|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:6913 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/788183 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | kort geding: vordering voortzetting bankrelaties wordt afgewezen. eisers hebben bedrijfsvoering en geldstromen niet inzichtelijk kunnen maken waardoor de bank haar onderzoek niet kon afronden. Daarom verplicht om bankrelatie op te zeggen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | tarieven | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788183 / KG ZA 26-422 MdV/BB
Vonnis in kort geding van 25 juni 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiser 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,3. [eiser 3] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 2 juni 2026,
hierna te noemen: gezamenlijk [eisers] en afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,
advocaat: mr. J. Hagers,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
advocaten: mr. M.E.G. Murris en mr. D. Verheij.
1De procedure
Op de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 hebben [eisers] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft mede aan de hand van een van te voren ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de kant van [eisers] : [eiser 1] (eiser sub 1), voor wie zijn neef [naam 1] heeft getolkt, en [naam 2] (bestuurder en aandeelhouder van eiseressen sub 2 en 3), met mr. Hagers;
aan de kant van ING: [naam 3] (bedrijfsjurist) en [naam 4] (analist) met mr. Murris en mr. Verheij.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[eiser 2] is een in 2023 opgerichte onderneming die een kledingwinkel exploiteert aan de [locatie] . [eiser 3] is de bestuurder en moedermaatschappij van [eiser 2] . [eiser 1] was tot 23 maart 2026 de enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 3] en [eiser 2] . Vanaf die datum is dat [naam 2] . [eiser 1] werkt sindsdien in loondienst bij een restaurant.
2.2.
[eiser 2] en [eiser 3] hebben allebei een zakelijke betaalrekening bij ING en [eiser 1] een privébetaalrekening, een Oranje spaarrekening en een hypothecaire geldlening.
Op deze bancaire relaties zijn, naast de Algemene Bankvoorwaarden (ABV), voor [eiser 2] en [eiser 3] de ING Voorwaarden Zakelijke Rekening van toepassing en voor [eiser 1] de ING
Voorwaarden Particuliere Betaalrekening.
2.3.
ING heeft in de periode van september tot november 2025 een zogenoemd event driven cliëntenonderzoek uitgevoerd naar [eiser 2] . Het doel van het onderzoek was, kort gezegd, om het risico te kunnen mitigeren dat [eiser 2] (ongewild) betrokken is bij het witwassen van crimineel geld. ING heeft in dit verband in verschillende brieven (22 september, 7 oktober, 21 oktober en 20 november 2025) aan [eisers] vragen gesteld en om documentatie en een toelichting bij transacties verzocht teneinde inzicht te krijgen in de bedrijfsvoering van [eiser 2] . [eisers] hebben op deze brieven gereageerd.
2.4.
Bij brieven van 27 november 2025 heeft ING de bankrelatie met [eisers] per 27 februari 2026 beëindigd, omdat volgens haar een situatie is ontstaan zoals benoemd in artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) waardoor zij tot beëindiging moet overgaan.
In de brief aan [eiser 2] (ter attentie van [eiser 1] ) is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
‘
Dit zijn onze bevindingen
Op basis van ons onderzoek en de informatie die u bij ons heeft aangeleverd met de daarbij behorende bewijsstukken zijn dit onze bevindingen:
- Wij hebben u vragen gesteld inzake de transacties met Soran B.V., Obur Int B.V. en Numos. U heeft verklaard kleding in te kopen bij deze tegenpartijen. Dit heeft u onderbouwd met diverse facturen. Hieruit bleek dat er broeken, tops, vesten, etc. zijn aangekocht, maar stond er niet gespecificeerd wat voor model dit betrof. Wij hebben u gevraagd dit nader te specificeren, waarbij u aangeeft van bovengenoemde kleding verschillende modellen in te kopen. Bijvoorbeeld verschillende modellen broeken: legging, pantalon, etc. Wij hebben u
gevraagd op welke wijze u de aankoop van deze modellen communiceert richting uw leverancier, gezien u dit niet specificeert op uw facturen. In uw verklaring geeft u aan dat de leverancier op basis van deze omschrijvingen begrijpt over welk artikel gesproken wordt. Er is u gevraagd om onderliggende correspondentie aan te leveren waaruit dit blijkt. Dit heeft u niet kunnen aanleveren, waardoor wij uw verklaring niet kunnen verifiëren en onvoldoende inzicht hebben in het type/model kleding waarin u handelt.
