Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:8027 
 
Datum uitspraak:20-08-2026
Datum gepubliceerd:26-08-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 24/7667
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Wet compensatie wegens selectie aan de poort. Fraude Signalering Voorziening (FSV). De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep en dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank heropent het onderzoek voor nader feitenonderzoek naar de reden van opname in de FSV.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
aftrekbare giften
belastingrecht
inkomstenbelasting
kinderopvangtoeslag
omzetbelasting
verzamelinkomen
zorgkosten
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7667


tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende,

en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024.


1.1.
Bij brief van 11 juli 2024 is het verzoek van belanghebbende om een beschikking af te geven over de jaren 2012 tot en met 2019 op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort (de Wet) afgewezen.



1.2.
De inspecteur heeft bezwaar van belanghebbende tegen de brief van 11 juli 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op een (regie)zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers BRE 25/2870, 25/2872 t/m 25/2876, 25/2878, 25/2879, 25/3341, 25/3343 t/m 25/3349, 25/6412, 25/6584, 25/6586 en 25/6587, 24/6610 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:



Belanghebbende;


Namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] ;


Namens de ontvanger: drs. [gemachtigde] , [gemachtigde 2] , mr. N. Leussink en [gemachtigde 3] .





1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op een (nadere) zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers BRE 24/6610 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:



Belanghebbende;


Namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , [inspecteur 5] en [inspecteur 6]


Namens de ontvanger: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .





1.5.
De rechtbank heeft van beide zittingen een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift naar partijen is verzonden.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt allereerst of zij bevoegd is om het geschil te beoordelen. Zo ja, dan beoordeelt de rechtbank of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt verder of de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking had moeten afgeven en of recht bestaat op compensatie op grond van de Wet. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.


2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is zij bevoegd om het geschil te beoordelen. Het bezwaar van belanghebbende is verder ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.



2.2.
De rechtbank beschikt niet over alle gegevens voor een verdere beoordeling van het geschil. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen voor nader feitenonderzoek naar de reden van opname van belanghebbende in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en of de opname verband houdt met – kort gezegd – het na selectie opnemen van een code in het redenveld van een Uitworp Gewenst.



2.3.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot het in 2.1 weergegeven oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten

3. Belanghebbende is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.


3.1.
Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd voor het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting die op aangifte had moeten worden voldaan in een aantal tijdvakken gelegen in de jaren 2016 tot en met 2018. Op 4 oktober 2018 heeft een veroordeling door de politierechter plaatsgevonden. In deze procedure loopt op dit moment cassatie bij de Hoge Raad.



3.2.
Belanghebbende is opgenomen in de FSV. Op 4 augustus 2023 heeft belanghebbende daarover een brief van de Belastingdienst, Meldpunt FSV, ontvangen, waarin onder meer het volgende staat:

“U krijgt deze brief omdat uw persoonsgegevens in de FSV stonden.
(…)
Uw persoonsgegevens stonden in de FSV omdat een overheidsorganisatie uw belastinggegevens bij ons heeft opgevraagd. Dat mag zo’n organisatie volgens de wet- en regelgeving doen met een informatieverzoek. Wij zijn wettelijk verplicht de opgevraagde gegevens aan deze organisatie te geven. Voor onze eigen administratie registreerden we in de FSV dat zo’n verzoek was gedaan. Dat wist de organisatie meestal niet. Wij hebben bij de registratie meestal niet gezet welke gegevens werden opgevraagd. En ook niet welke we hebben gegeven.
In uw situatie stond in de FSV dat het informatieverzoek is gedaan door:
• Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)
(…)
Jaar van registratie in de FSV: 2018”



3.3.
Op 19 augustus 2023 heeft belanghebbende een zogenaamde afsluitende brief onderzoek FSV ontvangen. Daarin staat onder meer:




“Wij hebben uw registratie onderzocht.
Wij zien dat uw FSV-registratie bij de Belastingdienst niet geleid heeft tot een aangepaste behandeling van uw aangiftes of aanvragen. De gevolgen van de kinderopvangtoeslag komen niet door de FSV-registratie.
Verder wijst ons onderzoek uit dat:
• u een vraag, afwijzing of wijziging heeft ontvangen.
• Deze stond los van uw registratie in de FSV;
• de registratie van uw gegevens in de FSV niet gedeeld zijn met andere organisaties; en
• er geen bijzondere persoonsgegevens van u in de FSV staan.”


