienstbetrekking in box 1 € 20.510
Aftrek specifieke zorgkosten € 1.596 -/-
Aftrek scholingsuitgaven € 19 -/-
Giftenaftrek € 17.600 -/-
Verzamelinkomen € 7.015
Bij de giftenaftrek heeft belanghebbende vermeld dat het om periodieke giften gaat, te weten een bedrag van € 4.800 en van € 5.000 aan de Stichting en een bedrag van € 7.800 aan het Collectief.
2.7.
Met dagtekening 22 juli 2022 is een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd conform de ingediende aangifte, resulterend in een te ontvangen bedrag van € 4.794.
2.8.
De Inspecteur heeft bij brief van 3 april 2024 vragen gesteld over de in de aangifte opgenomen aftrek specifieke zorgkosten en gesteld dat volgens hem geen recht bestaat op giftenaftrek.
2.9.
Nadat de Inspecteur geen reactie had ontvangen op deze brief, heeft hij bij brief van 13 mei 2024 aangekondigd van plan te zijn om van de aangifte af te wijken, in de zin dat de aftrek van specifieke zorgkosten van € 1.596 en de (door belanghebbende) aangegeven giftenaftrek van € 16.600 zou worden gecorrigeerd tot nihil. Ook op dit voornemen heeft belanghebbende niet gereageerd.
2.10.
Met dagtekening 18 juni 2024 is de aanslag vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 25.271, waarbij enkel de scholingsuitgaven als aftrekbare kosten in aanmerking zijn genomen. De aanslag betreft een te betalen bedrag van € 7.306, inclusief € 736 aan in rekening gebrachte belastingrente.
2.11.
Op 30 juli 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
2.12.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft de Inspecteur verzocht om informatie met betrekking tot het ingediende bezwaarschrift. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
2.13.
Op 25 oktober 2024 heeft belanghebbende een ingebrekestelling ingediend met betrekking tot het te laat doen van uitspraak op bezwaar.
2.14.
Met dagtekening 29 oktober 2024 heeft de Inspecteur een voorgenomen uitspraak op bezwaar verzonden, waarin hij aangeeft voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen. Tevens wordt belanghebbende in die brief in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorgenomen uitspraak en om te worden gehoord.
2.15.
Naar aanleiding van de op 25 oktober 2024 ontvangen ingebrekestelling heeft de Inspecteur met dagtekening 31 oktober 2024 per aangetekende post een brief naar belanghebbende gestuurd waarin de Inspecteur drie data voorstelt waarop een hoorgesprek kan plaatsvinden. De brief van 31 oktober 2024 is door belanghebbende op 1 november 2024 om 15:06 uur ontvangen zo blijkt uit de track en trace informatie van PostNL.
2.16.
Bij aangetekende brief van 4 november 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Deze brief is door belanghebbende op 5 november 2024 om 15:26 uur ontvangen blijkens de track en trace informatie van PostNL. Vervolgens heeft belanghebbende op 5 november 2024 telefonisch contact opgenomen met de Inspecteur en aangegeven dat hij op dat moment telefonisch door de Inspecteur wilde worden gehoord. Op 5 november 2024 heeft een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden, waarvan een hoorverslag is opgemaakt.
2.17.
Met dagtekening 7 november 2024 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen. De uitspraak op bezwaar is per aangetekende post verzonden
en door belanghebbende op 8 november 2024 om 13:57 uur ontvangen volgens de track en trace informatie van PostNL.
Oordeel Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“21. Op grond van artikel 6.1, eerste en tweede lid, onder d en h, van de Wet IB 2001 zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten en aftrekbare giften als persoonsgebonden aftrek aftrekbaar als aan de voorwaarden is voldaan. De bewijslast voor deze aftrek rust op eiser.
22. In artikel 6.17 van de Wet IB 2001 is limitatief opgenomen welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. In de aangifte heeft eiser de volgende posten opgenomen: kosten voor medicijnen € 1.863; uitgaven voor hulpmiddelen € 312; reiskosten in verband met ziekte € 150; genees- en heelkundige hulp € 1.412, en reiskosten ziekenbezoek € 755. Eiser heeft evenwel geen bewijsstukken of betalingsbewijzen overgelegd, en daarmee geen inzicht gegeven of de kosten op hem hebben gedrukt en/of voldoen aan de voor aftrek gestelde voorwaarden. Eiser heeft daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan voor de aftrek van specifieke zorgkosten. De stelling van eiser dat hij bepaalde brieven niet heeft ontvangen, wat daar verder van zij, doet hier niet aan af. De aftrek specifieke zorgkosten is terecht geweigerd. Het beroep is in zoverre ongegrond.