- Ter aanvulling van bovenstaand punt, hebben wij u ook vragen gesteld inzake de maatvoering van uw kleding gezien deze niet op uw facturen vermeld staan. U geeft aan dat het niet mogelijk is om per maat in te kopen en daarom inkoopt per doos/pakket van een model waarin verschillende maten zitten. Wij hebben u gevraagd wat u doet met de overgebleven kleding, gezien sommige maten vaker voorkomen en sneller verkopen. In uw verklaring geeft u aan dergelijke kleding met korting te verkopen en kleding die niet goed verkoopt, langzaam uit te faseren. Deze kleding vervangt u dan door andere modellen. Op basis van de omschrijving van uw facturen staat de wijziging in modellen niet vermeld. Het is voor ons opnieuw onduidelijk op welke wijze u uw leverancier hiervan op de hoogte stelt. Daarbij heeft u uw verklaring niet onderbouwd met correspondentie waaruit dit blijkt,
waardoor wij dit niet kunnen verifiëren.
- Tijdens het onderzoek hebben wij u gevraagd om uw integrale voorraadadministratie aan te leveren om meer inzicht te krijgen in de producten die u inkoopt. Wij hebben dit document van u ontvangen. Het document laat uw totale voorraad per dag zien. Er staat echter niet gespecificeerd waar deze uit bestaat. Wij hebben u gevraagd op welke wijze u de waardebepaling uitvoert, gezien deze niet in het document staat weergeven en uw producten verschillen in tarieven. In uw verklaring geeft u aan handmatig de voorraad bij te houden. Wij hebben u gevraagd om uw verklaring te onderbouwen met schriftelijke bewijsstukken waaruit dit blijkt, maar dit hebben wij tot op heden niet van u ontvangen. Hierdoor kunnen wij uw verklaring niet verifiëren en is er vooralsnog onvoldoende onderbouwd hoe de waardebepaling tot stand komt. Daarnaast hebben wij op basis van uw
integrale voorraadadministratie en de aangeleverde inkoopfacturen onvoldoende inzicht in het type/model kleding waar u in handelt, gezien deze op beide niet staan gespecificeerd en hier geen correspondentie over is aangeleverd.
- Tot slot hebben wij u vragen gesteld inzake het adres waarop u dergelijke activiteiten uitvoert. Volgens openbare bronnen zit er nog een kledingwinkel gevestigd op hetzelfde adres als u, genaamd [bedrijf] . Zowel Google street view als de social media van [bedrijf] geven dit weer. Daarbij kunnen wij geen informatie vinden omtrent uw activiteiten via openbare bronnen. Wij hebben u gevraagd op welke wijze u uw klanten bereikt en wat de relatie is tot deze partij gezien de vestiging op hetzelfde adres. In uw verklaring geeft u aan
niet bekend te zijn met deze kledinghandel. In uw reactie d.d. 19 oktober 2025 heeft u diverse pinuitdraaien uitgeleverd. Op deze pinuitdraaien staat de naam ‘ [bedrijf] ’ weergeven. Dit sluit niet aan bij de verklaring dat u niet bekend met deze partij. Op basis van uw verklaringen is het vooralsnog onvoldoende inzichtelijk wat de relatie is tot deze partij.
- Alle bovengenoemde punten leiden ertoe dat de transacties op uw rekening en uw bedrijfsactiviteiten onvoldoende verifieerbaar en transparant zijn. Hierdoor kunnen wij niet aan onze wettelijke verplichtingen van de Wwft voldoen.’