3.4.
Aan belanghebbende is een brief gestuurd d.d. 26 maart 2024 waarin staat, voor zover relevant:

“ uw verzoek om inzage in uw gegevens in de FSV wijzen wij toe. Een overzicht van uw persoonsgegevens in de FSV vindt u hieronder.
(…)
Datum opname 3-9-2018 (…)
Aantekeningen Door het LBIO is een verzoek om informatie gedaan. Doorgestuurd naar informatieloket Breda ivm competentie.
(…)
Datum opname 4-9-2018
Datum afdoening 4-9-2018
Competentie eenheid 133 (Breda MKB (verzorgingsgebied Zuid)
Opvragende instantie LBIO (…)”



3.5.
Tot het dossier behoort een stuk ingebracht door belanghebbende waarin staat, voor zover van belang:

“ agboek FSV [logo belastingdienst] Version 1.9.15.6628
(…) alle signalen (…) Bsn: [bsn] (…)















BSN


Achternaam


Competente eenheid


Werkstroom


Naam behandelaar


Middel


Belastingjaar


Datum opname


Datum afdoening




[bsn]



[belanghebbende]


Breda MKB
(verzorgingsgebied Zuid)


InformatieVerzoek


XXXXXXXXXX (SFO Breda)








04-09-2018


04-09-2028




[bsn]



[belanghebbende]


Breda MKB
(verzorgingsgebied Zuid)


InformatieVerzoek


XXXXXXXX (SFO Rotterdam)








03-09-2018


03-09-2018




[bsn]



[belanghebbende]


Breda MKB
(verzorgingsgebied Zuid)


TipKlik











13-02-2018







[bsn]



[belanghebbende]


Breda MKB
(verzorgingsgebied Zuid)


TipKlik





Div bel.


2016


15-11-2016












3.6.
Belanghebbende heeft bij brieven van 9 februari 2024, 14 februari 2024 en 19 maart 2024 verzocht om compensatie op grond van de Wet over de jaren 2012 tot en met 2019 (de onderhavige periode). De inspecteur had niet op dit verzoek beslist. Daarop heeft belanghebbende beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 25 maart 2025 in die beroepsprocedure uitspraak gedaan.



3.7.
De rechtbank heeft de inspecteur in haar uitspraak opgedragen om de brief van belanghebbende (de brief van 19 juli 2024) in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen een brief die namens de minister van Financiën (de brief van 11 juli 2024) aan belanghebbende is gestuurd.



3.8.
Bij brief van 15 mei 2025 heeft de inspecteur de rechtbank in kennis gesteld dat hij de brief van 19 juli 2024 niet als bezwaarschrift in behandeling kan nemen omdat belanghebbende op 25 juli 2024 al een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de brief van 11 juli 2024, en de inspecteur daar op 4 oktober 2024 uitspraak op bezwaar op heeft gedaan.



3.9.
Bij brief van 12 november 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024.




Motivering


Vooraf - bevoegdheid


4. Alvorens aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toe te komen beoordeelt de rechtbank of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil. De inspecteur stelt dat niet de fiscale rechter maar de burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. De inspecteur verwijst daartoe naar een uitspraak van de Raad van State van 17 juli 2024. Volgens de inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende betrekking op een niet voor bezwaar vatbare brief van de inspecteur en is het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank kan belanghebbende mogelijk alleen ontvangen in zijn beroep, omdat uitspraak op bezwaar is gedaan.


