Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1057 
 
Datum uitspraak:05-08-2026
Datum gepubliceerd:26-08-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/1830 CRTV
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit van 2 november 2020. Nieuwe rechterlijke uitspraken zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
25/1830 CRTV



Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2025, 24/3528 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)






Datum uitspraak: 5 augustus 2026
SAMENVATTING

De Raad oordeelt dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit van 2 november 2020, waarbij het Uwv de hoogte van de compensatie van de door haar betaalde transitievergoeding heeft bepaald op € 0,-, terecht heeft kunnen afwijzen.




PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B. Evenboer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Voor appellante is [naam] verschenen, bijgestaan door mr. Evenboer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.




OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Op 1 juli 2009 is [naam werknemer] (werknemer) in dienst getreden bij appellante. Op 27 februari 2012 is werknemer wegens ziekte uitgevallen. Appellante heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer met toestemming van het Uwv met ingang van 20 november 2015 opgezegd. In de opzeggingsbrief is vermeld dat de verplichting tot loondoorbetaling vanaf 7 oktober 2014 is geëindigd. Met een beschikking van 1 september 2017 heeft de kantonrechter appellante veroordeeld om aan werknemer een transitievergoeding van € 33.278,23 (bruto) te betalen, die appellante op 16 november 2017 aan werknemer heeft betaald.



1.2.
In juni 2020 heeft appellante het Uwv verzocht om vergoeding (compensatie) van de door haar aan werknemer betaalde transitievergoeding. Met een besluit van 2 november 2020 heeft het Uwv het bedrag van de compensatie op € 0,- vastgesteld (de 0-toekenning). Volgens het Uwv is aan de voorwaarden voor compensatie voldaan, omdat de arbeidsovereenkomst met werknemer na 1 juli 2015 is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en is appellante op grond van artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een transitievergoeding aan werknemer verschuldigd. De hoogte van de compensatie is echter op grond van artikel 7:673e, tweede lid, van het BW op € 0,- vastgesteld, omdat de vergoeding niet meer kan bedragen dan wat appellante verschuldigd zou zijn op de dag na het verstrijken van het twee jaar durende opzegverbod bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. Dat is in dit geval 7 oktober 2014. Op deze datum bestond nog geen recht op een transitievergoeding, aangezien de Wet werk en zekerheid pas op 1 juli 2015 in werking is getreden. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 november 2020.



1.3.
Op 3 augustus 2022 heeft appellante het Uwv verzocht om alsnog een adequaat compensatie- of schadebesluit te nemen. Daarbij heeft appellante verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 december 2021 en de uitspraken van de Raad van 1 juni 2022, waarin is bepaald dat een werkgever in de situatie waarin een dienstverband ná 1 juli 2015 is geëindigd, maar waarbij de tweejaarstermijn van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte is verstreken vóór 1 juli 2015, aanspraak heeft op compensatie van de transitievergoeding die ziet op de periode tot de dag dat de termijn van twee jaar die geldt voor het opzegverbod wegens ziekte is verstreken. Subsidiair en meer subsidiair heeft appellante het Uwv verzocht om vanwege respectievelijk onrechtmatig handelen dan wel ongerechtvaardigde verrijking een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van de betaalde transitievergoeding van € 33.278,23 (bruto).



1.4.
Op 14 september 2022 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Aan de afwijzing heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van onrechtmatige besluitvorming. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat het verzoek van 3 augustus 2022 is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 2 november 2020. Appellante is niet in rechte opgekomen tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.



1.5.
Met een besluit van 26 juni 2023 heeft het Uwv het verzoek om terug te komen van het besluit van 2 november 2020 afgewezen, omdat volgens het Uwv geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het Uwv heeft overwogen dat nieuwe of gewijzigde jurisprudentie geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid oplevert.



1.6.
Met een beslissing op bezwaar van 1 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich opnieuw op het standpunt gesteld dat latere rechtspraak niet als een nieuw feit of een gewijzigde omstandigheid kan worden aangemerkt, die meebrengt dat het Uwv moet terugkomen van het besluit van 2 november 2020. Daarnaast heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Uit de rechtspraak volgt dat van een evidente onredelijkheid pas sprake is in uitzonderlijke gevallen. In de situatie van appellante is volgens het Uwv geen sprake van een uitzonderlijk geval.



Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.



2.1.
Het Uwv heeft op de aanvraag van appellante beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan de afwijzing van het herzieningsverzoek van het besluit van 2 november 2020 heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat nieuwe rechtspraak geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarnaast is er geen sprake van evidente onredelijkheid, omdat de situatie van appellante niet als een uitzonderlijk geval kan worden aangemerkt.



2.2.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat aan het herzieningsverzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd en dat rechterlijke uitspraken op grond van vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het geschil is beperkt tot de vraag of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.



2.3.
De rechtbank heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 16 april 2025, waarin de vraag is beoordeeld of sprake is van een evidente onredelijkheid in de situatie dat sprake is van een weigering om terug te komen van een besluit waarbij de hoogte van de compensatie van de transitievergoeding op € 0,- is bepaald op grond van de door het Uwv destijds gehanteerde uitleg van artikel 7:673e, tweede lid, van het BW. In die uitspraak is de Raad tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat betrokkene in die zaak om hem moverende redenen heeft afgezien van het instellen van beroep tegen de beslissing op bezwaar.



2.4.
In wat appellante heeft aangevoerd liggen geen bijzondere feiten of omstandigheden besloten die maken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Het feit dat de wetsuitleg van het Uwv onjuist blijkt te zijn geweest, waardoor geen compensatie van de door appellante aan werknemer betaalde transitievergoeding heeft plaatsgevonden, levert niet zulke feiten en omstandigheden op. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante om haar moverende redenen geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 november 2020.


Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Omdat het Uwv aan het besluit van 2 november 2020 een onjuiste wetsuitleg ten grondslag heeft gelegd, heeft ten onrechte geen compensatie van de door haar aan werknemer betaalde transitievergoeding plaatsgevonden. Volgens appellante is het Uwv door die onwettige handelwijze ongerechtvaardigd met dat bedrag verrijkt.


Het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat nieuwe jurisprudentie geen novum oplevert in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.



5.2.
De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Appellante heeft in hoger beroep hieromtrent in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.



5.3.
Voor zover appellante meent dat het handelen van het Uwv als een onrechtmatige daad jegens haar moet worden aangemerkt of als ongerechtvaardigde verrijking moet worden gezien, dient appellante zich met een daartoe strekkende vordering te wenden tot de civiele rechter.





Conclusie en gevolgen


5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 26 juni 2023 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.




(getekend) H.G. Rottier



(getekend) D. Semiz











Bijlage: voor deze zaak van belang zijnde wettelijke bepaling


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 4:6, tweede lid
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.






Rb. Den Haag 6 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13706.


CRvB 1 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1180, ECLI:NL:CRVB:2022:1316 en ECLI:NL:CRVB:2022:1317.


CRvB 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1984, r.o. 4.4.


CRvB 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:594.
Link naar deze uitspraak