In de opzeggingsbrieven is tevens aangekondigd dat de persoonsgegevens van [eisers] voor 7 jaar worden opgenomen in het Interne verwijzingsregister (IVR) van ING.
2.5.
[eisers] hebben bezwaar gemaakt tegen de opzegging van ING en verzocht om een heroverweging. ING heeft dat bij brieven van 23 december 2025 en 13 januari 2026 gemotiveerd afgewezen.
2.6.
[eisers] hebben op 23 januari 2026 een beroepsklacht bij ING ingediend, waarin zij om een voortzetting van de bankrelaties en verwijdering van de IVR registraties hebben gevraagd.
2.7.
Bij brief van 5 maart 2026 heeft ING op de beroepsklacht gereageerd en aan [eisers] laten weten dat zij op basis van de aangeleverde informatie en documentatie en het cliëntenonderzoek tot de conclusie is gekomen dat [eisers] een onacceptabel risico vormen en dat ING niet in staat was het cliëntenonderzoek positief af te ronden. Daarbij heeft zij (nogmaals) de feiten en omstandigheden omschreven die tot deze conclusie hebben geleid.
2.8.
Aanvankelijk had ING ook de hypothecaire geldlening van [eiser 1] opgeëist en een veiling van zijn woning aangekondigd, maar ING heeft later laten weten dat dit op een vergissing berust. In voornoemde brief van 5 maart 2026 heeft ING bevestigd dat de hypothecaire geldlening onder dezelfde voorwaarden zal worden voortgezet zolang 1) de hypothecaire geldlening niet wordt afgelost met middelen die (in)direct afkomstig zijn van [eiser 2] , [eiser 3] of een andere entiteit van [eiser 1] en 2) de hypothecaire geldlening wordt afgelost met gelden met een legitieme herkomst.
3. Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen - samengevat - voortzetting van de bankrelaties (bestaande uit
de twee zakelijke rekeningen van [eiser 2] en [eiser 3] en de privébetaalrekening, Oranje Spaarrekening en de hypothecaire geldlening (zonder voorwaarden) van [eiser 1] , primair voor onbepaalde duur, subsidiair tot in een bodemprocedure is beslist en meer subsidiair voor een redelijke periode. Daarnaast vorderen zij ING te verbieden de bankrelaties te beëindigen en ING te verbieden de hypothecaire geldlening op te eisen. Verder vorderen zij de verwijdering, dan wel verkorting, van de IVR-registraties en de veroordeling van ING in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag, kort gezegd, dat ING op oneigenlijke gronden tot beëindigen van de bankrelaties is overgegaan. Zij hebben daartoe onder meer gesteld dat het onjuist is dat ING door toedoen van [eisers] haar cliëntenonderzoek niet heeft kunnen afronden. Volgens [eisers] hebben zij volledige medewerking verleend aan het uitgebreide onderzoek van ING maar heeft ING tijdens het onderzoek nooit duidelijk gemaakt welke informatie of welk document zij nog nodig had om het onderzoek positief te kunnen afronden. Het kasboek en alle pinbonnen zijn voorhanden maar deze zijn nooit opgevraagd door ING. ING heeft, ondanks een uitnodiging daartoe, de winkel ook nooit bezocht. Volgens [eisers] heeft ING haar opzegging gebaseerd op argumenten die op onderdelen onjuist zijn en is zij op basis van een ondeugdelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat zij met [eisers] als klanten een integriteitsrisico loopt. Dat is echter enkel op basis van vermoedens en heeft zij in het geheel niet aangetoond. Ook deugt de onderliggende financiële analyse van ING volgens [eisers] niet. Ten slotte ontbreekt voor [eiser 3] en [eiser 1] een zelfstandige grondslag voor de beëindiging van de bankrelatie, aldus [eisers]
3.3.