4.1.
De rechtbank overweegt dat zij in haar uitspraak van 25 maart 2025 heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat in de Wet is bepaald dat de inspecteur ambtshalve een besluit kan nemen om de compensatie toe te kennen, niet uitsluit dat daartoe door een belanghebbende ook een aanvraag kan worden gedaan en de brieven van 9 februari 2024 moeten worden aangemerkt als een aanvraag waarop de inspecteur moet beslissen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de aanvraag ziet op een voor bezwaar vatbare beschikking. De weigering van de inspecteur om een voor bezwaar vatbare beschikking op grond van de Wet te nemen moet gelijk worden gesteld aan een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat, ook gelet op de achtergrond van de Wet. In beroep dient dan door de belastingrechter te worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor compensatie op basis van de Wet is voldaan, en of de inspecteur terecht heeft geweigerd om een voor bezwaar vatbare beschikking te nemen.



4.2.
De rechtbank sluit aan bij dat oordeel en het bezwaar van belanghebbende is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake zou zijn van (een weigering tot het nemen van) een voor bezwaar vatbare beschikking. De uitspraak van de Raad van State van 17 juli 2024 leidt niet tot een ander oordeel omdat dat geschil niet zag op toekenning van schadevergoeding op grond van de Wet, maar op basis van artikel 8.73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



4.3.
Gelet op het oordeel hiervoor dat aan het bezwaar van belanghebbende een besluit ten grondslag ligt waar bezwaar- en beroep tegen kan worden ingesteld acht de rechtbank zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil. De rechtbank komt daarom toe aan de vraag of aan de voorwaarden voor compensatie op basis van de Wet is voldaan, en of de inspecteur terecht heeft geweigerd om een voor bezwaar vatbare beschikking te nemen.


Compensatie op grond van de Wet compensatie selectie aan de poort




4.4.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur op grond van de Wet ambtshalve een compensatie toekent aan een belanghebbende, indien hij vaststelt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. Een aangifte van de belanghebbende over de kalenderjaren 2012 tot en met 2019 na een geautomatiseerde zoekopdracht naar uitgaven voor specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of aftrekbare giften als bedoeld in artikel 6.32 van die wet is geselecteerd voor een handmatige beoordeling;


De selectie, bedoeld in onderdeel a, heeft geleid tot intensief toezicht als gevolg van de selectienorm;



De aanslag niet is vastgesteld overeenkomstig het verzamelinkomen dat volgt uit de aangifte en hierdoor sprake is van een hoger verzamelinkomen dan dat volgt uit de aangifte; en



Voor de selectie, bedoeld in onderdeel a, geldt dat niet aannemelijk is dat die heeft plaatsgevonden op grond van criteria die relevant, geschikt en objectief gerechtvaardigd zijn als het gaat om het heffen en invorderen van verschuldigde inkomstenbelasting en is gebleken dat de selectie voor de handmatige beoordeling niet ook zou hebben plaatsgevonden binnen de reguliere selectiemodule van de Belastingdienst op grond van een relevant risico op onjuistheden in de aangifte en hetgeen relevant, geschikt en objectief gerechtvaardigd is als het gaat om het heffen en invorderen van verschilde inkomstenbelasting.





4.5.
De selectienorm wordt in de Wet omschreven als: het na de selectie opnemen van een Aanslagbelastingsysteem Klantinformatiecode [code 1] , [code 2] , [code 3] , of [code 4] dan wel een 10-cijferige IT Service Management tijdsregistratiecode beginnend met 11 (hierna: de code) in het redenveld van een Uitworp Gewenst en een daaropvolgende registratie in de Fraude Signalering Voorziening van de Belastingdienst.



4.6.
Er kunnen meerdere compensaties aan een belanghebbende bij dezelfde voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld. Als wel is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden a, b en c, maar op grond van de Wet geen compensatie wordt toegekend, dan wordt dit ook vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.



