|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:5958 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25/1277 en 25/5835 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Invorderingskosten zijn terecht door de ontvanger in rekening gebracht. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | box 3 | | | inkomstenbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1277 en 25/5835
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juli 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats] (Filipijnen), belanghebbende,
en
de ontvanger van de Belastingdienst, Centrale Administratieve Processen, de ontvanger.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 11 februari 2025.
De ontvanger heeft ter zake van het niet tijdig betalen van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) over de belastingjaren 2023 en 2024 invorderingskosten, bestaande uit aanmanings- en dwangbevelkosten, in rekening gebracht.
De ontvanger heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De ontvanger heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [persoon A] en [persoon B] namens de ontvanger. Belanghebbende is met kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.
Feiten
1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017 ter zake van zijn belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. In zijn bezwaarschrift staat dat hij ook voor alle volgende jaren bezwaar maakt. Dit bezwaar is op 15 september 2023 door de inspecteur ontvangen.
2. De inspecteur heeft op 25 september 2023 een ontvangstbevestiging verstuurd. Voor zover relevant staat hierin het volgende:
“U hebt uitstel van betaling
Hebt u bezwaar gemaakt tegen een aanslag die u nog moet betalen? Dan hebt u uitstel van betaling totdat u onze beslissing op uw bezwaar krijgt. (…)
Overzicht
MiddelInkomstenbelasting en premie volksverzekering
Periode
2017
(…)”
3. Op 20 februari 2024 heeft de inspecteur belanghebbende met een brief geïnformeerd dat zijn bezwaar meeloopt in de zogeheten ‘massaalbezwaarplus’-procedure. In deze brief staat voor zover relevant het volgende.
“Wij bekijken of u alsnog in aanmerking komt voor rechtsherstel
Wij richten een procedure in voor iedereen die te laat was voor het massaal bezwaar en dus geen rechtsherstel box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 kreeg. (…)
U doet automatische mee met de procedureAls de Hoge Raad oordeelt dat ook degenen die geen (tijdig) bezwaar hebben gemaakt in aanmerking komen voor rechtsherstel box 3, zal dat voor iedereen gelden. Ook als u voor (1 van) de jaren 2017-2020 geen bezwaar of verzoek hebt ingediend. U doet dus automatisch mee met de procedure en hoeft over de andere jaren geen bezwaar over verzoek meer in te dienen.
(…)
Overzicht
MiddelInkomstenbelasting en premie volksverzekering
Periode
2017”
4. De inspecteur heeft op 31 januari 2024 een voorlopige aanslag IB/PVV over het belastingjaar 2024 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 3.739. De verschuldigde belasting moet uiterlijk op 29 februari 2024 op de rekening van de Belastingdienst zijn ontvangen.
5. Belanghebbende heeft de verschuldigde belasting van € 3.739 niet tijdig betaald. De ontvanger heeft hem daarom op 17 april 2024 een aanmaning gestuurd, waarbij € 19 aan aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Daarnaast heeft de ontvanger belanghebbende een nieuwe uiterlijke betalingstermijn gesteld van twee weken na de dagtekening.
6. Ook binnen de nieuwe betalingstermijn heeft belanghebbende de verschuldigde belasting niet betaald. De ontvanger heeft daarom op 15 mei 2024 een dwangbevel uitgevaardigd en daarbij € 101 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
7. De inspecteur heeft op 21 juni 2024 een nieuwe voorlopige aanslag IB/PVV over het belastingjaar 2023 opgelegd naar een (meer) te betalen bedrag van € 1.242. De verschuldigde belasting en premie moet uiterlijk op 2 augustus 2024 op de rekening van de Belastingdienst zijn ontvangen.
8. Belanghebbende heeft de verschuldigde belasting van € 1.242 niet tijdig betaald. De ontvanger heeft hem daarom op 22 augustus 2024 een aanmaning gestuurd, waarbij € 19 aan aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Daarnaast heeft de ontvanger belanghebbende een nieuwe uiterlijke betalingstermijn gesteld van twee weken na de dagtekening.