23. Op grond van artikel 6.32, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder aftrekbare giften verstaan periodieke giften en andere giften. In artikel 6.34 van de Wet IB 2001 is bepaald dat periodieke giften, giften in de vorm van vaste en gelijkmatige uitkeringen zijn die uiterlijk eindigen bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. In artikel 6.35 van de Wet IB 2001 is bepaald dat onder ‘andere giften’ wordt verstaan giften aan instellingen of steunstichtingen SBBI. Onder instellingen wordt ingevolge artikel 6.33, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 verstaan algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s). De voorwaarden voor het in aanmerking nemen van periodieke giften en andere giften staan in respectievelijk artikel 6.38 en artikel 6.39 van de Wet IB 2001.
24. In artikel 1a van de UR AWR staat dat een instelling door de inspecteur aangemerkt wordt als een ANBI indien en zolang:
“a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft;
b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient;
c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen (..).”
Op grond van artikel 5b, zevende lid, van de AWR heeft de inspecteur de mogelijkheid om de ANBI-status van een instelling met terugwerkende kracht in te trekken.
25. In het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014, nr. BLK-B2014/1415M, Stcrt. 2014, 36877 waarin het beleid over de giftenregeling en
het aanmerken als ANBI staat, is het volgende opgenomen:
“Een belastingplichtige mag ervan uitgaan dat een in het ANBI-register vermelde instelling ook daadwerkelijk als ANBI kwalificeert. Daarom zijn betalingen die worden gedaan na het verlies van de ANBI-status aftrekbaar zolang de ANBI-status in het ANBI-register van de Belastingdienst wordt vermeld. Dit geldt niet als sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige.”
26. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangegeven giften aftrekbaar zijn. Allereerst is geen sprake geweest van giften aan ANBI’s, nu de ANBI-status van het Collectief en van de Stichting in 2021 reeds was ingetrokken. Voorts kan eiser geen beroep doen op het hiervoor genoemde besluit van 19 december 2014, omdat eiser als (enig) bestuurder van het Collectief en de stichting moet hebben geweten dat niet was voldaan aan de voorwaarden om te kwalificeren als ANBI. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aangegeven giften op hem hebben gedrukt, of dat anderszins aan de voorwaarden gesteld in artikel 6.37 en artikel 6.38 van de Wet IB 2001 is voldaan. Zodat ook reeds daarom de giftenaftrek terecht is geweigerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.
27. Het hoorrecht is niet geschonden, gelet op de brieven van verweerder van 29 oktober 2024 en 4 november 2024 en nu eiser op zijn verzoek op 5 november 2025 telefonisch is gehoord. Daarnaast heeft verweerder eiser in voormelde brieven gewezen op zijn inzagerecht. Eiser heeft niet om inzage verzocht. Het inzagerecht is daarom ook niet geschonden. De stelling van eiser dat hij in zijn belangen is geschaad door het niet ontvangen van de brieven voorafgaand aan het hoorgesprek, wat daar verder van zij, slaagt niet. Dat eiser ervoor heeft gekozen om geen bewijsstukken te overleggen, dient voor zijn rekening en risico te komen. Tot slot verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het feit dat eiser het verweerschrift een dag voor de zitting per e-mail heeft ontvangen. Mede gelet op zijn uitvoerige pleitnota is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn procesbelangen is geschaad. De rechtbank ziet, gelet op al het voorgaande, ook geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar verweerder.
28. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze te hoog is.
29. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is primair of de hoorplicht en het inzagerecht zijn geschonden, de uitspraak op bezwaar prematuur is en de zaak om die reden dient te worden teruggewezen naar de Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend. In het geval het Hof het verzoek om terugwijzing van de zaak afwijst, is subsidiair in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten (€ 1.596) en op giftenaftrek (€ 17.600).
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, primair tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur in verband met schending van de hoorplicht en het inzagerecht, subsidiair tot vermindering van de aanslag en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het beroep
Schending hoorplicht, schending inzagerecht en premature beslissing op bezwaar
5.1.
Belanghebbende stelt primair dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, hetgeen de Inspecteur betwist.
5.2.