ING voert verweer. Primair heeft zij aangevoerd dat [eisers] geen spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben omdat [eiser 1] en [eiser 2] een betaalrekening bij andere banken hebben en het betalingsverkeer van [eiser 3] volledig lijkt te zijn opgedroogd. Daarnaast worden [eisers] niet acuut belemmerd door de IVR registraties, die uitsluitend intern doorwerken. Verder heeft ING zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht is tot opzegging van de bankrelaties omdat zij onvoldoende zicht heeft gekregen op de (legitimiteit van de) geldstromen en bedrijfsactiviteiten van [eisers] en zij daardoor geen voortdurende controle op de transacties en de relatie kan uitoefenen (artikel 3 lid 2 onder d Wwft). Ten slotte heeft ING zich op het standpunt gesteld dat zij bevoegd is tot opzegging van de bankrelatie op grond van artikel 35 ABV (onderdeel
5). Volgens ING hebben [eisers] in dit verband onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gebruikmaking van de opzegbevoegdheid door ING in dit concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De vorderingen van [eisers] kunnen alleen worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure dat ook zal doen en [eisers] bij de vorderingen een spoedeisend belang hebben.
4.2.
Bij de beoordeling van de vorderingen die betrekking hebben op het voorzetten van de bankrelaties van [eisers] gelden de volgende uitgangspunten:
4.2.1.
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden (artikel 3 Wwft). Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
4.2.2.
De banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 van de ABV).
4.2.3.
Verder heeft de bank op grond van artikel 35 ABV een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (die ook is vastgelegd in artikel 2 ABV) op grond waarvan de bank bij haar dienstverlening zorgvuldigheid in acht moet nemen, waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem.
4.2.4.
De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)).
4.3.
Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde uitgangspunten en gelet op wat uit de stukken en ter zitting naar voren is gekomen, wordt geoordeeld dat er geen gronden aanwezig zijn om ING in dit geval te verplichten de bancaire relaties met [eisers] te continueren en dus ook niet om haar te verbieden deze op te zeggen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Afgezien van de algemene verplichtingen van de bank om op grond van de Wft en de Wwft haar klanten te monitoren, had zij in dit geval een concrete aanleiding om aan [eisers] opheldering te vragen over hun activiteiten, haar organisatiestructuur en de geldstromen op hun rekeningen. In dit verband heeft ING terecht naar voren gebracht dat de internationale (textiel)handel vaak in verband wordt gebracht met het witwassen van gelden met een illegale herkomst (Trade Based Money Laundering), waarbij kledinghandelaren (ongewild) worden gebruikt als facilitator voor het verplaatsen van crimineel geld via ondergronds bankieren.
ING heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar mogelijke betrokkenheid van [eisers] bij witwassen, waarbij zij heeft getracht om [eisers] te bewegen de geldstromen van [eiser 2] inzichtelijk en transparant te maken. Daarbij was het voor ING met name van belang dat [eisers] duidelijk zouden maken dat tegenover de op de ING-rekening verrichte transacties met verschillende tegenpartijen en voor aan die tegenpartijen verstuurde facturen daadwerkelijk geleverde tegenprestaties stonden.
4.5.
[eisers] hebben op de verschillende informatieverzoeken van ING wel gereageerd, maar de voorzieningenrechter is met ING van oordeel dat zij met hun antwoorden onvoldoende helderheid hebben geboden, waardoor de legitimiteit van de geldstromen binnen [eiser 2] voor ING niet controleerbaar is.
