|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:21218 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/683138 / FA RK 25-25 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Echtscheiding met nevenvoorzieningen, Turks recht van toepassing op afwikkeling huwelijksvermogen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | erfrecht | | | levensonderhoud | | | mkb-winstvrijstelling | | | onderhoudsverplichtingen | | | schenking | | | verzamelinkomen | | | zelfstandigenaftrek | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-2596 (echtscheiding)
FA RK 25-5582 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Zaaknummers: C/09/683138 (echtscheiding)
C/09/688966 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Datum beschikking: 29 juni 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 4 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Arslaner in Leidschendam
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kara in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het bericht van 13 mei 2025 van de man, met bijlage;
het op 19 juni 2025 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen;
het op 17 juli 2025 ingekomen aanvullend verzoekschrift tevens verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
het bericht van 30 oktober 2025 van de vrouw;
het bericht van 2 november 2025 van de man;
het bericht van 20 januari 2026 van de man;
het bericht van 7 mei 2026 van de man met bijlagen;
het op 8 mei 2026 ingekomen aanvullende verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen;
het op 11 mei 2026 ingekomen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken met bijlagen.
Op 18 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Sifridag;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1], Turkije.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
In de Basisregistratie Personen is opgenomen dat de man de Turkse nationaliteit heeft en de vrouw en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben.
Deze rechtbank heeft op 29 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- de vrouw uitsluitend gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke
woning te [plaats 2], aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;
[minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
[minderjarige] voorlopig bij de man zal zijn;
iedere zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur zolang de man geen eigen woning heeft;
om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur vanaf het moment dat de man beschikt over een eigen woonruimte;
- de man aan de vrouw, met ingang van datum beschikking voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 367,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens te bepalen dat:
de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken;
de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt vastgesteld primair bij voorkeur conform het door de man bij kantnummers 14-19 van zijn verzoekschrift is voorgesteld, subsidiair een verdeling van het huwelijksvermogen te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vrouw voert – onder referte van de echtscheiding – verweer , welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig, hoe dat nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;
een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] bij de man is:
primair: eenmaal per twee weken, van vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt;
subsidiair (opbouwregeling): gedurende een nader door uw rechtbank te bepalen periode eerst een opbouw, waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken van zaterdag 12:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de man verblijft, waarna wordt toegewerkt naar voornoemde weekendregeling;
- een vakantie- een feestdagenregeling vast te stellen inhoudende dat:
de reguliere zorgregeling doorloopt tijdens reguliere schoolvakanties;
bij vakanties van twee weken of langer een verdeling plaatsvindt, inhoudende dat in even jaren de eerste helft bij de vrouw en de tweede helft bij de man wordt doorgebracht en in de oneven jaren andersom;
in het jaar 2026 nog geen vakantieregeling wordt toegepast, gelet op de beperkte omgang tot op heden en de noodzaak tot opbouw;
voor islamitische feestdagen: dat de eerste feestdag bij de vrouw en de tweede bij de man wordt doorgebracht, waarbij de vrouw verzoekt te bepalen dat structureel de eerste feestdag bij haar plaatsvindt, nu zij in Nederland een uitgebreid familienetwerk heeft;
voor oud en nieuw: dat [minderjarige] beide dagen bij de vrouw verblijft, nu de man deze dagen veelal afwezig is;
te bepalen dat de man een kinderalimentatie van € 336,- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen, althans een bijdrage te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
te bepalen dat de man een partneralimentatie van € 19,- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen, althans een bijdrage te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
te bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik zal hebben van de woning te [plaats 2] aan de [adres] tot zij vervangende woonruimte heeft gevonden, waarna de verkoopopdracht wordt verstrekt aan Oost-West Makelaars te Den Haag;
te bepalend dat de door de vrouw vanaf 4 april 2025 betaalde bedragen, voor zover deze betrekking hebben op het aandeel van de man, dienen te worden verrekend met het aandeel van de man in de netto verkoopopbrengst;
te bepalen dat de volgende inboedelgoederen aan haar worden toegedeeld zonder verrekening:
koelkast;
televisie;
kleine zwarte salontafel;
kinderkamer (bed en kast, vitrine/commode);
te bepalen dat de man volledig inzicht dient te verschaffen in de saldi van alle bankrekeningen die op zijn naam staan, zowel privé als zakelijk, per peildatum;
te bepalen dat aan ieder der partijen de auto op diens naam behoudt onder verrekening van de waarde op de peildatum;
te bepalen dat ten aanzien van de schulden zal gelden wat in randnummers 52 t/m 58 van het verweerschrift is opgenomen.