Belanghebbendes primaire standpunt faalt. Daartoe overweegt het Hof het volgende. Vaststaat dat belanghebbende bij brieven van de Inspecteur van 29 oktober 2024, 31 oktober 2024 en 4 november 2024 in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Er is een hoorgesprek gevoerd, weliswaar telefonisch, maar dat is op initiatief van belanghebbende op die wijze gebeurd (zie 2.16). Dat de uitnodiging voor de hoorzitting niet minimaal tien dagen voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar van 7 november 2024 naar belanghebbende is verzonden, komt voor zijn rekening en risico. Belanghebbende heeft de Inspecteur immers bij brief van 25 oktober 2024 in gebreke gesteld om binnen veertien dagen uitspraak op bezwaar te doen, zodat dit niet aan de Inspecteur kan worden tegenworpen. Daar komt bij dat uit de inhoud van het hoorverslag volgt dat belanghebbende en de Inspecteur de aftrek van specifieke zorgkosten en de giftenaftrek hebben besproken, en dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld een nadere onderbouwing te verschaffen, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven.
5.3.
Voor zover belanghebbende de ontvangst van de hiervoor vermelde brieven betwist, moet worden geoordeeld dat uit de vaststaande feiten volgt dat belanghebbende in ieder geval de aangetekend verzonden brieven van 31 oktober en 4 november 2024 in ontvangst heeft genomen (zie 2.14 tot en met 2.16). In deze brieven is belanghebbende eveneens gewezen op zijn inzagerecht, waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt. Uit het hoorverslag blijkt niet dat belanghebbende een opmerking heeft gemaakt wat betreft het inzagerecht. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat hetgeen in het hoorverslag staat vermeld niet juist is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat belanghebbende gedurende de bezwaarfase geen reactie heeft gegeven op de juistheid van het vermelde in het hoorverslag en de inhoud daarvan pas in beroep heeft betwist. Belanghebbende heeft daarom niet geconcretiseerd dat hij gebruik heeft willen maken van zijn inzagerecht.
5.4.
De hoorplicht en het inzagerecht zijn derhalve niet geschonden.
5.5.
Gelet op de ingebrekestelling van 25 oktober 2024, faalt ook de stelling van belanghebbende dat hij tot 12 november 2024 de gelegenheid had om te reageren en de uitspraak op bezwaar van 7 november 2024 daarom prematuur is. Daar komt bij dat uit het hoorverslag volgt dat de Inspecteur aan belanghebbende heeft voorgesteld om de beslistermijn te verlengen, hetgeen belanghebbende heeft afgewezen.
5.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het Hof geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur.
Persoonsgebonden aftrek
5.7.
Artikel 6.1, lid 2, aanhef en letters d en h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bepaalt dat uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften slechts in aftrek kunnen komen als zij op belanghebbende hebben gedrukt. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 omschrijft welke kosten als specifieke zorgkosten zijn aan te merken en artikel 6.32 van de wet IB 2001 omschrijft wat aftrekbare giften zijn.
Aftrek specifieke zorgkosten
5.8.
Met betrekking tot de kosten voor medicijnen van € 1.863, de uitgaven voor hulpmiddelen van € 312, de reiskosten in verband met ziekte van € 150, de genees- en heelkundige hulp van € 1.412 en reiskosten ziekenbezoek van € 755 die belanghebbende in de aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar in aanmerking heeft genomen, heeft hij pas in hoger beroep diverse facturen overgelegd. Met betrekking tot de kosten die voor fysiotherapie zijn gemaakt, is niet aannemelijk geworden dat deze kosten niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed en dus op belanghebbende hebben gedrukt. Indien overigens zou worden aangenomen dat deze kosten wel op belanghebbende hebben gedrukt, staat vast dat het totaalbedrag van € 205 onder de aftrekdrempel blijft. Voor de overige door belanghebbende gestelde uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het specifieke zorgkosten betreft als bedoeld in artikel 6.17, lid 1 van de Wet IB 2001 en dat deze niet uitgaven betreffen die niet aftrekbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 6.18, Wet IB 2001 dan wel dat deze op hem hebben gedrukt.
5.9.
