|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:7625 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/742586 / HA ZA 23-10 | | Rechtsgebied | : | Goederenrecht | | Indicatie | : | Vonnis in incident. Mondelinge uitspraak. Deelgenoten in een gemeenschap. Gedaagde veroordeeld zich te onthouden van beschikkingshandelingen ten aanzien van gemeenschappelijk onroerend goed. Voor dergelijke handelingen bestaat geen contractuele grondslag. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/742586 / HA ZA 23-1050
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak in conventie,
verwerende partij in de hoofdzaak in reconventie,
gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.C.M. van Thiel.
tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie,
eisende partij in de hoofdzaak in reconventie,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.P. Kamerbeek,
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. M.R. Jöbsis, rechter, bijgestaan door mr. R.D. Lok als griffier.
Aanwezig zijn:
- [naam 1] , dochter van [eiser] ,
- [naam 2] , dochter van [eiser] ,
- [naam 3] , echtgenoot van [naam 2] ,
- mr. S.C.M. van Thiel, advocaat van [eiser] ,
- mr. R. Brand, advocaat van [eiser] ,
- [gedaagde] ,
- mr. S.P. Kamerbeek, advocaat van [gedaagde] ,
- mr. W.J. Zindel, advocaat van [gedaagde] .
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1De beoordeling in het incident
1.1.
De gevraagde voorlopige voorziening gaat over het hekwerk dat [eiser] heeft geplaatst om een uitbouw van de woning aan de [adres] te realiseren.
1.2.
Een van de uitgangspunten in deze zaak is dat de perceelgrenzen nog moeten worden bepaald. Daarover loopt de hoofdzaak nog. Een ander uitgangspunt is dat het kadastrale perceel met nummer [nummer 1] , waar de woning aan de [adres] op staat, inmiddels al uit de gemeenschap is gehaald en is overgedragen aan de B.V. van [eiser] . Zoals uit het tussenvonnis van 8 januari 2025 volgt, maakt het kadastrale perceel met nummer [nummer 2] nog wel onderdeel uit van de gemeenschap.
1.3.
Met het oog de verdeling van de gemeenschap is een deskundige benoemd. Het rapport van de deskundige is in de maak, maar nog niet gereed. De feitelijke situatie op dit moment is dat [eiser] een uitbouw van de woning aan de [adres] wil realiseren op het kadastraal perceel met nummer [nummer 2] en op dit perceel een hekwerk heeft geplaatst.
1.4.
Partijen hebben in het verleden, in ieder geval sinds 2008, gesproken over een uitbouw van de woning aan de [adres] , die zich zou uitstrekken over een deel van kadastraal perceel [nummer 2] . In de 2019-overeenkomst is het plan voor deze uitbouw ook terug te vinden. [eiser] stelt zich op het standpunt dat dit meebrengt dat partijen al overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van het stuk grond waarop die uitbouw zou komen te staan. Partijen hebben dit stuk grond al gewaardeerd en de verdeling daarvan afgesproken, aldus [eiser] .
1.5.
In het tussenvonnis van 8 januari 2025 is over de 2019-overeenkomst echter al geoordeeld dat partijen het over een aantal punten eens zijn geworden, maar geen overeenstemming hebben bereikt over een definitieve verdeling van de gemeenschap. Enkele elementen van de verdeling zijn uitgelicht in die overeenkomst, waaronder de woning aan de [adres] . Die woning is ook feitelijk overgedragen aan (de B.V. van) [eiser] met de levering van kadastraal perceel [nummer 1] . Partijen hebben echter geen uitvoering gegeven aan gedachten over de uitbouw van [adres] in die zin dat bijvoorbeeld ook een deel van kadastraal perceel [nummer 2] is meegeleverd. De situatie is dan ook nog altijd dat kadastraal perceel [nummer 2] onderdeel is van de gemeenschap.
1.6.
Het voorgaande brengt mee dat in de 2019-overeenkomst geen afspraak is te lezen die inhoudt dat het deel van het perceel waarop de uitbouw van [adres] zal moeten komen staan uit de gemeenschap is gehaald of dat [gedaagde] geen aanspraak meer kan maken op die grond. Er is dus geen contractuele grondslag voor zelfstandige beschikkingshandelingen van [eiser] ten aanzien van kadastraal perceel [nummer 2] . Dat betekent dat [eiser] het hekwerk niet op dat perceel had mogen plaatsen, zonder daarover in overleg te treden met [gedaagde] . Het perceel is nog steeds gemeenschappelijk eigendom en daarom mogen beschikkingshandelingen alleen in onderling overleg worden gedaan.
1.7.
De vordering onder A in het incident zal, gelet op het voorgaande, worden toegewezen. Dat wil zeggen dat [eiser] zal worden veroordeeld tot het (doen) verwijderen van het hekwerk dat op het gemeenschappelijk perceel met kadasternummer [nummer 2] is geplaatst. Hiervoor krijgt [eiser] een termijn van twee weken na heden.
1.8.
De vordering onder B luidt – kort gezegd – [eiser] te veroordelen de verwijderde bosschages terug te plaatsen. Ook hiervoor geldt dat deze niet zomaar verwijderd mochten worden. Deelgenoten in een gemeenschap mogen alleen handelingen dienende tot onderhoud of behoud zelfstandig verrichten; zij mogen niet zonder overleg grootonderhoud of soortgelijk beheer uitvoeren. Echter, voldoende belang bij een veroordeling om bosschages terug te plaatsen ontbreekt op dit moment. Weliswaar is er enige doorkijk, maar het is niet gebleken dat die op dit moment dusdanig verstorend is dat de gevorderde veroordeling op zijn plaats is. Er hoeven dus geen bosschages te worden teruggeplaatst.
1.9.
Op de zitting heeft [gedaagde] uitgelegd dat de vordering onder C specifiek ziet op de uitbouw van de woning aan de [adres] . Deze vordering zal worden toegewezen, zodat [eiser] wordt veroordeeld om zich van verdere beschikkingshandelingen te onthouden ten aanzien de door hem beoogde uitbouw van de woning op het gemeenschappelijk perceel met kadasternummer [nummer 2] . Ook moet [eiser] zich onthouden van beheershandelingen voor zover dat geen handelingen zijn waartoe hij op grond van artikel 3:170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wel individueel gerechtigd is.
1.10.
Aan de veroordelingen zal een dwangsom worden verbonden van € 5.000 per dag, tot een maximum € 100.000, voor iedere dag dat [eiser] in strijd handelt met één of meer van voornoemde veroordelingen.
1.11.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van dit incident draagt.
2De beslissing
De rechtbank
in het incident
2.1.
veroordeelt [eiser] om binnen twee weken na heden het hekwerk dat op het gemeenschappelijk perceel met kadasternummer [nummer 2] is geplaatst te (laten) verwijderen,
2.2.
veroordeelt [eiser] om zich te onthouden van (i) verdere beschikkingshandelingen ten aanzien van de door [eiser] beoogde uitbouw van de woning aan de [adres] op het gemeenschappelijk perceel met kadasternummer [nummer 2] , en (ii) beheershandelingen ten aanzien van dit perceel, voor zover dat geen handelingen zijn waartoe [eiser] op grond van artikel 3:170 lid 1 BW gerechtigd is.
2.3.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 2.1 of 2.2 voldoet, tot een maximum van € 100.000 is bereikt,
2.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
2.5.
verklaart 2.1 tot en met 2.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
2.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak (conventie en reconventie)
2.7.
houdt iedere beslissing aan.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.R. Jöbsis en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Waarvan proces-verbaal, | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|