De man voert verweer, welk hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Bezwaar stukken man
De rechtbank overweegt dat het door de man ingediende verweerschrift met producties laat is ingediend. Gelet op de aard, strekking en beperkte omvang van de stukken is de rechtbank echter van oordeel dat het meenemen daarvan niet in strijd is met de goede procesorde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw ter zitting in de gelegenheid is gesteld mondeling op het verweerschrift en de producties te reageren. De rechtbank zal dus voorbij gaan aan het bezwaar van de advocaat van de vrouw.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Door beide partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
Voldoende is gebleken dat partijen niet in staat zijn tot een gemeenschappelijk ouderschapsplan te komen, zodat, nu aan de overige wettelijke vereisten is voldaan, de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, de vrouw heeft dit niet betwist zodat de rechtbank het verzoek van de man tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
De man voert geen verweer tegen vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw. De rechtbank zal dit verzoek daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu zij dat ook in het belang van [minderjarige] acht.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] vanaf de datum van de zitting om de week van zaterdag 12.00 tot zondag 16.00 uur bij de man zijn, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt. Vanaf 15 juli 2026 zal de zorgregeling worden uitgebreid en zal [minderjarige] om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man zijn, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt. De rechtbank zal conform de overeenstemming beslissen mede omdat het belang van [minderjarige] zich hier niet tegen verzet.
Ten aanzien van de verdeling van de vakantie- en feestdagen heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw met uitzondering van de zomervakantie 2026. De vrouw heeft voor de zomervakantie 2026 verzocht geen vakantieregeling vast te stellen gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de tot nu toe beperkte omgangsmomenten met de man. De man stelt dat de zomervakantie juist belangrijk is voor het opbouwen van de band tussen [minderjarige] en de man waardoor hij ook graag de zomervakantie 2026 bij helfte wil delen.
De rechtbank acht het, gelet op beperkte contact tussen [minderjarige] en de man tot op heden, niet in het belang van [minderjarige] om deze zomer al drie weken aaneengesloten bij de man te verblijven. De rechtbank gunt de man en [minderjarige] echter wel vakantie met elkaar deze zomer en zal dan ook bepalen dat partijen in onderling overleg één week zullen uitkiezen waarbij [minderjarige] bij de man zal verblijven in de zomervakantie van 2026.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot kinderalimentatie, op grond van artikel 2 sub c van de Verordening (EG) nr. 4/2009 (de Alimentatieverordening).
Op het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Partijen zijn het erover eens dat de te bepalen kinderalimentatie dient in te gaan vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheiding. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Behoefte
Ten aanzien van de behoefte is enkel in geschil welk inkomen van de man in 2024 als uitgangspunt geldt. De man is uitgegaan van zijn verzamelinkomen van € 28.774,- per jaar in 2024 en de vrouw is uitgegaan van de winst uit onderneming van de man van € € 39.430 in 2024. De rechtbank zal rekenen met de winst uit onderneming en daarop de fiscale aftrekposten in mindering brengen. Het verzamelinkomen betreft het inkomen, na aftrek van de fiscale aftrekposten. De man heeft in zijn berekening de fiscale aftrekposten aldus twee maal in mindering gebracht.
Dit betekent dat de rechtbank de berekening van de vrouw volgt en de behoefte van [minderjarige] geïndexeerd naar 2026 vaststelt op € 696,- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw € 392,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Draagkracht man
Niet in geschil tussen partijen is dat de man sinds juli 2025 werkloos is en dat het redelijk is om voor de berekening van de draagkracht van de man zijn inkomen uit 2024 als uitgangspunt te nemen, omdat verwacht wordt dat hij dit op korte termijn in staat zal zijn opnieuw een dergelijk in komen te genereren. Zoals hiervoor overwogen, moet dat inkomen berekent worden aan de hand van de winst uit onderneming in 2024 nemen, te weten € 39.430 per jaar, waarop de fiscale aftrekposten (één maal) in mindering worden gebracht
Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man aldus op € 2.861,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is verder in geschil of aan de zijde van de man al dan niet rekening gehouden dient te worden met de door de man gestelde schuldenlast. De rechtbank overweegt dat de man zowel gezamenlijke als individuele schulden heeft opgevoerd, maar hierop tot op heden niet aflost. Omdat de man zowel zijn aandeel in de gezamenlijke schulden als zijn eigen schulden in zijn geheel zal kunnen voldoen vanuit de overwaarde van de echtelijke woning van partijen die vrijkomt, zal de rechtbank geen rekening houden met de aflossing van schulden.
