|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:5242 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 25/2191 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroep wegen niet tijdig beslissen op bezwaar. Beroep gegrond. Verweerder is één dwangsom verschuldigd bij aanvragen of bezwaren die gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk samenhangen. Geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn voor geschilbeslechting. Het financieel belang ligt onder de bagatelgrens en de redelijke termijn is met niet meer dan twaalf maanden overschreden. | | Trefwoorden | : | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2191
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
(gemachtigde: A.H. Rademaker),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn,
verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 1 februari 2024.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 1 februari 2024. Hij maakt hierbij bezwaar tegen de rioolheffing en afvalstoffenheffing 2024. Op 4 maart 2024 vult hij dit bezwaar aan. Hij noemt daarbij namelijk het zaaknummer dat hoort bij het bezwaarschrift van 1 februari 2024. Hij noemt daarbij ook “Woz 2024”, maar de WOZ-waarde is helemaal niet vastgesteld met de aanslag waar hij bezwaar tegen had gemaakt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het bezwaar en dus ook het beroep niet tijdig zich enkel richt op de rioolheffing en afvalstoffenheffing 2024.
4. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op de bezwaarschrift van eiser. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 10 april 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 2 januari 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
5. In het verweerschrift wijst de heffingsambtenaar erop dat hij eiser heeft gevraagd om zijn bezwaargronden aan te vullen. Voor zover de heffingsambtenaar daarmee wil zeggen dat het beroep niet tijdig om die reden ongegrond is, wijst de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar eiser een termijn van twee weken heeft gegeven voor deze bezwaargronden. Die termijn is allang verstreken en staat dus niet in de weg aan het doen van een uitspraak op bezwaar. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb).
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Bestuurlijke dwangsom
7. In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
8. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. In het verweerschrift staat dat hij zal “overgaan tot het uitkeren van eenmaal de dwangsom voor het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift”, maar een dwangsombesluit heeft de rechtbank niet ontvangen. De rechtbank zal daarom alsnog de dwangsom vaststellen (artikel 8:55c Awb). De hoogte van de dwangsom voor 42 dagen wordt daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb bepaald op € 1.442,-.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat drie keer een dwangsom verschuldigd is, omdat het om drie bezwaren gaat. De rechtbank merkt allereerst op dat de aanslag enkel zag op de rioolheffing en afvalstoffenheffing. Op grond van vaste rechtspraak is een bestuursorgaan daarnaast slechts één dwangsom verschuldigd, bij aanvragen of bezwaren die gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk samenhangen. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de rioolheffing en afvalstoffenheffing op één aanslagbiljet staan vermeld en dat eiser in één brief hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is in het voorliggende geval sprake van voldoende inhoudelijke samenhang. Daarnaast heeft voor ieder besluit te gelden dat sprake moet zijn geweest van een desbetreffende schriftelijke ingebrekestelling, terwijl eiser één ingebrekestelling heeft verstuurd. Ook om die reden wordt slechts één dwangsom toegekend.
Immateriële schadevergoeding
10. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
11. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser door de heffingsambtenaar op 1 februari 2024 is ontvangen. Sindsdien zijn er bijna 2 jaren en 6 maanden verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met bijna 6 maanden overschreden.
12. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Als de termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, moet naar bevind van zaken worden beslist. In dit geval is de termijn met minder dan twaalf maanden overschreden. Het totale aanslagbedrag is € 755,21. Het financiële belang ligt dus onder de bagatelgrens. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten
13. Eiser heeft gevraagd om een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Eiser heeft geen concrete kosten aangedragen. Voor zover eiser met zijn verzoek doelt op het inschakelen van zijn gemachtigde, overweegt de rechtbank dat alleen de kosten die gemaakt zijn voor een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Omdat eiser geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
14. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder wel het griffierecht van € 53,- aan eiser betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J. Steen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Hoge Raad, 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352.
Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7916 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 30 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1244.
Zie ook Centrale Raad van Beroep 9 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3079 en Gerechtshof Amsterdam, 28 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3684.
Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|