9. Ook binnen de nieuwe betalingstermijn heeft belanghebbende de verschuldigde belasting niet betaald. De ontvanger heeft daarom op 11 september 2024 een dwangbevel uitgevaardigd en daarbij € 153 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
10. Belanghebbende heeft op 20 september 2024 bezwaar gemaakt tegen de hiervoor benoemde invorderingskosten.
11. Tot 25 juni 2026 stond voor, zover relevant, het volgende op de website van de Belastingdienst:
“Massaal bezwaar plus voor alle niet-bezwaarmakers
Massaal bezwaar plus is een procedure voor iedereen die geen of te laat bezwaar heeft gemaakt en dus geen rechtsherstel box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 heeft gehad. (…)
Het duurt nog enige tijd voordat er meer duidelijk is. Als er een regeling komt, gaat deze gelden voor 2017 tot en met 2020. (…)
(…) Hebt u geen bezwaar gemaakt of geen verzoek ingediend? Geen zorgen, dan doet u alsnog mee met massaal bezwaar plus. Het is niet nodig om bezwaar te maken of een verzoek in te dienen.”
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger terecht invorderingskosten in rekening heeft gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger terecht invorderingskosten in rekening heeft gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
14. Belanghebbende stelt dat de invorderingskosten onterecht in rekening zijn gebracht. Hij heeft namelijk uitstel van betaling gekregen vanwege zijn bezwaar ter zake van het belastingjaar 2017 en alle volgende jaren. De inspecteur heeft hem er niet op gewezen dat hij niet voor toekomstige jaren bezwaar kan maken en dat hij voor de belastingjaren na 2020 geen uitstel van betaling had, terwijl de inspecteur dat wel had moeten doen. Daarnaast is belanghebbende ervan uitgegaan dat hij voor latere belastingjaren ook uitstel van belasting zou krijgen vanwege wat hij op de website van de Belastingdienst heeft gelezen. Tot slot is tijdens een gesprek met de Belastingtelefoon bevestigd dat hij uitstel van betaling had en dat hij niet hoefde te reageren op de aanmaningen en dwangbevelen.
15. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024 niet heeft betaald voor de uiterste betalingstermijn zonder dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht. De ontvanger heeft daarom terecht aanmaningskosten in rekening gebracht.
16. De rechtbank stelt verder vast dat belanghebbende de voornoemde voorlopige aanslagen ook niet heeft betaald voor de uiterste betalingstermijn zonder dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht. De ontvanger heeft daarom terecht dwangbevelkosten in rekening gebracht.
17. Alles wat belanghebbende heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het is namelijk de eigen schuld van belanghebbende dat hij de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024 niet (tijdig) heeft betaald met als gevolg dat invorderingskosten in rekening zijn gebracht. De rechtbank heeft dat hieronder uiteengezet.
18. Allereerst kan een belanghebbende geen bezwaar maken tegen voorlopige aanslagen. De voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024 kunnen om die reden – los van het feit dat ook tegen toekomstige besluiten geen bezwaar kan worden gemaakt – niet meelopen in de uitstel van betaling die is verleend vanwege het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017. Daarnaast blijkt overduidelijk uit de door de inspecteur verstuurde brieven van 25 september 2023 en 20 februari 2024 dat belanghebbende alleen uitstel van betaling heeft gekregen ter zake van de belastingaanslagen over 2017 tot en met 2020 (zie overwegingen 2 en 3). Hetzelfde blijkt uit de website van de Belastingdienst (zie overweging 11). Belanghebbende had dus, ook zonder dat de inspecteur hem daarop heeft gewezen, moeten weten dat hij geen uitstel van betaling had voor de betaling van de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024.
19. Ten tweede heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een medewerker van de Belastingtelefoon een ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan, waaraan hij het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat hij de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024 en de invorderingskosten niet hoefde te betalen. De verklaring van belanghebbende over het telefonisch contact is namelijk veel te vaag. Zo verklaart hij dat hij weet dat dit contact voor 20 september 2024 was, omdat hij “niet erg relevante zaken, zoals de datum” vaak vergeet. Echter, hij verklaart ook niet met wie hij heeft gesproken en waar dit gesprek specifiek over ging, behalve dat hij niet zou hoeven te reageren op de aanmaningen en dwangbevelen. Hierbij houdt de rechtbank ook rekening met de stelling van de ontvanger dat hij onderzoek heeft gedaan naar het telefonisch contact tussen belanghebbende en de Belastingtelefoon en dat hij alleen een registratie van een telefoongesprek van 19 november 2024 heeft gevonden. In die context past namelijk de volgens belanghebbende door een medewerker van de Belastingtelefoon verstrekte informatie precies.
Conclusie en gevolgen
20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de invorderingskosten in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 22 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 11 van de Invorderingswet (Iw) in samenhang met artikelen 1 en 2 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kir).
Artikel 12 Iw in samenhang met artikelen 1 en 3, eerste lid, Kir.
Artikel 9.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Vgl. Hoge Raad 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2395. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|