4.7.
Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte geen beschikking heeft ontvangen over de onderhavige periode op grond van de Wet. De beschikkingen moeten volgens belanghebbende per belastingjaar worden afgegeven. Belanghebbende stelt dat zijn aangiften inkomstenbelasting in de onderhavige periode ten minste tien keer zijn gecontroleerd. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn stelling het rapport van het boekenonderzoek over de aangifte inkomstenbelasting 2012 en aangifte omzetbelasting over het tijdvak juni 2012 tot en met 2e kwartaal van 2013 overgelegd. Daarnaast heeft belanghebbende de brieven van de inspecteur overgelegd waarin wordt verzocht om informatie met betrekking tot verschillende aangiften inkomstenbelasting in de onderhavige periode, meer in het bijzonder over de aftrek van specifieke zorgkosten. Belanghebbende stelt dat na de registratie in de FSV op 15 november 2016 een Aanslagbelastingsysteem Klantinformatiecode [code 1] bij zijn persoon is geplaatst en hij onder intensief toezicht is gesteld. Acht van de tien controles hebben volgens belanghebbende plaatsgevonden na die datum.



4.8.
De inspecteur stelt dat uit een brief aan belanghebbende van 4 augustus 2023 volgt dat belanghebbende pas eerst in 2018 is opgenomen in de FSV. De reden van opname in de FSV is volgens de inspecteur het gevolg van een informatieverzoek van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen uit 2018. De inspecteur stelt dat de opname in geen enkel belastingjaar in de onderhavige periode verband houdt met het na de selectie opnemen van een Aanslagbelasting-systeem Klantinformatiecode [code 1] , [code 2] , [code 3] , of [code 4] dan wel een 10-cijferige IT Service Management tijdsregistratiecode beginnend met 11 in het redenveld van een Uitworp Gewenst. De opname in de FSV staat volgens de inspecteur los van de selectienorm. De inspecteur stelt voorts dat hij belanghebbende per brief van 19 augustus 2023 in kennis heeft gesteld dat de opname in de FSV niet heeft geleid tot een aangepaste behandeling van de aangiftes van belanghebbende.



4.9.
De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke verplichting om de op de zaak bettrekking hebbende stukken te overleggen op de inspecteur rust ingevolge artikel 8:42 van de Awb. Dit betekent dat de inspecteur alle stukken moet overleggen die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de door de inspecteur over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan.



4.10.
De rechtbank overweegt voorts dat voor de beoordeling of aan de voorwaarden van artikel 2 van de Wet is voldaan, onder andere moet worden beoordeeld of aan de selectienorm is voldaan.



4.11.
Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende is opgenomen in de FSV, te weten in ieder geval met registratiedatum 3 september 2018 en 4 september 2018.



4.12.
Belanghebbende heeft echter een stuk overgelegd waarin ook twee eerdere FSV-registraties zijn opgenomen ten aanzien van hem, te weten met datum opname 15 november 2016 en datum opname 13 februari 2018 (zie 3.5).



4.13.
De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat dit stuk niet door de inspecteur is verstrekt, maar uit het ouderdossier van de Dienst Toeslagen komt. De inspecteur bestrijdt niet dat het stuk echt is en het stuk is voorzien van het logo van de Belastingdienst. Dan houdt de rechtbank het erop dat er minstens vier FSV-registraties waren.



4.14.
De inspecteur stelt dat de opname in de FSV in geen enkel belastingjaar verband houdt met het na selectie opnemen van een code in het redenveld van een Uitworp Gewenst. Er is niet voldaan aan de selectienorm en daarom terecht geweigerd om compensatie te verlenen. Een dergelijke conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank alleen getrokken worden – met rede – wanneer de informatie over alle FSV-registraties bekeken is, een eventueel verband met de codes in het redenveld van een Uitworp Gewenst is beoordeeld en vervolgens daarop de conclusie door de inspecteur is getrokken.



4.15.
De rechtbank dient te toetsen of die conclusie van de inspecteur klopt. Daarvoor dient de rechtbank dus over de stukken te beschikken van alle FSV-registraties en mogelijk ook de codes in het redenveld van een Uitworp Gewenst. Anders kan de rechtbank namelijk niet toetsen of het klopt dat de FSV-registraties niet relevant waren voor de selectienorm en dus geen rol hebben gespeeld bij de selectie.