De Rechtbank is bovendien terecht niet ingegaan op belanghebbendes stelling dat hij de genoemde brieven, waaronder de brief met de voorgenomen beslissing op bezwaar van 29 oktober 2024, niet heeft ontvangen en dat de Inspecteur zijn verzendadministratie had moeten overleggen. Een oordeel over het al dan niet ontvangen van de gestelde brieven doet niet af aan de omstandigheid dat belanghebbende de in de aangifte in aanmerking genomen uitgaven voor specifieke zorgkosten niet aannemelijk heeft gemaakt en het oordeel dat deze om die reden niet voor aftrek in aanmerking komen. Deze stelling behoeft derhalve geen behandeling voor het antwoord op de vraag of weigering van de aftrek van specifieke zorgkosten terecht is. Hetzelfde heeft te gelden voor het hierna onder 5.11 tot en met 5.19 overwogene.
5.10.
De Inspecteur heeft de aftrek voor specifieke zorgkosten terecht geweigerd.
Giftenaftrek
5.11.
Op grond van artikel 6.32 Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Op grond van artikel 6.33, lid 1, letter a, Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, lid 1, letter b, in verbinding met artikel 6:35 Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.
5.12.
Artikel 6.38 Wet IB 2001 bepaalt dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren en dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld waaraan de onderhandse akte van schenking moet voldoen.
5.13.
Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 Wet IB 2001).
5.14.
In artikel 1a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 staat dat een instelling door de inspecteur aangemerkt wordt als een ANBI indien en zolang:
“a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft;
b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient;
c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen”
5.15.
Op grond van artikel 5b, lid 7, van de AWR heeft de inspecteur de mogelijkheid om de ANBI-status van een instelling met terugwerkende kracht in te trekken.
5.16.
In het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014, nr. BLK-B2014/1415M, Stcrt. 2014, 36877 waarin het beleid over de giftenregeling en
het aanmerken als ANBI staat, is het volgende opgenomen:
“Een belastingplichtige mag ervan uitgaan dat een in het ANBI-register vermelde instelling ook daadwerkelijk als ANBI kwalificeert. Daarom zijn betalingen die worden gedaan na het verlies van de ANBI-status aftrekbaar zolang de ANBI-status in het ANBI-register van de Belastingdienst wordt vermeld. Dit geldt niet als sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige.”
5.17.
In geval van betwisting door de Inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de last de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek
5.18.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Gelet op de hiervoor onder 5.9 vermelde regelgeving moet sprake zijn van giften aan ANBI’s. Uit de vaststaande feiten volgt dat de ANBI-status van het Collectief en de Stichting in het onderhavige jaar reeds was ingetrokken, zodat geen giften aan een ANBI zijn gedaan. Het beroep van belanghebbende op het besluit zoals vermeld in 5.16 leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende kan daaraan geen vertrouwen ontlenen, nu belanghebbende ten tijde van het doen van de gestelde giften als bestuurder redelijkerwijs moet hebben geweten dat niet aan de voorwaarden voor de kwalificatie van ANBI werd voldaan. Aangenomen moet worden dat belanghebbende ten tijde van de gedane giften als bestuurder over een bijzondere kennis beschikte over de inrichting en het doel van het Collectief en de Stichting. Dat belanghebbende mogelijk niet steeds enig bestuurder is geweest, brengt niet mee dat hij redelijkerwijs niet kon weten dat aan de voorwaarden voor de kwalificatie van ANBI niet werd voldaan. Belanghebbende mocht er derhalve niet vanuit gaan dat de giften aftrekbaar waren door de enkele vermelding van het Collectief en de Stichting in het ANBI-register. Naar het oordeel van het Hof is daarom sprake van kwade trouw bij belanghebbende als bedoeld in het onder 5.16 vermelde Besluit. De giftenaftrek is terecht geweigerd.
5.19.
Het subsidiaire standpunt van belanghebbende slaagt evenmin.
Slotsom
5.20.
Het hoger beroep is ongegrond.
Vergoeding van immateriële schade
5.21.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade.
5.22.
Op grond van vaste jurisprudentie (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Die termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Voor de behandeling van het hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld.
5.23.
De Inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 30 juli 2024. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 24 oktober 2025. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot en met de uitspraak van de Rechtbank zijn afgerond vijftien maanden verstreken, zodat de voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen geldende termijn van twee jaar niet is overschreden. Het hoger beroep is 12 november 2025 ingesteld en het Hof doet binnen twee jaar nadien uitspraak, zodat ook de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep niet is overschreden.
5.24.
Gelet op het voorgaande is de redelijke termijn niet overschreden. Het verzoek om een vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is bij afwezigheid van de griffier vastgesteld door H.A.J. Kroon, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit.
De voorzitter,
H.A.J. Kroon
De beslissing is op 18 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|