De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht van de man de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)].
De draagkracht van de man bedraagt dan € 447,- per maand in 2026.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 839,- per maand (€ 392,- + € 447,-). Dit is voldoende om in de behoefte van € 696,- per maand van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 392 / 839 x 696 = € 325,-
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 447 / 839 x 696 = € 371
samen € 696,-.
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 325,- per maand voor rekening van de vrouw. Een gedeelte van € 371 per maand komt voor rekening van de man.
Zorgkorting
Gelet op de hiervoor overeengekomen zorgregeling zal de rechtbank rekening houden met een zorgkorting van 15%, ofwel € 104,- per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank, met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking , de door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 267- per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekening van de draagkracht van de man is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007, Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de kinderalimentatie is overwogen en gelet op de standpunten van partijen, volgt de rechtbank de door de vrouw ingediende berekening en wijst haar verzoek toe. Dit betekent dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 19,- bruto per maand dient te voldoen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over deze verzoeken.
Krachtens regels van ongeschreven Nederlands internationaal privaatrecht, wordt Nederlands recht toegepast op deze verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft, voor zover de rechtbank begrijpt, verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning tot het moment dat zij vervangende woonruimte voor haar en [minderjarige] heeft gevonden. Tegenover het belang van de vrouw om het gebruik van de woning nog enige tijd te mogen voortzetten staat het belang van de man bij een spoedige verkoop. De vrouw heeft geruime tijd de gelegenheid gehad te onderzoeken of zij de woning kan overnemen. Inmiddels is duidelijk dat de vrouw de woning niet kan overnemen. Bovendien is sprake van oplopende betalingsachterstanden. Onder deze omstandigheden zijn beide partijen gebaat bij een spoedige verkoop van de woning.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de woning zal hebben tot het moment waarop de woning aan een derde wordt geleverd, met een maximum van zes maanden na deze beschikking. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij binnen die termijn een andere oplossing vindt of, indien nodig, bij haar moeder intrekt.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht
Aangezien de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van de
nevenverzoeken over het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
Omdat de man en de vrouw op [datum] 2017 te [plaats 1], Turkije met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor het toepasselijk recht.
Op grond van artikel 4 van het Verdrag wordt, indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit indien:
door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten;
die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen:
in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of
in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft;
3. de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
Onweersproken is gesteld dat partijen vóór het huwelijk geen rechtskeuze hebben uitgebracht en dat zij voorafgaand aan het huwelijk beiden de Turkse nationaliteit hadden. Daarmee is sprake van een gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van artikel 4 lid 2 van het Verdrag. Turkije is geen partij bij het Verdrag. Voorts leidt het internationaal privaatrecht van Turkije tot toepassing van het interne Turkse recht. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 4 lid 2, aanhef en onder 2, van het Verdrag. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk gevestigdin Nederland. Daaraan staat niet in de weg dat partijen zich niet binnen zes maanden, maar eerst na negen maanden gezamenlijk in Nederland hebben gevestigd. Vaststaat immers dat partijen na het huwelijk de intentie hadden zich in Nederland te vestigen en dat de latere gezamenlijke vestiging uitsluitend verband hield met het afwachten van de verblijfsvergunning.
Onder deze omstandigheden wordt het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van artikel 4 lid 2 van het Verdrag beheerst door het Turkse recht.
Turks recht
Het Turkse Burgerlijk Wetboek (TBW) kent een huwelijksgoederenregime dat het beste kan worden getypeerd als een ‘verwervingsdeelneming’. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen/privé vermogen van ieder van de echtgenoten (art. 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens: de verwervingen en het persoonlijk vermogen. In totaal zijn dus vier vermogens te onderscheiden.
Als verwervingen worden beschouwd de tijdens de deelneming om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vermogensbestanddelen die verwervingen vervangen (art. 219 TBW).