4.16.
De inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat een procedure aanhangig is bij de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank met betrekking tot de vraag of, en zo ja welke, informatie de inspecteur aan belanghebbende moet verstrekken over (de reden van) andere FSV-registraties. Hij heeft daarom geen verdere informatie verstrekt, ook met het oog op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).



4.17.
De rechtbank overweegt als volgt: wat ook zij van die kennelijke AVG-procedure bij de afdeling bestuursrecht, deze stukken zijn van belang om dit geschil te beslechten en het betreffen daarom in deze zaak op de zaak betrekking hebbende stukken ex artikel 8:42 Awb. De inspecteur is wettelijk verplicht die stukken in te sturen indien deze aan hem ter beschikking staan of hebben gestaan.



4.18.
Gelet op het feit dat bij alle vier de registraties dezelfde competente eenheid van de Belastingdienst staat vernoemd, betreft het stukken waarvan het vooralsnog aannemelijk is dat de inspecteur daarover heeft beschikt. Op de vraag of de inspecteur nog steeds over de stukken beschikt van kort gezegd de eerste twee registraties in FSV en dus die stukken kan insturen, is vooralsnog geen helder antwoord gekomen.



4.19.
De rechtbank gaat er daarom vooralsnog vanuit dat de inspecteur nog over de stukken beschikt en draagt de inspecteur op de hierna genoemde stukken aan te leveren. Het staat de inspecteur evenwel vrij om de stukken in te sturen aan de geheimhoudingskamer voorzien van een gemotiveerd beroep op de geheimhouding, hetgeen dan getoetst zal worden.



4.20.
Het is de rechtbank niet duidelijk geworden over welke stukken de inspecteur beschikt. De rechtbank draagt de inspecteur op alle ontbrekende op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken ten aanzien van alle registraties in de FSV ten aanzien van belanghebbende, desgewenst voorzien van een geheimhoudingsverzoek, waaronder in ieder geval:

- het integrale stuk waarin de omschrijvingen uit het redenveld Uitworp Gewenst zijn opgenomen ten aanzien van elke uitworp in de onderhavige jaren;
- het integrale stuk waarin staat wat de reden voor de opname van elke registratie in de FSV is.

Mocht de inspecteur niet beschikken over de stukken, dan dient de rechtbank daarover geïnformeerd te worden. Indien de inspecteur wel heeft beschikt over de stukken, maar nu niet meer, dan dient de rechtbank te worden geïnformeerd over de vragen tot wanneer de stukken beschikbaar waren voor de inspecteur, welke stukken het betrof, wanneer die vernietigd zijn en wat de reden daarvoor was.




Conclusie en heropening van het onderzoek

5. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep en dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank beoordeelt de vraag of aan de voorwaarden voor compensatie op basis van de Wet is voldaan, en of de inspecteur terecht heeft geweigerd om een voor bezwaar vatbare beschikking te nemen.


5.1.
De rechtbank ziet in voorgenoemd punt aanleiding om voor dat punt het onderzoek te heropenen. De inspecteur wordt daarom in de gelegenheid gesteld deze stukken binnen drie weken aan de rechtbank te overleggen, eventueel voorzien van verzoek tot geheimhouding. Belanghebbende zal drie weken krijgen voor een reactie, afhankelijk van een eventuele beslissing van de geheimhoudingskamer.



5.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de dwangsom, proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.




Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;
- draagt de inspecteur op om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak de stukken genoemd in overweging 4.20 aan te leveren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van R.M.P. Dees, griffier, op
20 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.










griffier


rechter






De tussenuitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1715.


Raad van State 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891.


Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1715, r.o. 3.4.


Artikel 2 van de Wet.


Artikel 1 van de Wet.


Artikel 3, lid 1, van de Wet.


Artikel 7 van de Wet.


Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.


Zie Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR :2018:672, r.o. 3.4.2 onder iv).


Idem.
Link naar deze uitspraak