Het gaat daarbij met name om de volgende (door ING geconstateerde) risicofactoren:
[eiser 2] en haar belangrijkste handelspartners waren lastig vindbaar in openbare bronnen en hebben bijvoorbeeld geen website; correspondentie met inkopers/leveranciers hebben [eisers] niet aangeleverd;
ij de belangrijkste initiële leveranciers (Soran, Numos en Obur), waarvan er een opmerkelijk genoeg actief is in de schoonmaakbranche, vonden veel internationale transacties plaats voor hoge bedragen en op vragen daarover aan die leveranciers, die ook bij ING bankierden, zijn geen antwoorden gekomen.[eiser 2] heeft te kennen gegeven haar inkopen inmiddels te doen bij NK Trend B.V. en ‘op markten en bij leveranciers waarbij contante betaling gebruikelijk is’, maar over eventuele transacties met deze nieuwe zakenpartner heeft ING evenmin duidelijkheid gekregen. ING heeft uiteindelijk van al deze leveranciers als ING-klant afscheid genomen vanwege integriteitsrisico’s;
contante betalingen zouden volgens [eisers] gedocumenteerd zijn in een kasboek, maar dat is niet aangeleverd;
uitgaande van de eigen cijfers (productie 27 bij dagvaarding) van [eiser 2] zou bijna 38% van haar omzet contant worden ontvangen, hetgeen opvallend hoog is voor een toeristische kledingwinkel; daarbij is van belang dat veel contant geld de witwasbedreiging aanzienlijk verhoogt;
[eiser 2] heeft over de periode 2023-2024 een gestelde omzet van ruim € 1 miljoen (vermeld in productie 27 en de jaarrekening). Los van de discrepantie in de door [eisers] genoemde omzetbedragen hebben zij geen rechtvaardiging kunnen geven voor deze hoge omzet;
de administratie van [eiser 2] biedt onvoldoende inzicht in haar inkoopproces; door algemene factuuromschrijvingen te gebruiken (zoals ‘broek’, ‘blouse’ en ‘tops’, zonder een artikelcode, kleur-, maat- en/of stofaanduiding) is het onduidelijk waar de inkomende goederenstroom precies uit bestaat.
4.6.
Al met al hebben [eisers] onvoldoende inzicht gegeven in de aard en omvang van hun bedrijfsactiviteiten en hun geldelijke transacties. Zij hebben geen duidelijkheid verschaft over de in- en verkoopprocessen en de realisatie van de aanzienlijke omzet, waarbij door de algemene bewoordingen van de inkoopfacturen volstrekt onduidelijk is waar de inkomende goederenstroom precies uit bestaat. Daarnaast hebben [eisers] de omvang van de goederenstroom niet inzichtelijk gemaakt, waardoor voor ING niet is na te gaan of en zo ja welke kledingstukken zijn binnengekomen, welke kledingstukken zij nog op voorraad hebben en welke kledingstukken zijn verkocht.
4.7.
De uitleg die [eisers] over haar bedrijfsvoering hebben gegeven heeft ING terecht niet overtuigd en dat is ter zitting niet anders geworden.
Dat de hoge omzet is te verklaren door de grote aanloop van toeristen is niet geloofwaardig.
Het gaat immers, zo heeft [eiser 1] zelf verklaard, om een kleine kledingwinkel van ongeveer 60 m2 waarin kledingstukken worden verkocht die in dozen met daarin verschillende maten en kleuren worden ingekocht, en dus weinig onderscheidend zijn. Daarnaast is de winkel gelegen in een drukke winkelstraat en is er dus sprake van grote concurrentie.
Dat maten niet worden vermeld omdat een aanzienlijk deel van het assortiment uit one-size of free-size artikelen bestaat, overtuigt evenmin.
Verder blijkt nergens uit dat, zoals [eisers] stellen, het door ING verrichte onderzoek ondeugdelijk is en dat ING van verkeerde gegevens is uitgegaan. ING heeft het percentage aan contante betalingen bij [eiser 2] terecht vergeleken met het nationaal detailhandelsgemiddelde van 16-17% en niet met het percentage van 49% bij straatverkoop. [eiser 2] is immers een in een winkelstraat gevestigde winkel en [eisers] hebben op geen enkele wijze laten zien dat deze contante betalingen voor kleding zijn gedaan. Het had op de weg van [eisers] gelegen om ING alle informatie te verschaffen die nodig is om inzicht te verkrijgen in de bedrijfsvoering van [eiser 2] . Zonder dat ING daar specifiek om hoefde te vragen hadden [eisers] dus ook het kasboek en de pinbonnen, waarvan zij zeggen dat die voorhanden zijn, kunnen verstrekken. Daarbij geldt overigens dat ING op dit punt terecht heeft aangevoerd dat, als er al een sluitend kasboek is, dit nog niets zegt over de herkomst van de contante gelden. Wat daar ook van zij, ING kan in ieder geval niet worden verweten dat zij niet duidelijk is geweest in wat zij nog van [eisers] nodig had en dat zij geen bedrijfsbezoek heeft afgelegd.