Tot het persoonlijk vermogen behoren: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schade en de vermogensbestanddelen die persoonlijk vermogen vervangen (art. 220 TBW). Het persoonlijk vermogen en de verwervingen worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime (art. 228 TBW). De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken (art. 235 TBW).
Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats van wat tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot heeft recht op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (art. 236 TBW). Vorderingen worden verrekend. De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (art. 231 TBW). Waardevermindering of een negatief saldo wordt niet in beschouwing genomen.
Ten aanzien van schulden volgt uit de artikelen 230 en 231 TBW dat een schuld die betrekking heeft op de verwervingen in de zin van artikel 219 TBW (ook indien zij uitsluitend op naam van één van partijen is gesteld) in de verrekening dient te worden betrokken, met dien verstande dat een negatief saldo niet in beschouwing wordt genomen. Een schuld bezwaart dat gedeelte van het vermogen waarop zij betrekking heeft. Indien niet duidelijk is aan welk gedeelte de schuld toebehoort, wordt deze geacht betrekking te hebben op de verwervingen en niet op het persoonlijk vermogen van één van partijen in de zin van artikel 220 TBW.
Peildatum
Naar Turks recht geldt als peildatum voor het bepalen van de omvang van de verwervingen het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime en dit is op grond van artikel 225 jo. 228 TBW het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. In de onderhavige zaak is dit op 4 april 2025. De bestanddelen die op dat moment tot de verwervingen behoren moeten ingevolge artikel 235 TBW worden gewaardeerd op het tijdstip van de vereffening.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen aan de orde gesteld:
de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres] met de daaraan verbonden hypotheek;
inboedel waaronder;
koelkast;
televisie;
kleine zwarte salontafel;
kinderkamer (bed en kast, vitrine/commode);
saldi bankrekeningen;
de auto’s;
de schulden.
ad a) de woning
De woning is gezamenlijk eigendom van partijen en zal daarom als eenvoudige gemeenschap worden verdeeld. Partijen zijn het erover eens dat de woning aan een derde moet worden verkocht en geleverd, dat Oost-West Makelaars in Den Haag met de verkoopopdracht zal worden belast en dat de verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld na aftrek van de hypotheekschuld, de verkoop- en leveringskosten en na aflossing van de schulden waarvoor partijen beiden draagplichtig zijn, waaronder de schulden ter zake van de Regionale Belasting Groep (hierna: RGB), de WOZ-aanslag, en de VvE schuld. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen.
Verder heeft de vrouw verzocht om verrekening van de door haar na de peildatum betaalde lasten die verband houden met de woning. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen voor zover het gaat om lasten waarvoor partijen gezamenlijk draagplichtig zijn en die uitsluitend door de vrouw zijn voldaan. Voor zover de vrouw na de peildatum hypotheeklasten en overige gezamenlijke eigenaarslasten heeft voldaan, heeft zij in zoverre een regresvordering op de man. De man beroept zich erop dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de woning, maar dat doet aan de aansprakelijkheid voor de schulden niet af. De man had om toekenning van een gebruiksvergoeding kunnen verzoeken, maar een dergelijk verzoek heeft hij niet (schriftelijk) ingediend. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om op basis van de redelijkheid en billijkheid van de verrekening af te zien.
In dat verband acht de rechtbank het wel redelijk om ook de schuld aan Eneco, hoewel deze op naam van de man staat, bij de afwikkeling van de woning af te lossen. Vaststaat dat deze schuld verband houdt met de woning en dat ook de vrouw van de desbetreffende nutsvoorzieningen gebruik heeft gemaakt. Deze schuld zal daarom eveneens in mindering worden gebracht op de verkoopopbrengst.
Concluderend betekent dit dat de woning aan een derde zal worden verkocht en dat de netto-verkoopopbrengst, na aflossing van de hypotheek, voldoening van de verkoop- en leveringskosten, aflossing van de gezamenlijke schulden en de Eneco-schuld bij helfte wordt gedeeld, waarbij met ieders aandeel wordt verrekend de door de vrouw betaalde lasten die verband houden met de woning, voor zover het gaat om lasten waarvoor partijen gezamenlijk draagplichtig zijn.
ad b) de inboedel
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de inboedel gezamenlijk hebben aangeschaft, zodat deze als enkelvoudige gemeenschap wordt verdeeld. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de koelkast, de televisie, de kleine zwarte salontafel en de kinderkamer (bed en kast, vitrine/commode) aan haar zullen worden toegedeeld zonder verrekening en dat het overige aan de man zal worden toegedeeld. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen.
ad c) saldi bankrekeningen
De saldi op de bankrekeningen vormen verwervingen in de zin van artikel 219 TBW. Op grond van het hiervoor weergegeven artikel 231 TBW betekent dit enerzijds dat de vrouw recht heeft op de helft van de optelsom van de saldi van de bankrekening van de man per peildatum en anderzijds dat de man recht heeft op de helft van het saldo van de bankrekening ten name van de vrouw per peildatum.
ad d) de auto’s
De auto’s zijn tijdens het huwelijk zijn verworven. Dat betekent dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de nettowaarde van de auto die aan de ander toebehoort. Partijen zijn het erover eens dat de auto van de vrouw een waarde vertegenwoordigt van € 4.000,-.
Partijen hebben geen overeenstemming over het aantal auto’s van de man en de wijze waarop deze in de verrekening naar Turks recht moeten worden betrokken. Ten aanzien van de BMW 1-serie overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat sprake is van een leaseauto. Voor zover de rechten uit de leaseovereenkomst in de afwikkeling van het huwelijksvermogen moeten worden betrokken, geldt dat ook rekening moet worden gehouden met de daarmee samenhangende schuld. De man heeft gesteld dat de waarde van de auto volgens de koerslijst tussen de € 11.000,- en € 12.000,- bedraagt en dat de omvang van de schuld daarmee ongeveer gelijk is. De vrouw heeft eveneens gesteld dat de waarde van de auto en de schuld ongeveer gelijk zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de (rechten uit de leasovereenkomst met betrekking tot de) BMW 1-serie, die net als de schuld aan de man toebehoort, per saldo geen te verrekenen waarde vertegenwoordigt.
Ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken] overweegt de rechtbank dat uit het kentekenbewijs blijkt dat deze auto op 3 april 2025 op naam van de man stond. De man heeft dit niet betwist. Voor zover de man heeft willen aanvoeren dat de auto niet door hem is verworven, maar om een andere reden op zijn naam stond, heeft hij daarvoor geen plausibele verklaring gegeven. De rechtbank zal deze auto daarom betrekken in de afwikkeling van het huwelijksvermogen. Nu de vrouw de waarde van deze auto heeft gesteld op € 2.500,- en de man deze waarde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat de rechtbank van die waarde uit.
Ten aanzien van de Volkswagen GTI heeft de vrouw gesteld dat deze aan de man toebehoort, omdat deze op een foto voor de deur staat. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze auto tot het te verrekenen huwelijksvermogen van de man behoort. De rechtbank zal de Volkswagen GTI daarom niet in de afwikkeling betrekken.
ad e) de schulden
Ten aanzien van de schulden overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, zijn partijen het erover eens dat de schulden ter zake van RBG, WOZ, VvE en hypotheek worden betrokken bij de verdeling van de woning. Gelet daarop bestaat geen aanleiding om deze schulden daarnaast nog afzonderlijk te betrekken in de verrekening op grond van het Turkse huwelijksvermogensrecht. Ook de schuld aan Eneco is hiervoor al betrokken bij de afwikkeling van de woning, omdat de rechtbank dat, gelet op het verband met de woning en het gebruik van de nutsvoorzieningen door partijen, redelijk acht.
Eventuele belastingschulden over de periode tot de peildatum kwalificeren als schulden in de zin van de artikelen 230 en 231 TBW die betrekkingen hebben op verwervingen in de zin van artikel 219 TBW, namelijk (het vorderingsrecht ten opzichte van de bank ter hoogte van) het saldo op de rekeningen. De rechtbank gaat ervan uit dat die saldi zijn gevormd door de ontvangen inkomsten. Die inkomsten zijn te verdelen verwervingen. De belastingschulden hebben betrekking op dat inkomen en moeten daarmee dus verrekend worden.
Verrekening
Aldus heeft de man een deelgenootschapsvordering op de vrouw, bestaande uit de helft van het saldo van de bankrekening ten name van de vrouw per peildatum, vermeerderd met € 2.000,-, zijnde de helft van de waarde van de auto van de vrouw, verminderd met de helft van op naam van de vrouw staande belastingschulden over de periode tot de peildatum, voor zover de uitkomst van deze optel-/aftreksom positief is.