4.8.
Gelet op het voorgaande heeft ING terecht geconcludeerd dat
zij haar klantonderzoek niet kan afronden, in ieder geval niet naar tevredenheid. Daardoor is sprake van concrete en onacceptabele risico’s in de sfeer van de Wwft. ING heeft dus op goede gronden kunnen concluderen dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht was de relatie met [eisers] te beëindigen en daarnaast op basis van artikel 35 ABV de overeenkomsten met hen kon opzeggen. Daarvoor zijn bewijzen van betrokkenheid bij criminele activiteiten niet nodig.
Niet aannemelijk is dan ook dat de bodemrechter ING zal veroordelen tot voortzetting van de rekeningen. De daartoe strekkende vorderingen, ook die zien op voortzetting van de rekeningen hangende de bodemprocedure of gedurende een andere termijn, zijn dan ook niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor het gevorderde verbod om de bankrelaties te beëindigen.
4.9.
In tegenstelling tot hetgeen [eisers] hebben aangevoerd, mocht ING ook de bankrelatie met [eiser 3] en [eiser 1] in privé beëindigen vanwege hun verwevenheid met de geldstromen van [eiser 2] . Dat [eiser 1] zijn onderneming heeft overgedragen en thans in de horeca werkt, maakt dat niet anders. Ter zitting heeft hij immers verklaard dat hij het liefst zo snel mogelijk weer met [eiser 2] doorgaat en de huidige situatie wat hem betreft van tijdelijke aard is. Het is dan ook nog maar de vraag of de verwevenheid die er in ieder geval ten tijde van de opzegging was nu niet meer is.
4.10.
Bij toewijzing van de vordering die ziet op voortzetting van de hypothecaire geldlening, zonder voorwaarden, en op een verbod om de lening op te eisen, bestaat geen belang. ING heeft immers bevestigd de hypotheek zonder de door haar bij brief van 5 maart 2026 gestelde voorwaarden (zoals vermeld onder 2.8) voort te zetten, omdat [eiser 1] thans in loondienst in een restaurant werkt en de hypotheek dus met legitieme gelden wordt afgelost. Dat betekent overigens niet dat [eiser 1] in de toekomst nooit meer kan ondernemen. Zolang hij aan zijn aflossingsverplichting voldoet, met legitiem verworven gelden, zal er voor ING geen reden zijn om zijn hypotheek stop te zetten.
4.11.
Daar komt verder nog bij dat het nog maar de vraag is of [eisers] een spoedeisend belang bij continuering van hun bankrelaties hebben. In dit verband is relevant dat [eisers] de stelling van ING dat [eiser 2] en [eiser 1] de beschikking hebben over een andere volwaardige betaalrekening en het betalingsverkeer van [eiser 3] volledig is opgedroogd, niet hebben weersproken. Nu de vorderingen op inhoudelijke gronden al niet toegewezen kunnen worden, kan echter in het midden blijven of er sprake is van voldoende spoedeisend belang.
4.12.
Nu de opzegging van de rekeningen vooralsnog in stand blijft, is er ook geen reden om de registraties in het IVR ongedaan te maken dan wel de termijn van de registraties te verkorten. Deze zijn in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving (de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen en de Algemene Verordening Gegevensbescherming). Bovendien blijkt nergens uit dat deze registraties een belemmering opleveren voor [eisers]
4.13.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, deze na- en betekeningskosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot betaling,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Coll: JT | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|