De vrouw heeft een deelgenootschapsvordering op de man, bestaande uit de helft van de optelsom van de saldi van de bankrekening van de man per peildatum, vermeerderd met € 1.250,-, zijnde de helft van de waarde van de auto met kenteken [kenteken], verminderd met de helft van de op naam van de man staande belastingschulden over de periode tot de peildatum, voor zover de uitkomst van deze optel-/aftreksom positief is.
Vervolgens dient de meest bedeelde partij ter afrekening van het huwelijksvermogen de helft van het verschil tussen de beide deelgenootschapsvorderingen - indien aanwezig - aan de andere partij te betalen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op na te melden wijze bepalen dat de partij met de hoogste deelgenootschapsvordering - indien aanwezig - ter afrekening van het huwelijksvermogen aan de andere partij de helft van het verschil van de beide deelgenootschapsvorderingen per de overeengekomen peildatum, te weten 4 april 2025 dient te voldoen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1], Turkije;
*
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] bij de vrouw zal zijn;
*
stelt vast dat [minderjarige] bij de man zal zijn;
vanaf de datum van de zitting om de week van zaterdag 12.00 tot zondag 16.00 uur bij de man zijn, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
vanaf 15 juli 2026 zal de zorgregeling worden uitgebreid en zal [minderjarige] om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man zijn, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
gedurende de zomervakantie 2026 één week in onderling overleg te bepalen;
*
stelt de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast:
de reguliere zorgregeling loopt tijdens reguliere schoolvakanties door;
bij vakanties van twee weken of langer, met uitzondering van de zomervakantie 2026, zal [minderjarige] in even jaren de eerste helft bij de vrouw en de tweede helft bij de man zijn waarbij dit in de oneven jaren andersom is;
gedurende islamitische feestdagen zal [minderjarige] de eerste feestdag bij de vrouw en de tweede bij de man zijn;
gedurende oud en nieuw zal [minderjarige] beide dagen bij de vrouw zijn;
*
bepaalt de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen alimentatie voor [minderjarige] op € 315,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen partneralimentatie op € 19,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 2] voort te zetten tot het moment waarop de woning aan een derde wordt geleverd, met een maximum van zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
*
stelt de verdeling/verrekening van het huwelijksvermogen van partijen, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vast:
1. de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] in [plaats 2] en de en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
partijen dienen binnen twee weken na de beschikkingsdatum een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan Oost-West Makelaars tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening, de RGB schuld, de WOZ-aanslag schuld, de VvE schuld, de Eneco schuld en de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur. Met ieders aandeel in de overwaarde wordt verrekend de door de vrouw betaalde lasten die verband houden met de woning, voor zover het gaat om lasten waarvoor partijen gezamenlijk draagplichtig zijn;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) de inboedel wordt toegedeeld aan de man, met uitzondering van de koelkast, de televisie, de kleine zwarte salontafel en de kinderkamer (bed en kast, vitrine/commode), die aan de vrouw worden toegedeeld, zonder nadere verrekening;
3) bepaalt dat de man een deelgenootschapsvordering heeft op de vrouw, bestaande uit de helft van het saldo van de bankrekening ten name van de vrouw per peildatum, vermeerderd met € 2.000,-, zijnde de helft van de waarde van de auto van de vrouw, verminderd met de helft van op naam van de vrouw staande belastingschulden over de periode tot de peildatum, voor zover de uitkomst van deze optel-/aftreksom positief is;
4) bepaalt dat de vrouw een deelgenootschapsvordering heeft op de man, bestaande uit de helft van de optelsom van de saldi van de bankrekening van de man per peildatum, vermeerderd met € 1.250,-, zijnde de helft van de waarde van de auto met kenteken [kenteken], verminderd met de helft van de op naam van de man staande belastingschulden over de periode tot de peildatum, voor zover de uitkomst van deze optel-/aftreksom positief is;
5) bepaalt dat de meest bedeelde partij ter afrekening van het huwelijksvermogen de helft van het verschil tussen de beide deelgenootschapsvorderingen - indien aanwezig - aan de andere partij dient te betalen.
*
verklaart deze beslissing tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 juni 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|